ECLI:NL:RBMNE:2026:6206
Rechtbank Midden-Nederland 11 september 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2026:6206
text/xml
public
2026-09-11T11:03:58
2026-09-09
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-07-08
C/16/609609 / KG ZA 26-186
Uitspraak
Kort geding
NL
Utrecht
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6206
text/html
public
2026-09-11T11:03:26
2026-09-11
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:6206 Rechtbank Midden-Nederland , 08-07-2026 / C/16/609609 / KG ZA 26-186
Eiser komt in kort geding op tegen beëindiging bankrelatie en registratie in anti-witwasregister; toewijzing.
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/609609 / KG ZA 26-186
Vonnis in kort geding van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.M.P.E. van Helmond en mr. F.J.H.M. Berndsen te Breda,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amersfoort,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.
1.1 De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 4 mei 2026 met producties 1 tot en met 11- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11.
1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026, gelijktijdig met twee kort gedingprocedures waarin de vader en broer van [eiser] , namelijk [A] (hierna: [A] ) en [B] (hierna: [B] ) opkomen tegen de beëindiging van hun bankrelatie en hun CAAML-registratie. Namens eiser zijn verschenen:
- [eiser]
- mr. Van Helmond
- de heer [C] ( [functie] van de bank)
- mr. Achterberg.
Daarnaast is de mondelinge behandeling bijgewoond door [A]
en [B] , en door één belangstellende. Mr. Van Helmond heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Die zijn aan de processtukken toegevoegd. Aan het eind van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat heden vonnis wordt gewezen.
2 De kern van de zaak
De bank heeft de bankrelatie met [eiser] opgezegd, omdat ze bij haar klantonderzoek in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) integriteitsrisico’s heeft geconstateerd inzake de herkomst en bestemming van de financiële middelen en ten aanzien van de risicohouding bij de aanschaf van vastgoed. De bank heeft [eiser] ook geregistreerd op haar interne Client Acceptance and Anti-Money Laundering List (hierna: het CAAML-register en deze registratie: de CAAML-registratie). Volgens [eiser] mocht de bank dat niet doen. In deze kort gedingprocedure vordert hij voortzetting dan wel herstel van de bankrelatie en beëindiging van de CAAML-registratie. Deze vorderingen worden toegewezen.
3Achtergrond
3.1
[eiser] houdt zich onder meer bezig met de handel in onroerende zaken en het verstrekken van (ook hypothecaire) leningen aan natuurlijke personen en rechtspersonen voor de aankoop van onroerende zaken. [eiser] houdt bij de bank één betaalrekening voor particulieren aan.
3.2
De bank heeft vanaf 18 januari 2023 vragen gesteld aan [eiser] . Dit was onderdeel van een klantenonderzoek dat de bank vanaf begin 2023 heeft uitgevoerd naar [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ), diens enige statutair bestuurder de heer [D] , diens broer [E] en andere vennootschappen en natuurlijke personen. Vanwege de transacties tussen deze vennootschappen en personen heeft de bank deze klanten aangemerkt als een zogenoemd klantcomplex.
3.3
De bank is dit onderzoek naar eigen zeggen gestart:
vanwege ongebruikelijke transacties in de (vastgoed)activiteiten van [onderneming 1] en [D] in 2021;
omdat het Openbaar Ministerie in 2021 beslag heeft laten leggen op 28 panden van [onderneming 1] en [D] , voor een vordering van € 4.900.000,-;
omdat [D] strafrechtelijk is vervolgd voor fraude bij hypotheekaanvragen in 2015, welke procedure op 22 maart 2023 met een vrijspraak is geëindigd; en
omdat de bank eind 2022 uit de pers had vernomen dat de broer van [D] , [E] , werd verdacht van georganiseerde internationale drugshandel (en daarvoor op 5 juni 2024 is veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf).
