ECLI:NL:RBMNE:2026:6205
Rechtbank Midden-Nederland 11 september 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2026:6205
text/xml
public
2026-09-11T10:21:28
2026-09-09
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-07-06
C/16/609602 / KG ZA 26-183
Uitspraak
Kort geding
NL
Utrecht
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6205
text/html
public
2026-09-11T10:21:10
2026-09-11
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:6205 Rechtbank Midden-Nederland , 06-07-2026 / C/16/609602 / KG ZA 26-183
Eisers komen in kort geding op tegen beëindiging bankrelatie en registratie in anti-witwasregister; afwijzing.
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/609602 / KG ZA 26-183
Vonnis in kort geding van 6 juli 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s. en afzonderlijk: [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ,
advocaten: mr. F.J.H.M. Berndsen en mr. M.M.P.E. van Helmond te Breda,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amersfoort,
gedaagde partij,
hierna te noemen: bank,
advocaat: mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.
1De procedure
1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 4 mei 2026 met producties 1 tot en met 23- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026, gelijktijdig met het kort geding dat [onderneming 1] B.V. (de vennootschap waarvan [eiser sub 1] de enige statutair bestuurder is en waarin hij alle aandelen houdt, hierna: [onderneming 1] tegen de bank.
Namens eisers zijn verschenen:
- [eiser sub 1] (voor zichzelf en als de enige statutair bestuurder van [onderneming 1] )
- [eiseres sub 2]
- mr. Berndsen
- mr. Van Helmond.
Namens de bank zijn verschenen
- de heer [A] ( [functie] van de bank)
- mevrouw [B] ( [functie] van de bank)
- mr. Achterberg.
Daarnaast is de mondelinge behandeling bijgewoond door één andere belangstellende.
2De kern van de zaak
De bank heeft de bankrelatie met [eiser sub 1] c.s. opgezegd, omdat ze bij haar klantonderzoek in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) onbeheersbare integriteitsrisico’s heeft geconstateerd. Daarnaast heeft de bank [eiser sub 1] c.s. geregistreerd op haar interne Client Acceptance and Anti-Money Laundering-lijst (hierna: het CAAML-register en deze registratie: de CAAML-registratie). Volgens [eiser sub 1] c.s. mocht de bank dat niet doen. In deze kort gedingprocedure vordert zij voortzetting dan wel herstel van de bankrelatie en beëindiging van de CAAML-registratie. Deze vorderingen worden afgewezen.
3Achtergrond
3.1
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn gehuwd en houden twee gezamenlijke bankrekeningen voor particulieren bij de bank aan. [eiser sub 1] is de enige statutaire bestuurder van [onderneming 1] B.V. en houdt alle aandelen in die vennootschap (hierna: [onderneming 1] ). [onderneming 1] houdt zich bezig met het verstrekken van (ook hypothecaire) kredieten aan natuurlijke personen en rechtspersonen voor de aankoop van onroerende zaken. De bank heeft met zowel [eiser sub 1] c.s. als [onderneming 1] de bankrelatie opgezegd en hen alle drie in het CAAML-register geregistreerd.
3.2
De bank heeft vanaf 24 mei 2023 vragen gesteld aan [eiser sub 1] c.s.. Dit was onderdeel van een klantenonderzoek dat de bank vanaf begin 2023 heeft uitgevoerd naar [onderneming 2] B.V. (hierna: [onderneming 2] ), diens enige statutair bestuurder de heer [C] , diens broer [D] en andere vennootschappen en natuurlijke personen. Vanwege de transacties tussen deze vennootschappen en personen heeft de bank deze klanten aangemerkt als een zogenoemd klantcomplex.
3.3
De bank is dit onderzoek naar eigen zeggen gestart:
vanwege ongebruikelijke transacties in de (vastgoed)activiteiten van [onderneming 2] en [C] in 2021;
omdat het Openbaar Ministerie in 2021 beslag heeft laten leggen op 28 panden van [onderneming 2] en [C] , voor een vordering van € 4.900.000,-;
omdat [C] strafrechtelijk is vervolgd voor fraude bij hypotheekaanvragen in 2015, welke procedure op 22 maart 2023 met een vrijspraak is geëindigd; en
omdat de bank eind 2022 uit de pers had vernomen dat de broer van [C] , [D] , werd verdacht van georganiseerde internationale drugshandel (en daarvoor op 5 juni 2024 is veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf).
