In paragraaf 3.4 van dit hoofdstuk is bij de bespreking van de dubbele normativiteit aangegeven dat de feitenvaststelling volgens logische, empirische en ervaringsgerichte wetenschappen moet plaatsvinden. Op verschillende plaatsen in dit hoofdstuk is stilgestaan bij de verschillende vormen van wetenschap, de filosofische stromingen, forensisch individualisatie- en categorisatieonderzoek en andere relevante onderwerpen om de context te schetsen van de opzet en uitvoering van forensisch onderzoek en de professionele oordeelsvorming die in dat kader moet plaatsvinden.
Het algemene principe van het baseren van overtuigingen op bewijs en logisch redeneren is universeel in de wetenschap, maar het komt op verschillende manieren tot uiting in de diverse wetenschappen. Zo wordt in de epistemologie gesproken over ‘gerechtvaardigde ware overtuiging’ en in de accountancy tot enige tijd geleden over ‘deugdelijke grondslag’ en sindsdien over ‘het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid’. De begrippen gaan allemaal, ondanks hun inherente verschillen, over het vormen van overtuigingen en streven naar waarheid op basis van een grondige evaluatie van goede redenen en/of bewijsmateriaal.
Dit is feitelijk ook wat een onderzoeker in het kader van een forensisch onderzoek naar corruptie zal moeten doen en in het rapport tot uitdrukking zal moeten brengen. De overtuiging, dat hetgeen is onderzocht en presenteert in het rapport, waar en onderbouwd is. Anders is het niets meer dan een veronderstelling of een onderbouwde onjuistheid. Om de gebruikers van zijn rapport ‘naar beste weten’ ex artikel 198, lid 1 Rv of ‘naar waarheid, volledig en beste inzicht’ ex artikel 51i, lid 3 Sv, en gemotiveerd ex HR 18 februari 1994, NJ 1994, 742 r.o. 3.4 R.o. 3.4: ‘Een burgerlijk geding op tegenspraak brengt daarenboven mee dat de rechter zich bij de vaststelling alleen op die gegevens van feitelijke aard mag baseren waarvan de partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben kunnen stellen’. Lid 1: ‘Hij geeft daarbij zo mogelijk aan welke methode hij heeft toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing van de methode’. Lid 3: ‘De deskundige verklaart het verslag naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld. Het verslag is gebaseerd op wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is’. Bij de politie wordt gesproken over de 7 W’s.
De principes uit strafvordering en burgerlijke rechtsvordering zijn in wezen bedoeld om de integriteit en betrouwbaarheid van het straf- en civielrechtelijk onderzoek en het proces te waarborgen. Door de verschillend geformuleerde eisen dat feiten en omstandigheden ‘naar (waarheid, volledig en) beste inzicht’ worden verstrekt en dat methodologische transparantie en expertise worden aangetoond, proberen de wetten een stevig fundament van ‘gerechtvaardigde ware overtuiging’ in de straf- en civielrechtelijke contexten te leggen. Het voorgaande onderstreept het belang van gerechtvaardigdheid in overtuigingen, vooral in een juridische context, waar de gevolgen van onjuiste, niet onderbouwde of ongerechtvaardigde overtuigingen ernstig kunnen zijn. Het toont aan hoe de eisen van de wet en de principes van epistemologie op een vergelijkbare manier werken om waarheidsgetrouwheid, integriteit en gerechtvaardigdheid te waarborgen.