3.4
Bij dat onderzoek heeft de bank geen bewijs gevonden voor betrokkenheid van anderen in het klantcomplex bij de drugshandel van [E] . De bank heeft wel geconcludeerd dat sprake is van een netwerk van vennootschappen en natuurlijke personen, dat voornamelijk met elkaar, binnen een gesloten circuit, zaken doet. Bovendien maakt de manier waarop zij dat doen het moeilijk voor de bank om de onderlinge geldstromen in beeld te krijgen. De bank heeft uiteindelijk de bankrelatie opgezegd met een aantal klanten partijen in het klantcomplex, waaronder dus die met [eiser] en met zijn vader en zijn broer.
3.5
Naar aanleiding van die opzeggingen zijn er elf kortgedingprocedures bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. In het kort geding van [onderneming 1] is de bank op 19 juni 2026 veroordeeld om de bankrelatie voort te zetten en de CAAML-registratie te beëindigen, maar er zijn ook kort gedingen waarin die vorderingen zijn afgewezen.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt een spoedeisend belang heeft. [eiser] heeft voldoende aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. De beëindiging en de registratie heeft niet alleen tot gevolg dat hij geen gebruik meer zal kunnen maken van zijn bankrekening bij de bank, maar ook dat het voor hem moeilijker wordt om in de toekomst van bank te wisselen. Als de bank – zoals [eiser] stelt – onvoldoende gronden had voor die beëindiging en de registratie, kan van hem niet worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Toetsingskader
4.2
In een kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat het gerechtvaardigd is om deze nu al, vooruitlopend op die beslissing van de bodemrechter, bij wijze van voorlopige voorziening toe te wijzen.
4.3
De kernvraag in deze zaak is dus of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de bank de bankrelatie met [eiser] niet had mogen beëindigen, en dus de bankrelatie moet voortzetten. Daar geldt het volgende toetsingskader.
4.4
Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt of misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun klanten. Het klantonderzoek houdt onder meer in dat de bank een voortdurende controle moet uitoefenen op de zakelijke relatie en op de transacties die tijdens de duur van de relatie worden verricht. De bank moet zich ervan verzekeren dat die transacties overeenkomen met de kennis die zij heeft van de klant en diens risicoprofiel. Een klantonderzoek moet intensiever zijn naarmate de risicofactoren hoger zijn. In bepaalde branches zijn die risicofactoren hoger dan in andere.
4.5
Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn bij het doen van het onderzoek afhankelijk van informatie die de bank heeft, informatie uit openbare bronnen en met name informatie van de klant zelf. De klant is daarom op grond van artikel 2, 3 en 7 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de manier waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt.
4.6
Als een bank concludeert dat een klantonderzoek niet met een positief gevolg kan worden afgerond, dan moet de bank de relatie met die klant beëindigen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij witwassen of andere criminele activiteiten.
4.7
Een bank kan om meerdere redenen tot de conclusie komen dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden. Dat kan het geval zijn als de klant geen antwoord geeft op vragen, als de klant vragen slechts gedeeltelijke of gebrekkig beantwoordt of onvoldoende stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen. De bank kan ook tot die conclusie komen als de klant wel duidelijke antwoorden geeft en stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen, maar de antwoorden ofwel de bank niet overtuigen, ofwel bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen.
4.8
De bank moet bij de uitvoering van het klantonderzoek zorgvuldig handelen. Dat volgt onder andere uit de in artikel 2 ABV opgenomen verplichting zorgvuldig te zijn in de dienstverlening. De bank moet, bijvoorbeeld, de klant voldoende tijd geven vragen te beantwoorden, moet enige ruimte laten bestaan voor misverstanden, in het bijzonder als de klant een kleine ondernemer is en/of de Nederlandse taal minder goed machtig is, en moet de antwoorden en de stukken die de klant ter onderbouwing daarvan aanlevert goed bestuderen. Bij het trekken van de conclusie dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden moet de bank temeer zorgvuldig handelen. Als de bank de relatie wil beëindigen omdat de antwoorden bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen, moet de bank de klant in het voortraject, bij het stellen van de vragen, een reële kans hebben geboden zich over de feiten die bij de bank zorgen opleveren uit te laten. En de bank moet de opzegging deugdelijk motiveren. Naarmate de klant uitvoeriger antwoorden geeft op vragen die gaan over door de bank genoemde zorgen of risico’s, zal de opzegging uitvoeriger gemotiveerd moeten zijn.