3.4
Bij dat onderzoek heeft de bank geen bewijs gevonden voor betrokkenheid van anderen in het klantcomplex bij de drugshandel van [D] . De bank heeft wel geconcludeerd dat sprake is van een netwerk van vennootschappen en natuurlijke personen, dat voornamelijk met elkaar, binnen een gesloten circuit, zaken doet. Bovendien maakt de manier waarop zij dat doen het moeilijk voor de bank om de onderlinge geldstromen in beeld te krijgen. De bank heeft uiteindelijk de bankrelatie opgezegd met een aantal klanten partijen in het klantcomplex, waaronder dus ook die met [eiser sub 1] c.s..
3.5
Naar aanleiding van die opzeggingen zijn er elf kortgedingprocedures bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. In het kort geding van [onderneming 2] is de bank op 19 juni 2026 veroordeeld om de bankrelatie voort te zetten en de CAAML-registratie te beëindigen. In twee andere kort gedingen, waaronder het kort geding van [onderneming 1] tegen de bank, zijn de vorderingen echter afgewezen.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt een spoedeisend belang heeft. [eiser sub 1] c.s. heeft voldoende aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De beëindiging en de registratie heeft niet alleen tot gevolg dat zij geen gebruik meer zal kunnen maken van haar bankrekeningen, maar ook dat het voor haar moeilijker wordt om in de toekomst van bank te wisselen. Als de bank – zoals [eiser sub 1] c.s. stelt – onvoldoende gronden had voor die beëindiging en de registratie, kan van haar niet worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Toetsingskader
4.2
In een kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat het gerechtvaardigd is om deze nu al, vooruitlopend op die beslissing van de bodemrechter, bij wijze van voorlopige voorziening toe te wijzen.
4.3
De kernvraag in deze zaak is dus of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de bank de bankrelatie met [eiser sub 1] c.s. niet had mogen beëindigen, en dus de bankrelatie moet voortzetten. Daar geldt het volgende toetsingskader.
4.4
Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt of misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun klanten. Het klantonderzoek houdt onder meer in dat de bank een voortdurende controle moet uitoefenen op de zakelijke relatie en op de transacties die tijdens de duur van de relatie worden verricht. De bank moet zich ervan verzekeren dat die transacties overeenkomen met de kennis die zij heeft van de klant en diens risicoprofiel. Een klantonderzoek moet intensiever zijn naarmate de risicofactoren hoger zijn. In bepaalde branches zijn die risicofactoren hoger dan in andere.
4.5
Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn bij het doen van het onderzoek afhankelijk van informatie die de bank heeft, informatie uit openbare bronnen en met name informatie van de klant zelf. De klant is daarom op grond van artikel 2, 3 en 7 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de manier waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt.
4.6
Als een bank concludeert dat een klantonderzoek niet met een positief gevolg kan worden afgerond, dan moet de bank de relatie met die klant beëindigen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij witwassen of andere criminele activiteiten.
4.7
Een bank kan om meerdere redenen tot de conclusie komen dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden. Dat kan het geval zijn als de klant geen antwoord geeft op vragen, als de klant vragen slechts gedeeltelijke of gebrekkig beantwoordt of onvoldoende stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen. De bank kan ook tot die conclusie komen als de klant wel duidelijke antwoorden geeft en stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen, maar de antwoorden ofwel de bank niet overtuigen, ofwel bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen.
