Een brief van de bank of betaaldienst valt op de mat waarin de relatie of financiële dienst wordt opgezegd. Het komt voor ondernemers of particulieren vaak als een schok. Zonder financiële diensten is het vrijwel onmogelijk om deel te nemen aan het maatschappelijk en economisch verkeer: bijv. belastingen en salarissen kunnen niet worden betaald, leveranciers kunnen niet worden voldaan en pinbetalingen worden niet uitgevoerd. De opzegging is lang niet altijd rechtmatig. De Nederlandse wet- en regelgeving en rechters bieden belangrijke waarborgen, zowel voor zakelijke als particuliere klanten.

In deze blog leggen wij, Eric Meijer van Gelderen en Joris Viellevoije van bureau Brandeis, uit wanneer een bank of betaaldienst de relatie of een dienst mag opzeggen, welke toets de rechter daarbij hanteert en wat u kunt doen als u het niet eens bent met de opzegging.
NB. Overigens staan wij ook financiële dienstverleners bij, en bekijken dus ook van hun kant of opzegging mag; voor de eenvoud gaan wij daar in deze blog niet op in.
Banken en (gereguleerde) betaaldiensten zijn gebonden aan wettelijke kaders, waaronder maar niet uitsluitend de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Transfer of Funds Regulation (die ziet op de informatie die bij geldovermakingen moet worden gevoegd ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering).
De relatie tussen een bank en haar klant is verder gebaseerd op een of meer overeenkomsten, waaronder algemene voorwaarden zoals de Algemene Bankvoorwaarden (ABV). Artikel 35 ABV kent zowel de bank als de klant in beginsel de bevoegdheid toe om de relatie schriftelijk geheel of gedeeltelijk op te zeggen, zonder dat daarvoor verzuim van de klant is vereist. Dit kan de gehele dienstverlening raken, dus niet alleen de betaalrekening maar ook de rekening-courant, spaarproducten, leningen etc.
Dat een contractuele opzegbevoegdheid bestaat, betekent echter niet dat de bank of betaaldienst daarvan altijd gebruik kan maken. De rechtsgeldigheid van een opzegging wordt niet alleen bepaald door de overeenkomst, maar ook door de aanvullende en corrigerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
Uit vaste rechtspraak volgt dat een contractuele opzegging niet rechtsgeldig is indien dit, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie o.a. Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929). Deze maatstaf wordt onverkort toegepast bij de opzegging van financiële dienstverlening.
Deze maatstaf geldt ook voor betaaldiensten. Dit is onder meer bevestigd in een arrest van het Gerechtshof Amsterdam over Mollie (arrest van 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3304); en in een uitspraak van de rechtbank Amsterdam (5 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1237).
Om te beoordelen of een opzegging (on)aanvaardbaar is, maakt de rechter een belangenafweging: het belang van de bank/betaaldienstverlener bij opzegging wordt afgewogen tegen het belang van de klant bij voortzetting van de relatie. Daarbij speelt ook de (bijzondere) zorgplicht van de dienstverlener een belangrijke rol. De zorgplicht is onder meer neergelegd in artikel 2 ABV, dat bepaalt dat de bank bij haar dienstverlening zorgvuldig moet zijn en zo goed mogelijk rekening moet houden met de belangen van de klant, gelet op de maatschappelijke functie die banken vervullen (rechtbank Amsterdam 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5062; rechtbank Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11174). Artikel 35 lid 1 ABV verbindt de zorgplicht expliciet ook aan de opzegging zelf.
Uit de rechtspraak blijkt dat rechters zeer feitelijk toetsen welke belangen op het spel staan en hoe de bank of betaaldienstverlener tot haar besluit is gekomen.
