Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

Onderzoek wordt in onder meer de accountancy gedefinieerd als het vergelijken van de werkelijkheid met een norm. Deze definitie impliceert drie belangrijke onderdelen voor het onderzoeksproces, namelijk:

  1. Het vaststellen van de werkelijkheid.

  2. Het vaststellen van de onderzoeksnorm.

  3. Het vergelijken van de vastgestelde werkelijkheid met de beschreven norm.

Bij menig onderzoek bestaat bij de aanvang al een indicatie van de mogelijke problemen, maar ondanks die indicatie is het belangrijk dat de onderzoeker eerst meer inzicht in de achtergrond van de problematiek moet krijgen alvorens hij de opzet en uitvoering van het onderzoek nader specificeert. Het tweede onderdeel, het vaststellen van de onderzoeksnorm, betreft het bepalen van het relevante normenkader voor de problematiek die onderzocht wordt. Dit relevante normenkader is zowel richtinggevend voor het onderzoek als een vergelijkingskader voor de aangetroffen feiten en omstandigheden.

Elk onderzoek heeft een dubbele normativiteit, namelijk een juridisch kader en een epistemologisch kader. Cleiren deelt deze dubbele normativiteit nog verder op waardoor de volgende driedeling ontstaat:

Cleiren 2001.

  1. Een feitenvaststelling volgens logische, empirische en ervaringsgerichte wetenschappen.

  2. Een materieelrechtelijke component.

  3. Een processuele component.

Zoals hiervoor uiteengezet, zal de feitenvaststelling bij indicaties van corruptie volgens een forensische individualisatiemethodiek moeten plaatsvinden, om een koppeling te kunnen maken tussen de mogelijk onrechtmatige gedragingen en de betrokken individuen. Voor de integrale aanpak van het onderzoek zal door het complexe karakter, informatieasymmetrie en onbetrouwbare informatie een subjectivistische invalshoek de voorkeur hebben, waarbij voor bepaalde (veelal technische) onderdelen van het onderzoek een objectivistische benadering noodzakelijk zal zijn.

Wat de materieelrechte­lijke component betreft, doet de onderzoeker er verstandig aan om de corruptieproblematiek vanuit een positiefrechtelijke optiek te benaderen. Dit betekent dat corruptie vanuit het straf-, privaat- en/of arbeidsrecht kan worden benaderd. Zo kunnen door de opdrachtgever, naast de strafrechtelijke optiek, ook privaat- en/of arbeids­rechtelijke maatregelen op grond van onder meer onrechtmatige daad, wanprestatie en/of ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden of anderszins worden overwogen. Het risico dat een onervaren onderzoeker of een onderzoeker met een ‘te smal’ filter ten aanzien van de materieelrechtelijke component loopt, hangt nauw samen met het Dunning-Krugereffect.

Wil een onderzoeker zijn onderzoek goed kunnen richten op het onderkennen van de relevante feiten en omstandigheden, dan zal hij bekend moeten zijn met de objectieve en subjectieve bestanddelen (de gedragingen en bedoelingen) van strafrechtelijke delicten, zoals corruptie of witwassen, en de vereisten

Het doen (of nalaten), onrechtmatige karakter, toerekening, schade en causaal verband.

voor een overtreding van civielrechtelijke normen, zoals onrechtmatige daad of wanprestatie. Deze bestanddelen en/of vereisten vormen een belangrijk onderdeel van het normatieve kader, waarop de onderzoeker zijn onderzoek zal moeten richten om de relevante feiten en omstandigheden te kunnen vaststellen. In het licht van de noodzakelijke functiescheiding is het juridisch duiden van feiten en omstandigheden en het trekken van conclusies voorbehouden aan advocaten en de rechter, en niet aan de onderzoeker.

De processuele normering voor de opzet en uitvoering van het onderzoek betreft de procedurele normering, die in de verschillende rechtsgebieden is opgenomen voor de opzet en uitvoering van het onderzoek. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:TADRAMS:2022:140 r.o. 5.12 over de eisen die aan een onderzoek van een advocaat worden gesteld. Deze aspecten hangen nauw samen met de hierna te behandelen checks and balances van het onderzoek.