Op 13 maart 2026 wees de Hoge Raad een belangrijk arrest over de reikwijdte van artikel 54 Fw. Zodra een bank weet of behoort te weten dat het faillissement van haar rekeninghouder te verwachten is, mag zij binnenkomende betalingen niet meer verrekenen met eigen vorderingen op de rekeninghouder. Dat geldt ook als die bedragen daarna direct worden gebruikt voor uitgaande betalingen vanaf dezelfde rekening.

Artikel 54 lid 1 Fw beperkt de mogelijkheid tot verrekening wanneer iemand vóór faillietverklaring een schuld aan of een vordering op de schuldenaar van een derde heeft overgenomen, terwijl hij daarbij niet te goeder trouw was. Van goede trouw is geen sprake als degene die wil verrekenen wist of behoorde te weten dat de schuldenaar in een zodanige toestand verkeerde dat diens faillissement was te verwachten. Dat moment wordt doorgaans aangeduid als het peilmoment.
Na het peilmoment verrichtte de rekeninghouder vanaf haar bankrekening betalingen aan derden, terwijl de rekening een negatief saldo had. Die betalingen konden toch worden uitgevoerd doordat na ontvangst van een NOW-uitkering kredietruimte was ontstaan. Kort daarna volgde het faillissement. De curator verzocht de bank vervolgens de NOW-uitkering over te boeken naar de faillissementsrekening. De bank weigerde dat, omdat het bedrag volgens haar al was verrekend met de uitgevoerde betalingen.
De vraag was of artikel 54 Fw ook geldt wanneer na het peilmoment bedragen binnenkomen en de daardoor ontstane kredietruimte direct daarna wordt gebruikt voor uitgaande betalingen.
Wanneer een debiteur van de schuldenaar betaalt op diens bankrekening, wordt de bank door creditering schuldenaar van de rekeninghouder. De rekeninghouder heeft dan geen vordering meer op de betaler, maar op de bank. Staat de rekening in het rood, dan kan de bank een binnengekomen betaling in beginsel verrekenen met haar eigen vordering op de rekeninghouder.[1]
Dat is anders als de bank op dat moment wist of behoorde te weten dat het faillissement te verwachten was. In dat geval verzet artikel 54 Fw zich tegen verrekening.
Het hof oordeelde dat artikel 54 lid 1 Fw niet in de weg stond aan verrekening van de schuld die voor de bank ontstaat door creditering van een binnenkomende betaling na het peilmoment, met de vordering die de bank daarna verkrijgt doordat zij nog betalingsopdrachten uitvoert.
De Hoge Raad verwerpt die benadering. Na het peilmoment mag de bank binnengekomen betalingen niet meer verrekenen. Daarop bestaat geen uitzondering voor het geval die bedragen direct daarna worden gebruikt voor uitgaande betalingen. Dat zij feitelijk voor betalingsopdrachten zijn aangewend, maakt verrekening dus niet alsnog toelaatbaar.
Vanuit economisch perspectief is het oordeel van het hof wel te begrijpen. Het hof lijkt gewicht toe te kennen aan het feit dat de binnengekomen bedragen direct weer werden gebruikt voor uitgaande betalingen. Vanuit die gedachte zou geen strijd ontstaan met het beginsel van gelijkheid van schuldeisers, terwijl banken bij een andersluidend oordeel nadeel zouden ondervinden van hun centrale positie in het betalingsverkeer.
Juridisch houdt die benadering echter geen stand. Zij aanvaardt een uitzondering op artikel 54 Fw die in de wet geen steun vindt. Ook valt niet in te zien waarom de latere aanwending van de kredietruimte bepalend zou zijn voor de vraag óf verrekening was toegestaan. De Hoge Raad trekt met dit arrest daarom een harde, maar juridisch zuivere grens.
Voor curatoren bevestigt dit arrest dat binnengekomen betalingen ook dan aan de boedel kunnen toekomen als die bedragen kort daarna zijn gebruikt voor uitgaande betalingen. Voor banken benadrukt het arrest dat zij vanaf het peilmoment grote terughoudendheid moeten betrachten bij het verwerken van betalingsverkeer op rekeningen met een negatief saldo. Waakzaamheid is dan ook geboden.
[1] Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad vormt creditering een schuldovername door de bank (HR Loeffen qq / MHB).