4.8
De bank moet bij de uitvoering van het klantonderzoek zorgvuldig handelen. Dat volgt onder andere uit de in artikel 2 ABV opgenomen verplichting zorgvuldig te zijn in de dienstverlening. De bank moet, bijvoorbeeld, de klant voldoende tijd geven vragen te beantwoorden, moet enige ruimte laten bestaan voor misverstanden, in het bijzonder als de klant een kleine ondernemer is en/of de Nederlandse taal minder goed machtig is, en moet de antwoorden en de stukken die de klant ter onderbouwing daarvan aanlevert goed bestuderen. Bij het trekken van de conclusie dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden moet de bank temeer zorgvuldig handelen. Als de bank de relatie wil beëindigen omdat de antwoorden bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen, moet de bank de klant in het voortraject, bij het stellen van de vragen, een reële kans hebben geboden zich over de feiten die bij de bank zorgen opleveren uit te laten. En de bank moet de opzegging deugdelijk motiveren. Naarmate de klant uitvoeriger antwoorden geeft op vragen die gaan over door de bank genoemde zorgen of risico’s, zal de opzegging uitvoeriger gemotiveerd moeten zijn.
4.9
Als een bank een relatie met een klant opzegt omdat het klantenonderzoek niet of niet met een positief resultaat kan worden afgerond en de klant betwist dat de bank die conclusie heeft mogen trekken, moet de rechter onderzoeken of de bank juist en zorgvuldig heeft gehandeld. Het ligt dan op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat zij een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en daaruit onvoldoende informatie heeft verkregen om het klantenonderzoek (positief) te kunnen afronden. Het toetsmoment daarbij is het moment van de opzegging (toetsing ‘ex tunc’).
4.10
Als de conclusie is dat de bank na een zorgvuldig onderzoek terecht heeft geconcludeerd het klantonderzoek niet behoorlijk positief te kunnen afsluiten, zal de rechter de bank in het gelijk stellen. Vragen zoals of de klant elders nog een bankrekening heeft of niet, of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en of de zorgplicht van de bank niet aan de opzegging in de weg staat, komen niet aan de orde. De opzegging vloeit immers voort uit een wettelijke plicht (artikel 5 lid 3 Wwft), ook al is de contractuele grondslag van de opzegging gebaseerd op artikel 35 ABV. Een belangenafweging is daarom niet aan de orde. De zorgplicht van de bank en het belang van de klant bij het hebben van een bankrekening komen al aan bod bij de manier (zorgvuldig) waarop de bank het klantenonderzoek moet verrichten. Een bank die een opzegging baseert op artikel 5 lid 3 Wwft kan zich ten slotte niet met succes subsidiair beroepen op haar algemene opzeggingsbevoegdheid en haar contractsvrijheid. Daar is het de bank in zo’n artikel 5 lid 3 Wwft-zaak immers helemaal niet om te doen.
Het toetsmoment is 2 februari 2026
4.11
De opzeggingen waar het in deze zaak om gaat, zijn de beëindigingsbrieven van 2 februari 2026. De eerdere brief van 22 september 2025 is expliciet ingetrokken. De voorzieningenrechter volgt de bank niet in haar standpunt dat de brief van 2 februari 2026 moet worden gezien als slechts een nadere toelichting op de brief van 22 september 2025. Voor zover [eiser sub 1] c.s. het standpunt inneemt dat met de intrekking van de opzeggingsbrief van 22 september 2025 ook de aanvullende brief van 2 februari 2026 is komen te vervallen, en er dan geen opzegging meer is, gaat de rechter daar dus ook aan voorbij. De bank heeft de bankrelatie meerdere keren opgezegd en vervolgens naar aanleiding van bezwaren van [eiser sub 1] c.s. een nieuwe beslissing genomen over beëindiging van de bankrelatie. De brief van 2 februari 2026 is simpelweg de meest recente beslissing en is daarom de beslissing waar in dit kort geding van uitgegaan moet worden.
4.12
De ex-tunc toetsing betekent voor deze zaak dus dat de bank aannemelijk moet maken dat zij op het moment van de opzeggingsbrief van 2 februari 2026 kon concluderen dat zij het klantenonderzoek niet positief kon afronden en dus niet kon voldoen aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 3 Wwft.
De verwijten in de brieven van 2 februari 2026
4.13
In de brieven van 2 februari 2026 deelt de bank mee dat ze de bankrelatie met [eiser sub 1] c.s. opzegt omdat:
“… de aangeleverde informatie en documentatie onvoldoende is gebleken om het klantenonderzoek positief te kunnen afronden, doordat de geconstateerde integriteitsrisico’s niet zijn wegenomen.”
