De energietransitie kost geld. Maar betekent dat ook dat Nederland er economisch op achteruitgaat? Volgens adviseur en onderzoeker Hesse McKechnie, die optreedt als loods bij de aankomende editie van Springtij op Terschelling (23-25 september), is dat allerminst vanzelfsprekend. Wie alleen kijkt naar investeringskosten, mist volgens hem een belangrijk deel van de rekensom: de baten van een schoner, veiliger en minder importafhankelijk energiesysteem. Beleidsmakers en bestuurders zouden daarom breder naar de businesscase van verduurzaming moeten kijken.

Door: Babette Weller, redactie PONT | Klimaat
McKechnie werkte jarenlang als strategie- en transformatieadviseur, onder meer voor banken en grote bedrijven. Daarnaast houdt hij zich bezig met de vraag waarom maatschappelijke transities vastlopen en welke interventies kunnen helpen om doorbraken te realiseren. Dat doet hij onder andere in samenwerking met het Erasmus Platform for Sustainable Value Creation en het Sustainable Finance Lab. Ook is hij betrokken bij de aankomende editie van Springtij, waar hij in de rol van ‘loods’ zijn ideeën over de economische waarde van de energietransitie verder onder de aandacht brengt.
Zijn eigen kijk op de energietransitie veranderde de afgelopen jaren behoorlijk. Twintig jaar geleden leerde McKechnie tijdens een opleiding dat de economische businesscase van de energietransitie ronduit ongunstig was. Verduurzaming was noodzakelijk, maar daar hing simpelweg een prijskaartje aan. “Ik heb altijd de veronderstelling gehad: je moet het doen, maar het kost een hoop geld, dus we moeten gaan inleveren.”
Dat beeld begon te kantelen toen McKechnie recentere scenario's voor het Nederlandse energiesysteem bekeek. Daaruit bleek volgens hem dat een energiesysteem gericht op netto nul aanvankelijk ongeveer 15 tot 20 procent duurder kan zijn dan doorgaan met het huidige systeem. Dat verschil vond hij opvallend klein.
De verklaring ligt volgens McKechnie voor een belangrijk deel in technologische ontwikkeling. Zonnepanelen en windparken op zee waren twintig jaar geleden relatief nieuwe en dure technologieën. Maar inmiddels zijn ze veel verder ontwikkeld.
Daarmee verandert ook het karakter van ons energiesysteem. We bewegen volgens McKechnie van een systeem dat hoofdzakelijk op grondstoffen is gebaseerd naar een systeem dat veel sterker op technologie steunt. Dat onderscheid is belangrijk. Grondstoffen blijven schaars, terwijl technologie zich kan blijven doorontwikkelen en efficiënter en goedkoper kan worden.
Maar dat is nog niet voldoende om te beweren dat de energietransitie ‘gratis’ is. Volgens McKechnie moeten we de manier veranderen waarop we kosten en baten van de transitie mee wegen. Sterker nog provoceert hij “de energie transitie is ‘gratis’ wanneer je dit goed doet”
McKechnie illustreert dat met een ogenschijnlijk eenvoudige vraag: wat is meer waard, de euro die je nu uitgeeft, of de euro die je in de toekomst nooit hoeft uit te geven?
Die tweede euro is gemakkelijk over het hoofd te zien. Een investering in een robuuster energiesysteem is zichtbaar op de begroting. De economische schade die dankzij die investering níét optreedt, verschijnt nergens als opbrengst. Toch heeft ook die vermeden schade evenveel economische waarde.
Energiezekerheid is daarvan volgens McKechnie een goed voorbeeld. Nederland is voor zijn energievoorziening nog altijd afhankelijk van buitenlandse grondstoffen, voornamelijk olie en gas. Internationale conflicten en energiecrises kunnen daardoor leiden tot hogere prijzen en economische schade. De oliecrises van de jaren zeventig en de gevolgen van de recentere oorlogen in Oekraïne en Iran laten volgens hem zien wat die afhankelijkheid kan betekenen.
“Als wij nu investeren in een systeem dat minder import afhankelijk is”, zegt McKechnie, “dan besparen we Nederland bij een volgend conflict economisch verlies.” McKechnie heeft berekend dat de verwachte schade door de kwetsbaarheid van ons huidige energiesysteem jaarlijks gemiddeld 3 miljard euro zou zijn. De energietransitie versterkt onze weerbaarheid en dit levert volgens zijn berekening meer dan 1 miljard euro per jaar op aan economische baten.
Veiligheid is niet de enige maatschappelijke baat die McKechnie meeneemt. In zijn onderzoek kijkt hij naar vier terreinen: veiligheid, gezondheid, klimaat en de bredere economische effecten van investeringen.
