De onderzoeksstrategie vormt de vertaling van de aard, omvang en complexiteit van de problemen, de belangen van de diverse belanghebbenden en de daarvan afgeleide onderzoeksvragen naar de concrete aanpak. De onderzoeker zal daarvoor belangrijke keuzes met betrekking tot de volgende zaken moeten maken:
De filosofische stromingen en bijbehorende domeinen.
De focus op categorisatie of identificatie.
Het ‘waarom’, ‘wat’ en ‘hoe’ van een onderzoek.
Voor het bepalen van de strategie zijn er op hoofdlijnen twee routes. Bij de eerste route is er sprake van een duidelijke problematiek, waarop de strategie meteen afgestemd kan worden en de bovengenoemde drie keuzes daarvan afgeleid kunnen worden. In deze situatie bepaalt de strategie de ‘waarom’-, ‘wat’- en ‘hoe’-keuzes van een onderzoek.
Voor de tweede route is de aard, omvang en complexiteit van de problemen nog onduidelijk, wat vaak het geval is bij de ingewikkelde casus op het terrein van corruptie. De oriëntatie van de onderzoeker en het ‘waarom’, ‘wat’ en ‘hoe’ van een onderzoek zullen gegeven het exploratieve karakter van het onderzoek bepalend zijn, waarna de strategie daarvan afgeleid zal worden. De oriëntatie van de onderzoeker zal bij deze tweede route van doorslaggevend belang zijn voor het kunnen bepalen van de opzet en uitvoering van het onderzoek. Zijn achtergrond, deskundigheid en oriëntatie zullen in belangrijke mate de epistemologische, ontologische en methodologische benadering van een onderzoek naar corruptie bepalen.
Voor een onderzoeker is het daarom belangrijk om zich bewust te zijn van de kwaliteit van zijn eigen ‘filter’, Onder filter wordt hier verstaan de wereld- en mensbeelden van de onderzoeker, die bestaan uit zijn percepties, overtuigingen en interpretaties.
Dit fenomeen staat bekend als expert bias of confirmation bias. De onderzoeker richt zich in zijn onderzoek namelijk eerder op informatie die aansluit bij zijn expertise en zijn overtuigingen. Aan de andere kant kunnen gebieden, waar de onderzoeker minder vertrouwd mee is, lijden aan verwaarlozing, omdat de kans groter is dat gegevens waarmee men niet bekend is over het hoofd worden gezien of worden ondergewaardeerd. Zonder een zekere kennis van een bepaald onderwerp loopt een onderzoeker het risico cruciale aanwijzingen of bewijzen als onbelangrijk af te doen. De onderzoeker kan ook beïnvloed worden door cognitieve vooringenomenheid, waaronder het Dunning-Krugereffect, Dunning 2011.