4.9
Als een bank een relatie met een klant opzegt omdat het klantenonderzoek niet of niet met een positief resultaat kan worden afgerond en de klant betwist dat de bank die conclusie heeft mogen trekken, moet de rechter onderzoeken of de bank juist en zorgvuldig heeft gehandeld. Het ligt dan op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat zij een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en daaruit onvoldoende informatie heeft verkregen om het klantenonderzoek (positief) te kunnen afronden. Het toetsmoment daarbij is het moment van de opzegging (toetsing ‘ex tunc’).
4.10
Als de conclusie is dat de bank na een zorgvuldig onderzoek terecht heeft geconcludeerd het klantonderzoek niet behoorlijk positief te kunnen afsluiten, zal de rechter de bank in het gelijk stellen. Vragen zoals of de klant elders nog een bankrekening heeft of niet, of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en of de zorgplicht van de bank niet aan de opzegging in de weg staat, komen niet aan de orde. De opzegging vloeit immers voort uit een wettelijke plicht (artikel 5 lid 3 Wwft), ook al is de contractuele grondslag van de opzegging gebaseerd op artikel 35 ABV. Een belangenafweging is daarom niet aan de orde. De zorgplicht van de bank en het belang van de klant bij het hebben van een bankrekening komen al aan bod bij de manier (zorgvuldig) waarop de bank het klantenonderzoek moet verrichten. Een bank die een opzegging baseert op artikel 5 lid 3 Wwft kan zich ten slotte niet met succes subsidiair beroepen op haar algemene opzeggingsbevoegdheid en haar contractsvrijheid. Daar is het de bank in zo’n artikel 5 lid 3 Wwft-zaak immers helemaal niet om te doen.
Het toetsmoment is 2 februari 2026
4.11
De opzeggingen waar het in deze zaak om gaat, is de beëindigingsbrief van 2 februari 2026. De eerdere brief, van 22 september 2025, is expliciet ingetrokken. De voorzieningenrechter volgt de bank niet in haar standpunt dat de brief van 2 februari 2026 moet worden gezien als slechts een nadere toelichting op de brief van 22 september 2025. Voor zover [eiser] het standpunt inneemt dat met de intrekking van de opzeggingsbrief van 22 september 2025 ook de aanvullende brief van 2 februari 2026 is komen te vervallen, en er dan geen opzegging meer is, gaat de rechter daar dus ook aan voorbij. Ook daarvoor heeft de bank de bankrelatie meerdere keren opgezegd om vervolgens naar aanleiding van bezwaren van [eiser] een nieuwe beslissing te nemen over beëindiging van de bankrelatie. De brief van 2 februari 2026 is simpelweg de meest recente beslissing en is daarom de beslissing waar in dit kort geding van uitgegaan moet worden. Dat de bank zich op deze manier herpakt, is op zichzelf niet in strijd met de zorgplicht die banken jegens hun klanten hebben. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat het jammer is dat die extra ruimte die de bank daarmee krijgt zich lang niet altijd terugbetaalt in een beter gemotiveerde beslissing.
4.12
De ex-tunc toetsing brengt voor deze zaak mee dat de bank aannemelijk moet maken dat zij op het moment van de opzeggingsbrief van 2 februari 2026 kon concluderen dat zij het klantenonderzoek niet positief kon afronden en dus niet kon voldoen aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 3 Wwft.
De beëindigingsgronden in de brief van 2 februari 2026
4.13
In de brief van 2 februari 2026 vermeldt de bank onder meer:
“In uw bezwaarschrift van 26 november 2025 geeft u aan dat uw cliënt altijd volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek. De bank beweert ook niet dat uw cliënt niet heeft meegewerkt aan het onderzoek. Het is echter wel zo dat de aangeleverde informatie en documentatie onvoldoende is gebleken om de geconstateerde integriteitsrisico’s weg te nemen.”
4.14
In de twee daaropvolgende alinea’s zet de bank verder uiteen om welke integriteitsrisico’s het volgens haar gaat.