4.14
De bank noemt in de brief vervolgens de drie verwijten die zij ten grondslag heeft gelegd aan de opzegging van de bankrelatie met [onderneming 1] .
Het eerste verwijt is kort gezegd dat [onderneming 1] hypothecaire geldleningen heeft verstrekt aan [D] en zijn toenmalige echtgenote en dat [onderneming 1] , ondanks steeds duidelijker aanwijzingen dat [D] betrokken was bij grootschalige drugshandel, nooit serieus onderzoek heeft willen doen naar de herkomst van de middelen waarmee de rente en aflossingen op die lening werden betaald en dat zij hierover ook niet verder heeft willen verklaren.
Het tweede verwijt dat de bank [onderneming 1] maakt, is dat zij hypothecair krediet aan consumenten heeft verstrekt zonder de noodzakelijke vergunning of ontheffing.
- Het derde verwijt is dat [onderneming 1] transacties verricht met diverse tegenpartijen in het klantnetwerk bij wie ook integriteitsrisico’s zijn geconstateerd en waarmee de bankrelatie is beëindigd, en dat de bank twijfels heeft over de (legitieme) herkomst van de gelden die over de zakelijke rekening gaan.
4.15
In het kort geding van [onderneming 1] tegen de bank heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat voorshands voldoende aannemelijk is dat het eerste en het tweede verwijt aan het adres van [onderneming 1] terecht zijn en voldoende ernstig om de bankrelatie met [onderneming 1] te beëindigen en haar in het CAAML-register op te nemen.
4.16
De bank heeft vervolgens in de brieven van 2 februari 2026 aangegeven dat zij de bankrelatie niet alleen vanwege die verwijten beëindigt, maar ook de bank ook het klantenonderzoek naar [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zelf niet positief heeft kunnen afronden:
“Uit het klantenonderzoek is gebleken dat uw cliënt, in privé, enkel gezamenlijke producten en diensten afneemt. Uw cliënt is ook met diens comparant gezamenlijk verantwoordelijk voor de activiteiten op deze rekening. In dat kader heeft de bank uw cliënt meermaals om informatie en documentatie verzocht om het rekeninggebruik te onderbouwen en de risico’s, ten aanzien van de herkomst en/of bestemming van de financiële middelen, weg te nemen. Uit de transacties op de gezamenlijke rekening is gebleken dat er aflossingen worden gedaan op hypothecair krediet dat is verstrekt aan zakelijke relaties van de onderneming Tijdens het onderzoek naar de onderneming, zoals hierboven uiteengezet, is gebleken dat er twijfels bestaan omtrent de (legitieme) herkomst van de gelden die voortvloeien uit de bedrijfsactiviteiten. Des te meer omdat de onderneming heeft aangegeven geen separaat onderzoek te verrichten naar de herkomst van de gelden waarmee de leningen worden afgelost. Derhalve stralen de risico’s ook uit naar het transactieverkeer op de gezamenlijke rekening en valt dit uw cliënt in privé ook aan te rekenen. Op dit moment zijn de integriteitsrisico’s onbeheersbaar voor de bank en valt er niet uit te sluiten dat de herkomst van de gelden die over de zakelijke rekening van de onderneming en over de gezamenlijke rekening van uw cliënt gaan een mogelijke illegitieme herkomst hebben. Nu uw cliënt enkel gezamenlijke producten afneemt, heeft de bank besloten om met uw cliënt de bancaire relatie op te zeggen.”
4.17
De bank verwijt [eiser sub 1] (“uw cliënt”) en [eiseres sub 2] (“diens comparant”) hier dus onder meer:
dat zij zakelijke betalingen hebben laten lopen over de (particuliere en/of) rekeningen die zij bij de bank aanhouden (zoals aflossingen van hypothecaire kredieten die aan zakelijke relaties van [onderneming 1] (“de onderneming”) zijn verstrekt);
dat veel van de gelden die anderszins over die rekeningen gaan [onderneming 1] afkomstig zijn en [onderneming 1] onvoldoende inzicht heeft gegeven in de herkomst.
