De Eerste Kamer heeft op 2 juni ingestemd met een gedragscode voor ongewenste omgangsvormen. De code richt zich op de manier waarop Kamerleden met elkaar omgaan, maar ook op hun gedrag tegenover medewerkers en gasten. Met de nieuwe regeling wil de senaat ongewenst gedrag voorkomen en een duidelijke procedure bieden voor meldingen en klachten.

De gedragscode vloeit voort uit de herziening van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer in 2023 en werd voorgesteld door het College van Voorzitter en Ondervoorzitters (CVO). Betrokkenen kunnen ongewenst gedrag melden bij een vertrouwenspersoon en, indien nodig, voorleggen aan een onafhankelijke klachtencommissie. Volgens de Eerste Kamer zijn de procedures zo ingericht dat zowel klager als beklaagde zoveel mogelijk dezelfde rechten en plichten hebben. Anonieme klachten zijn niet mogelijk en de behandeling vindt vertrouwelijk plaats.
Met de aanname van de gedragscode start de werving van een vertrouwenspersoon en leden voor de onafhankelijke klachtencommissie. Kamervoorzitter Mei Li Vos heeft aangegeven dat de regeling bij voorkeur nog in 2026 in werking treedt.
Een ruime meerderheid van de senaat steunde de nieuwe regeling. Drie amendementen van de PVV werden verworpen; twee daarvan gingen over de definities in de code, terwijl het derde de klachtencommissie volledig wilde schrappen.
De invoering van de gedragscode laat zien dat sociale veiligheid en professionele omgangsvormen steeds nadrukkelijker worden gezien als governancevraagstukken. Waar integriteitsbeleid zich traditioneel richtte op onderwerpen als belangenverstrengeling, fraude en transparantie, verschuift de aandacht steeds vaker naar gedrag, cultuur en de wijze waarop organisaties omgaan met meldingen van ongewenst gedrag.
Opvallend is dat de Eerste Kamer niet alleen gedragsnormen vastlegt, maar deze ook institutioneel verankert via een vertrouwenspersoon en een onafhankelijke klachtencommissie. Daarmee ontstaat een structuur waarin normstelling, meldmogelijkheden en toezicht op de naleving samenkomen.
Voor bestuurders en toezichthouders is dit een herkenbare ontwikkeling. Ook binnen bedrijven, maatschappelijke organisaties en publieke instellingen groeit de aandacht voor sociale veiligheid als onderdeel van goed bestuur. De vraag is daarbij niet alleen welke normen gelden, maar vooral hoe organisaties zorgen voor een veilige meldcultuur, onafhankelijke behandeling van klachten en voldoende vertrouwen in de procedures.
De stap van de Eerste Kamer onderstreept hiermee een bredere trend: sociale veiligheid is niet langer een secundair HR-thema, maar een harde voorwaarde voor effectieve governance.
