Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

Zelfde Wwft onderzoek, andere uitkomst: wanneer mag een bank de klantrelatie beëindigen?

Wanneer mag een bank een klantrelatie beëindigen omdat een Wwft onderzoek niet positief kan worden afgerond? De rechtbank Midden Nederland komt in twee kort gedingen tegen ABN AMRO tot verschillende uitkomsten. In de ene zaak waren de aangevoerde integriteitsrisico's onvoldoende en moet de bank de klantrelatie herstellen. In de andere zaak waren de risico's rond een onderneming zo nauw verweven met de privérekeningen van een echtpaar dat beëindiging wel gerechtvaardigd was.

Redactie PONT | Governance 11 september 2026

Jurisprudentie – Samenvattingen

De twee zaken komen voort uit een omvangrijk cliëntenonderzoek van ABN AMRO naar een netwerk van personen en ondernemingen die onderling financiële transacties verrichtten. De bank zag risico's rond vastgoed, moeilijk te doorgronden geldstromen en de herkomst en bestemming van financiële middelen. Naar aanleiding van het onderzoek werden meerdere bankrelaties beëindigd en klanten opgenomen in het interne Client Acceptance and Anti Money Laundering register (CAAML).

Dat leidde tot elf kort gedingen bij de rechtbank Midden Nederland. Twee daarvan laten goed zien waar voor banken de grens ligt bij beëindiging van een klantrelatie op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Geen bewijs van witwassen nodig

Het uitgangspunt is in beide uitspraken hetzelfde. Banken moeten op grond van de Wwft cliëntenonderzoek doen en controleren of transacties passen bij wat zij over een klant en diens risicoprofiel weten. Kan een bank dat onderzoek niet met een positief resultaat afronden, dan verplicht artikel 5 lid 3 Wwft haar om de klantrelatie te beëindigen.

Daarvoor hoeft niet bewezen te zijn dat de klant daadwerkelijk betrokken is bij witwassen of andere criminaliteit. Ook wanneer een klant informatie en documenten verstrekt, kan een bank tot de conclusie komen dat bestaande risico's daarmee onvoldoende zijn weggenomen.

Daar staat tegenover dat de bank zorgvuldig moet handelen. Een klant moet een reële mogelijkheid krijgen om vragen te beantwoorden en zorgen weg te nemen. Wanneer een klant uitvoerig antwoord geeft en stukken verstrekt, moet de bank ook duidelijk kunnen uitleggen waarom die informatie onvoldoende is.

Vastgoedtransacties onvoldoende voor beëindiging

In de eerste zaak slaagde ABN AMRO daar niet in. De klant handelde onder meer in vastgoed en verstrekte leningen voor de aankoop daarvan. De bank wees onder andere op geld dat hij van zijn vader had geleend. Omdat de bank bij de vader eveneens integriteitsrisico's had vastgesteld, zouden die risico's volgens ABN AMRO doorwerken naar de klant.

De rechtbank vindt dat onvoldoende. Daarbij speelt mee dat in een parallelle procedure was geoordeeld dat de bankrelatie met de vader eveneens ten onrechte was beëindigd.

Ook twee vastgoedtransacties rechtvaardigden de beëindiging niet. Bij een snelle doorverkoop van een pand was geen sprake van een opvallend hoge winst en de klant had documenten over de transactie verstrekt. Voor een andere transactie, waarbij veel tijd zat tussen een aanbetaling en de uiteindelijke levering, had hij volgens de rechter een plausibele verklaring gegeven.

ABN AMRO had daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het cliëntenonderzoek niet positief kon worden afgerond. De bank moet de klantrelatie herstellen en de CAAML registratie beëindigen.

Risico's onderneming mogen wel doorwerken naar privérekeningen

In de tweede zaak valt het oordeel anders uit. Daar ging het om een echtpaar met gezamenlijke privérekeningen. De man was daarnaast enig bestuurder en aandeelhouder van een onderneming die onder meer hypothecaire kredieten verstrekte.

Bij die onderneming waren volgens de rechtbank voldoende ernstige problemen vastgesteld. Zo had de onderneming hypothecaire geldleningen verstrekt aan iemand bij wie steeds duidelijkere aanwijzingen bestonden voor betrokkenheid bij grootschalige drugshandel, zonder serieus onderzoek te doen naar de herkomst van de middelen waarmee rente en aflossingen werden betaald. Ook had de onderneming volgens de rechtbank consumentenkrediet verstrekt zonder de noodzakelijke vergunning of ontheffing.

Die omstandigheden stonden niet los van de particuliere klanten. De bestuurder was zelf nauw betrokken bij de onderzochte activiteiten en zakelijke geldstromen liepen via de gezamenlijke privérekeningen. Ook was een deel van het geld op die rekeningen afkomstig van de onderneming.

De rechtbank vindt daarom dat ABN AMRO de risico's rond de onderneming mocht meewegen bij het cliëntenonderzoek naar het echtpaar. Ook de partner droeg verantwoordelijkheid voor het gebruik van de gezamenlijke rekeningen. De bank mocht concluderen dat het cliëntenonderzoek niet positief kon worden afgerond en moest de bankrelatie daarom op grond van artikel 5 lid 3 Wwft beëindigen. De CAAML registratie mocht eveneens blijven staan.

Concrete verwevenheid maakt het verschil

De twee uitspraken laten vooral zien dat integriteitsrisico's binnen een groter klantnetwerk niet automatisch voldoende zijn om iedere betrokken bankrelatie te beëindigen. Een familieband, financiële relatie of opvallende transactie is op zichzelf niet genoeg wanneer een klant daarvoor een plausibele verklaring geeft en de bank onvoldoende duidelijk maakt welk risico resteert.

Dat kan anders zijn wanneer de risico's concreet doorwerken naar de betreffende klant. In de tweede zaak waren de onderneming, haar bestuurder en de gezamenlijke privérekeningen zo met elkaar verweven dat ABN AMRO de risico's rond de onderneming ook bij het particuliere cliëntenonderzoek mocht betrekken.

De vraag is dus niet alleen óf een bank integriteitsrisico's constateert. Beslissend is of de bank na zorgvuldig onderzoek voldoende kan onderbouwen waarom die risico's bij deze specifieke klant niet zijn weggenomen en het cliëntenonderzoek daardoor niet positief kan worden afgerond.

Artikel delen