Bij dat laatste speelt mee dat een duurzaam energiesysteem een ander investeringspatroon oplevert. In plaats van geld uit te geven aan de import van fossiele energie uit bijvoorbeeld Noorwegen, Qatar of de Verenigde Staten, zijn voor de energietransitie omvangrijke investeringen in Nederland nodig. Dat creëert hier economische activiteit en werkgelegenheid.
Wanneer die verschillende effecten worden gemonetariseerd, verandert volgens McKechnie de uitkomst van de rekensom fundamenteel. De maatschappelijke kosten van de transitie en van níét transformeren komen dan ongeveer bij elkaar in de buurt. Mogelijk pakt de energietransitie zelfs economisch gunstiger uit.
Dat is de gedachte achter zijn bewust provocerende stelling dat de energietransitie gratis is: niet dat verduurzaming geen investeringen vraagt, maar dat Nederland er op maatschappelijk niveau economisch niet noodzakelijk voor hoeft in te leveren.
Voor gemeenten zit daar onmiddellijk een complicatie. Een positieve maatschappelijke businesscase betekent nog niet dat iedere inwoner erop vooruitgaat. Bij de verduurzaming van een wijk kunnen bewoners bijvoorbeeld worden geconfronteerd met kosten die zij niet of nauwelijks kunnen dragen.
McKechnie erkent dat nadrukkelijk. “De daadwerkelijke kosten voor mensen zijn soms moeilijk op te brengen”, zegt hij. De kern van het probleem is volgens hem dat maatschappelijke kosten en baten ongelijk verdeeld zijn. De bewoner die vandaag moet investeren, ontvangt niet automatisch morgen alle maatschappelijke baten van meer energiezekerheid, schonere lucht of vermeden klimaatschade.
Dat onderscheid is belangrijk. Een project kan vanuit het perspectief van een huishouden financieel onaantrekkelijk zijn, terwijl het vanuit maatschappelijk perspectief wel degelijk waarde creëert.
Daar ligt volgens McKechnie een beleidsvraagstuk. Als de maatschappelijke baten aantoonbaar groter zijn dan wat in de individuele businesscase zichtbaar wordt, kan dat reden zijn om opnieuw te kijken naar subsidies, verdelingsvraagstukken en de termijn waarover investeringen worden beoordeeld. Bescherming van kwetsbare huishoudens blijft daarbij noodzakelijk.
Voor professionals bij gemeenten ligt de praktische betekenis van McKechnies verhaal vooral in de manier waarop besluiten worden voorbereid. Veiligheid, gezondheid en andere maatschappelijke effecten worden volgens hem nog te vaak behandeld als aanvullende argumenten naast de financiële businesscase. Eerst wordt gerekend aan het project en vervolgens wordt bekeken of er nog bredere effecten zijn.
McKechnie pleit ervoor die volgorde te doorbreken. Maatschappelijke baten zouden waar mogelijk onderdeel moeten worden van de rekensom zelf.
Dat geldt volgens hem ook voor energiezekerheid. Een gemeente die minder afhankelijk is van geïmporteerde energie zou tijdens een volgende energiecrisis economisch robuuster kunnen zijn dan een gemeente die sterk afhankelijk blijft. McKechnie heeft die effecten niet op gemeenteniveau berekend en waarschuwt dus tegen al te stellige lokale conclusies. Zijn boodschap: “Probeer dergelijke baten niet alleen kwalitatief te benoemen, maar onderzoek ook of ze financieel gewaardeerd kunnen worden.”
Dat vraagt om een bredere blik bij investeringsbesluiten rond bijvoorbeeld warmtenetten, lokale opwek of andere verduurzamingsprojecten. Niet alleen: wat kost dit project vandaag en wie betaalt de rekening? Maar ook: welke toekomstige kosten voorkomen we ermee, wie profiteert daarvan en hoe kunnen we die maatschappelijke waarde meewegen?
Tijdens Springtij brengt McKechnie die bredere economische blik op de energietransitie nadrukkelijk in. Zijn boodschap aan beleidsmakers en andere professionals is daarbij uiteindelijk minder provocerend dan de uitspraak ‘de energietransitie is gratis’ doet vermoeden. Het gaat hem vooral om een andere manier van rekenen.
Wie uitsluitend telt wat er vandaag uit de portemonnee gaat, ziet maar de helft van de businesscase. De euro die Nederland dankzij een robuuster, gezonder en duurzamer energiesysteem nooit hoeft uit te geven, is óók een euro.

Deze tweedaagse basiscursus leert professionals in de publieke sector compliance- en integriteitsrisico’s herkennen en vertalen naar effectief beleid, toezicht, governance en dagelijks gedrag.