De minister van Financiën, Eelco Heinen, erkent dat er meer inzicht nodig is in de resultaten van de Nederlandse anti-witwasaanpak. In een reactie op vragen uit de Tweede Kamer naar aanleiding van een kritisch rapport van de Algemene Rekenkamer stelt hij dat de effectiviteit van het stelsel beter meetbaar moet worden. Tegelijkertijd wil het kabinet vasthouden aan een meer risicogebaseerde aanpak, waarbij onnodige lasten voor burgers en bedrijven worden verminderd.

De discussie volgt op het rapport Gevolgen groot, opbrengsten onbekend van de Algemene Rekenkamer. Daarin wordt geconcludeerd dat banken, toezichthouders en opsporingsinstanties grote inspanningen leveren om witwassen tegen te gaan, terwijl onvoldoende inzicht bestaat in wat deze inspanningen daadwerkelijk opleveren.
Dat raakt een fundamentele vraag voor toezichthouders, beleidsmakers en complianceprofessionals: hoe beoordeel je de effectiviteit van een stelsel wanneer de maatschappelijke opbrengsten moeilijk meetbaar zijn?
Volgens de minister is verbetering noodzakelijk. Daarom is een werkgroep opgericht waarin onder meer banken, DNB, de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL), het Openbaar Ministerie en de FIOD samenwerken om de resultaten van de antiwitwasaanpak beter inzichtelijk te maken.
Heinen benadrukt dat banken een belangrijke poortwachtersfunctie vervullen binnen het financiële stelsel. Tegelijkertijd erkent hij dat klanten de afgelopen jaren regelmatig hebben geklaagd over uitgebreide controles, moeilijkheden bij het openen of behouden van een rekening en vragen die niet altijd in verhouding stonden tot het risico.
Volgens het kabinet moet de uitvoering van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) daarom nadrukkelijker risicogebaseerd worden ingevuld. Dat betekent dat banken meer aandacht besteden aan klanten en transacties met een verhoogd risico, terwijl zij bij lagere risico's minder belastende maatregelen kunnen toepassen.
De minister verwacht dat een betere toepassing van deze risicogebaseerde benadering niet alleen de lasten voor burgers en ondernemers verlaagt, maar op termijn ook kan bijdragen aan lagere uitvoeringskosten voor banken.
Een belangrijk aandachtspunt blijft het voorkomen van disproportionele controles en ervaren discriminatie. Uit eerder onderzoek bleek dat sommige banken vragen stelden die niet direct relevant waren voor het vaststellen van witwasrisico's.
Om dat te verbeteren werkt de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) samen met toezichthouders en het ministerie aan sectorstandaarden die banken moeten helpen bij het maken van een beter onderscheid tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke informatieverzoeken.
Volgens Heinen moet dit bijdragen aan meer uniformiteit in klantonderzoeken en voorkomen dat burgers of ondernemers onnodig worden belast.
De Algemene Rekenkamer plaatste ook vraagtekens bij de mate waarin de ministers van Financiën en Justitie en Veiligheid zicht hebben op de doelmatigheid en doeltreffendheid van het antiwitwastoezicht.
Heinen benadrukt dat DNB als toezichthouder onafhankelijk opereert en dat deze onafhankelijkheid een belangrijke internationale norm is. Wel ziet hij ruimte voor meer transparantie over de resultaten van het toezicht. Daarom zegt hij met DNB in gesprek te gaan over manieren waarop de toezichthouder meer inzicht kan geven in de effectiviteit van haar werkzaamheden op het gebied van de Wwft.
Daarnaast vindt maandelijks overleg plaats tussen ministeries, banken, toezichthouders en andere partijen uit de antiwitwasketen om de uitvoering van de risicogebaseerde aanpak verder te verbeteren.
Ondertussen werkt Nederland toe naar de invoering van het nieuwe Europese antiwitwaspakket, dat vanaf 2027 grotendeels rechtstreeks van toepassing wordt. Een belangrijk onderdeel daarvan is de komst van de nieuwe Europese antiwitwasautoriteit AMLA, die toezicht en regelgeving binnen de Europese Unie verder moet harmoniseren.
Volgens de minister zet Nederland zich ervoor in dat de verdere uitwerking van deze Europese regels zoveel mogelijk risicogebaseerd blijft. Ook kiest het kabinet bij de implementatie van de nieuwe regelgeving voor een zo lastenluw mogelijke aanpak.
De kern van de discussie blijft echter de vraag die de Algemene Rekenkamer heeft opgeworpen: hoe kan worden vastgesteld of de omvangrijke investeringen in witwasbestrijding daadwerkelijk leiden tot betere opsporing, vervolging en preventie?
Met de aangekondigde werkgroep en een nieuwe voortgangsbrief later dit jaar wil het kabinet daar meer inzicht in bieden. Voor bestuurders, toezichthouders en complianceprofessionals zal juist die vraag naar aantoonbare effectiviteit de komende jaren steeds belangrijker worden.