Conclusie: de verwijten rechtvaardigen de beëindiging bankrelatie
4.18
Deze verwijten zijn terecht. [eiser sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat het enkele feit dat de bank de bankrelatie met een vennootschap mag beëindigen, nog niet betekent dat zij ook de bankrelatie met de bestuurder en/of aandeelhouder van die vennootschap mag beëindigen. Dat laat echter onverlet dat de bank de bovengenoemde verwijten aan het adres van [onderneming 1] wel mag meewegen bij de beoordeling of zij de bankrelatie met [eiser sub 1] c.s. moet beëindigen op grond van het derde lid van artikel 5 Wwft. Dat geldt te meer omdat [eiser sub 1] niet alleen de enige bestuurder en uiteindelijk belanghebbende van [onderneming 1] is, maar ook degene die steeds namens [onderneming 1] met de bank heeft gecorrespondeerd en die feitelijk ging over de hypothecaire geldlening aan [D] en de aan consumenten verstrekte kredieten. Ten aanzien van [eiseres sub 2] heeft de bank – terecht – aangevoerd dat ook zij verantwoordelijkheid draagt voor de activiteiten op de gezamenlijke rekeningen. Daarnaast wijst zij erop dat zij geen andere rekeningen bij de bank aanhoudt dan de en/of rekeningen met [eiser sub 1] en dat als de bankrelatie met [eiseres sub 2] blijft bestaan, [eiser sub 1] de beëindiging van de bankrelatie eenvoudig kan omzeilen.
4.19
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze verwijten voldoende ernstig zijn om beëindiging van de bankrelatie met [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] te rechtvaardigen.
4.20
De slotsom is dan ook dat de bank haar klantonderzoek naar [eiser sub 1] c.s. voldoende zorgvuldigheid heeft betracht en dat zij op basis van dat onderzoek mocht concluderen dat ze het klantonderzoek niet positief kan afronden, doordat de geconstateerde integriteitsrisico’s niet zijn weggenomen. De voorzieningenrechter eraan te vermelden dat dit niet betekent dat er aanwijzingen zijn dat [eiser sub 1] c.s. opzettelijk heeft meegewerkt aan witwassen of andere criminele handelingen. Het betekent wel dat de bank op grond van artikel 5 Wwft verplicht is om de bankrelatie te beëindigen. De vordering tot herstel dan wel voortzetting van die relatie wordt daarom afgewezen.
De bank hoeft de CAAML-registratie van [eiser sub 1] c.s. niet te verwijderen
4.21
[eiser sub 1] c.s. vordert dat de bank haar gegevens van de CAAML-lijst verwijdert. De bank stelt dat zij er recht en belang bij heeft om de gegevens van [eiser sub 1] c.s. in die lijst op te nemen. Dit is een interne lijst die alleen zichtbaar is voor de bank (en de met haar verbonden rechtspersonen). Volgens de bank is de CAAML-registratie nodig om te voorkomen dat [eiser sub 1] c.s. in de toekomst per abuis wordt toegelaten als klant van de bank, omdat bij betreffende afdeling niet bekend is dat de bank haar bankrelatie juist kort geleden heeft beëindigd. Gelet op dat doel en het interne karakter van de registratie is de voorzieningenrechter van oordeel dat als de redenen van de bank voldoende zijn om de bankrelatie met [eiser sub 1] c.s. te beëindigen op grond van het derde lid van artikel 5 Wwft, die redenen ook voldoende zijn om haar in het CAAML te registreren. De vordering om de CAAML-registratie van [eiser sub 1] c.s. te verwijderen, wordt dan afgewezen.
[eiser sub 1] c.s. krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen aan de bank
4.22
[eiser sub 1] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bank worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.23
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
wijst de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. af,
5.2
veroordeelt [eiser sub 1] c.s. in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
veroordeelt [eiser sub 1] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op
6 juli 2026.
JO/4972
Zaaknummer C/16/609601 / KG ZA 26-182 (niet gevoegd).
Rechtbank Overijssel 5 juni 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2957.
Art. 3 lid 2 onder d Wwft
ECLI:NL:GHARL:2025:3542, rov. 3.7
Zie 4.9.
Artikel 2:60 Wet financieel toezicht.