“Risico’s omtrent de herkomst van de financiële middelen
Uit het klantenonderzoek is gebleken dat uw cliënt actief is op het gebied van vastgoed. Zo is uw cliënt eigenaar van een aantal vastgoedobjecten, verhuurt hij vastgoed, worden er leningen verstrekt aan en ontvangen van derden die ook actief zijn in de vastgoed sector. De bank heeft onvoldoende comfort bij de transacties op de rekening van uw cliënt. Blijkens het klantenonderzoek heeft uw cliënt zijn vastgoedportefeuille (deels) gefinancierd met middelen afkomstig van de heer [A] . Bij de heer [A] heeft de bank integriteitsrisico’s vastgesteld met betrekking tot de herkomst van zijn financiële middelen. De bank is van mening dat dit tevens uitstraalt naar uw cliënt. Tevens is het is onduidelijk voor de bank in welke mate uw cliënt risico’s ten aanzien van de herkomst van de gelden mitigeert. Daarnaast lijkt uw cliënt tevens betrokken te zijn geweest bij een AB(B)C-transactie ten aanzien van de [adres 1] te [plaats 2] . Dit soort constructies brengen een verminderde transparantie met zich mee en derhalve een hoog risico voor de bank.
Verder is uit het klantenonderzoek gebleken dat uw cliënt in 2021 een aanbetaling heeft ontvangen van in totaal EUR 50.000 inzake de verkoop van het object aan de [adres 2] te [plaats 2] . Het pand is echter daadwerkelijk pas verkocht eind 2023/begin 2024, Uw cliënt heeft destijds verklaard dat de levering wat langer duurde omdat de fundering van het object hersteld diende te worden. Het resterende bedrag, EUR 148.270,26 is op 2 november 2023 door [onderneming 2] N.V. voldaan. De bank vindt het opmerkelijk dat de aanbetaling niet is voldaan door een notaris, iets wat wel gebruikelijk is.
4.15
In de eerste alinea betoogt de bank dat het een integriteitsrisico is dat [eiser] handelt in onroerende zaken, dat hij die zijn vastgoedportefeuille gedeeltelijk heeft gefinancierd met van zijn vader geleende gelden, dat de bankrelatie met zijn vader recentelijk ook is beëindigd met een beroep op artikel 5 lid 3 Wwft en dat onduidelijk is in welke mate [eiser] de risico’s ten aanzien van de herkomst van die gelden beheerst. Dat is niet voldoende voor beëindiging van de bankrelatie. Dat geldt te meer omdat de voorzieningenrechter heden heeft geoordeeld dat de beëindiging van de bankrelatie met de vader onterecht was. Dan valt niet in te zien waarom de bank de bankrelatie met [eiser] enkel vanwege zijn zakelijke relatie en de familieband met zijn vader zou kunnen beëindigen.
4.16
De bank wijst daarnaast op de betrokkenheid bij transacties die minder transparant zijn. Zij noemt twee concrete voorbeelden. Het eerste is een zogenoemde AB(B)C-transactie uit 2023 waarin [eiser] een vastgoedobject in [plaats 2] heeft aangekocht voor € 175.000,00 diezelfde dag heeft doorverkocht voor € 185.000,00. Het tweede voorbeeld is de aanbetaling van € 50.000,00 die [eiser] medio 2021 op zijn bankrekening heeft ontvangen van de (aspirant-) koper van een ander vastgoedobject in [plaats 2] . Volgens de bank is die aanbetaling ongebruikelijk omdat 1) [eiser] het object pas eind 2023 daadwerkelijk aan de koper heeft geleverd en 2) omdat de koper de aanbetaling niet via de beoogd notaris heeft laten lopen maar deze rechtstreeks aan [eiser] heeft betaald.