In een zaak over de opzegging van een zakelijke betaalrekening naar aanleiding van een strategische beleidswijziging overwoog de rechtbank Amsterdam dat de keuze van een bank om haar internationale activiteiten terug te dringen wegens toegenomen compliance-kosten legitiem is, maar moet worden afgewogen tegen de belangen van de klant. Omdat de klant niet afhankelijk was van de rekening en via andere banken kon blijven deelnemen aan het economisch verkeer, woog het belang van de bank op zijn minst even zwaar, zodat de opzegging niet onaanvaardbaar was (rechtbank Amsterdam 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5062).
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat een bank onrechtmatig handelde door overhaast en zonder rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de rekeninghouder tot onmiddellijke beëindiging van de relatie over te gaan, op basis van een onvolledig beeld van de feiten (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1989).
Ook categorale uitsluiting van bepaalde branches wordt kritisch getoetst. Het Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelde dat het enkele feit dat de klant een coffeeshop exploiteert geen integriteitsrisico oplevert dat uitsluiting van het betalingsverkeer rechtvaardigt, en dat de opzegging willekeurig en onevenredig schadelijk was voor de klant (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1989).
Deze lijn is recent bevestigd in een zaak over een betaaldienst. Wij procederen voor coffeeshops tegen betaaldienstverlener Worldline, die pinbetalingen voor de coffeeshops verzorgt. De rechter oordeelde dat Worldline de overeenkomsten met de coffeeshops niet categoraal mocht beëindigen, omdat categorale uitsluiting niet is toegestaan, ook niet door een betaaldienstverlener. Daarbij woog mee dat meer dan 80% van de betalingen bij de coffeeshops pinbetalingen zijn en dat overstap naar een andere aanbieder op korte termijn niet mogelijk is (rechtbank Midden-Nederland 6 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:881).
Een belangrijke nuancering geldt wanneer de opzegging is ingegeven door de Wwft. Op grond van artikel 3 lid 1 Wwft is de bank verplicht klantonderzoek te verrichten. Klanten moeten (op grond van artikel 3 ABV) hieraan meewerken. Kan de bank, ondanks herhaalde verzoeken, geen toereikend klantonderzoek afronden, dan is zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft zelfs verplicht de relatie te beëindigen. In zo’n geval zal de opzegging meestal niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (bijv.: rechtbank Rotterdam 27 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:3985). In diezelfde uitspraak benadrukt de rechter overigens dat als de relatie met de onderneming wordt opgezegd, dit niet automatisch betekent dat ook de eigen persoonlijke relatie met de ondernemer (UBO) mag worden opgezegd, wanneer niet blijkt welk concreet risico die persoon voor de bank meebrengt.
Ook bij Europese sanctiewetgeving (bijvoorbeeld het EU-sanctiepakket na de Russische inval in Oekraïne in de zin van Verordening (EU) 296/2014 (als gewijzigd) en Verordening 833/2014 (als gewijzigd)) kan een bank op grond van de Algemene Bankvoorwaarden en aanvullend beleid de relatie opzeggen (rechtbank Rotterdam 11 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2409).
De rechtspraak laat zien dat een opzegging door de bank of betaaldienst geen automatisme is, maar het resultaat moet zijn van een zorgvuldige, kenbare belangenafweging – tenzij een dwingende wettelijke opzegplicht (zoals artikel 5 lid 3 Wwft) die afweging opzijzet.
Daarbij zijn relevante vragen onder meer: bent u tijdig gewaarschuwd, is er sprake van een voldoende zwaarwegende (en rechtmatige) grond, is de opzegtermijn redelijk, zijn er alternatieven overwogen en is het besluit kenbaar en gemotiveerd onderbouwd? Ook is van belang of de klant zelf voldoende heeft meegewerkt aan klantonderzoek.
Wordt de relatie, uw betaalrekening of ander product of dienst opgezegd, dan is het van belang de opzeggrond, de gehanteerde termijn en de onderliggende feiten kritisch te (laten) beoordelen. Vaak is een sommatiebrief of zelfs een kort geding tot voortzetting of opschorting van de opzegging een geschikt instrument om op korte termijn duidelijkheid te krijgen.
