Een bank hoeft een hypotheek niet onbeperkt voort te zetten wanneer eerder is geoordeeld dat zij vanwege Wwft-risico's de overige bankrelaties met de klant moet beëindigen. Dat de klant zijn hypotheektermijnen gewoon betaalt, maakt dat niet anders. De rechtbank Amsterdam geeft hem wel zes maanden om zijn woning zelf te verkopen voordat ING tot executieverkoop mag overgaan.

De zaak draait om een ondernemer die privé en zakelijk bij ING bankierde. Na een KYC-onderzoek concludeerde de bank dat zij onvoldoende zicht had op het gebruik van de zakelijke rekeningen. ING vermoedde bovendien betrokkenheid bij een zogenoemd cashcompensatiemodel, een constructie die kan worden gebruikt voor witwassen.
Daarom beëindigde ING de bancaire relaties met de ondernemer en zijn ondernemingen. In een eerder kort geding oordeelde de voorzieningenrechter dat ING terecht een onaanvaardbaar risico op betrokkenheid bij witwassen had gesignaleerd. Omdat de bank onvoldoende informatie kreeg om die risico's weg te nemen, kon zij niet aan haar verplichtingen uit de Wwft voldoen.
Voor de hypotheek maakte de rechter destijds een uitzondering. De ondernemer had kort daarvoor een woning gekocht en een hypotheekofferte van ING geaccepteerd. Wanneer ING die financiering niet zou uitvoeren, dreigde hij de koopprijs niet te kunnen betalen en een aanzienlijke boete te moeten betalen.
ING moest daarom voorlopig uitvoering geven aan de hypotheek. Later zegde de bank ook deze relatie op. Volgens ING waren de eerder vastgestelde integriteitsrisico's nog steeds relevant, omdat de ondernemer zijn inkomen uit zijn onderneming haalde en daarmee uiteindelijk ook zijn hypotheek betaalde.
De ondernemer vond dat ING de hypotheek moest blijven voortzetten zolang hij zijn betalingsverplichtingen nakwam.
De rechtbank gaat daar niet in mee. De eerdere beslissing om de hypotheek wel uit te voeren was volgens de rechter nadrukkelijk een voorlopige voorziening. Daarmee moest worden voorkomen dat de koop van de woning op het laatste moment zou mislukken.
Dat betekende niet dat ING de hypotheek daarna voor onbepaalde tijd moest blijven aanbieden. Uit het eerdere oordeel dat de bank de overige relaties op grond van de Wwft mocht beëindigen, volgt volgens de rechtbank juist dat van de klant mocht worden verwacht dat hij uiteindelijk volledig bij ING zou vertrekken.
Dat herfinanciering bij een andere bank niet is gelukt, verandert dit niet. De ondernemer stelde dat een FEC-registratie daarbij in de weg stond, maar volgens de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat ING verantwoordelijk is voor het mislukken van de herfinanciering.
Toch mag ING niet onmiddellijk tot executieverkoop overgaan. De rechtbank weegt mee dat een gedwongen verkoop waarschijnlijk aanzienlijk minder oplevert dan een onderhandse verkoop. De ondernemer krijgt daarom zes maanden om zijn woning zelf te verkopen, zolang hij in die periode zijn hypotheekverplichtingen blijft nakomen.
Daarna mag ING het executietraject hervatten wanneer de woning nog niet is verkocht.
De uitspraak laat daarmee zien dat de gevolgen van een Wwft-onderzoek niet beperkt hoeven te blijven tot een betaalrekening. Wanneer integriteitsrisico's voldoende samenhangen met andere producten binnen dezelfde klantrelatie, kan uiteindelijk ook beëindiging daarvan aan de orde komen. Tegelijk blijft de zorgplicht van de bank relevant voor de manier en termijn waarop zo'n beëindiging wordt uitgevoerd.