4.17
Deze twee voorbeelden zijn niet overtuigend. AB(B)C-transacties zijn vooral een indicatie voor witwassen omdat daarbij vaak in heel korte tijd onverklaarbaar hoge verkoopwinsten worden gerealiseerd. In dit geval heeft de bank naar de ratio van de transactie gevraagd omdat zij de opbrengst juist opvallend laag vond. Dan ligt het dus niet voor de hand dat sprake is van witwassen. [eiser] heeft op die vraag geantwoord dat hij dat bedrag nog altijd de moeite waard vond en de notariële afrekeningen van de aankoop en verkoop verstrekt en ook de leveringsakte van de aankoop. De voorzieningenrechter ziet niet in wat hij verder nog zou moeten kunnen ophelderen over deze transactie. Dat geldt evenzeer voor het tweede voorbeeld. [eiser] heeft een plausibele verklaring gegeven voor de lange periode tussen aanbetaling en levering, namelijk dat was overeengekomen dat hij vóór de levering de fundering zou laten herstellen. Dan blijft alleen over dat de koper de aanbetaling niet via de notaris heeft laten lopen. Dat is hoe dan ook onvoldoende om beëindiging van de bankrelatie te rechtvaardigen, ook als dat ongebruikelijk is, zoals de bank stelt.
Conclusie: de bank mocht de bankrelatie niet opzeggen
4.18
Gelet op het voorgaande is de slotsom dat de bank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat ze het klantenonderzoek niet met een positief resultaat kon afronden. Zij mocht de bankrelatie daarom niet opzeggen. De vordering tot herstel dan wel voortzetting van de relatie wordt dan ook toegewezen.
De bank moet de CAAML-registratie beëindigen
4.19
[eiser] vordert dat de bank zijn gegevens van de CAAML-lijst verwijdert. De bank stelt dat zij er recht en belang bij heeft om de gegevens van [eiser] in die lijst op te nemen. Dit is een interne lijst die alleen zichtbaar is voor de bank en de met haar verbonden rechtspersonen. Volgens de bank is de CAAML-registratie nodig om te voorkomen dat [eiser] in de toekomst per abuis wordt toegelaten als klant van de bank, omdat bij betreffende afdeling niet bekend is dat de bank de bankrelatie met hem juist kort geleden heeft beëindigd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat als de redenen van de bank onvoldoende zijn om de bankrelatie met [eiser] te beëindigen, die redenen evenmin voldoende zijn om hem in het CAAML te registreren. De vordering om de CAAML-registratie van [eiser] te verwijderen, wordt dan ook afgewezen.
Geen dwangsommen
4.20
De bank heeft aangevoerd dat dwangsommen niet nodig zijn omdat dat zij rechterlijke veroordelingen altijd nakomt, of daar nu dwangsommen aan verbonden zijn of niet. De bank heeft in haar conclusie van antwoord uitdrukkelijk toegezegd dat zij, als zij in het ongelijk wordt gesteld, zal doen waartoe zij wordt veroordeeld. De voorzieningenrechter vindt die toezegging geloofwaardig, waarbij meeweegt mee dat de bank er met het oog op haar integriteit als financiële instelling groot belang bij heeft om dergelijke toezegging na te komen. De gevorderde dwangsommen worden dan ook afgewezen.
De bank krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen
4.21
De bank is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom een proceskostenvergoeding (inclusief nakosten) betalen aan [eiser] . Die proceskosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.832,57
4.22
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
veroordeelt de bank om de bankrelatie met [eiser] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te continueren dan wel te herstellen en de betreffende bankrekeningen te heropenen,
5.2
veroordeelt de bank om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de
CAAML-registratie van [eiser] te beëindigen,
5.3
veroordeelt de bank in de proceskosten van € 1.832,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de bank niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4
veroordeelt de bank tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
JO/4972
Zaaknummers C/16/609604 / KG ZA 26-184 [A] vs ABN AMRO Bank en C/16/609607 / KG ZA 26-185 [B] vs ABN Amro Bank. De zaken zijn niet gevoegd. De bank geeft in deze drie procedures een gelijkluidende conclusie van antwoord ingediend en dezelfde producties.
Rechtbank Overijssel 5 juni 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2957.
Art. 3 lid 2 onder d Wwft.
ECLI:NL:GHARL:2025:3542, rov. 3.7.
Zie 4.9.
Gelegen aan de [adres 1] .
Gelegen aan de [adres 2] .