Een bank kan een klantrelatie niet beëindigen door alleen te wijzen op integriteitsrisico's die uit een Wwft-onderzoek naar voren komen. De bank moet zorgvuldig onderzoeken of die risico's daadwerkelijk onvoldoende kunnen worden weggenomen en duidelijk motiveren waarom de antwoorden van de klant niet volstaan. Dat oordeelt de rechtbank Midden-Nederland in een kort geding tegen ABN AMRO. De bank moet de rekening van de klant herstellen en diens registratie in het interne antiwitwasregister beëindigen.

De zaak draait om een klant die onder meer handelt in vastgoed en leningen verstrekt voor de aankoop daarvan. ABN AMRO deed sinds 2023 onderzoek naar een groter netwerk van personen en ondernemingen waarmee de klant financiële banden had. De bank zag onder meer risico's rond de herkomst van geld, onderlinge transacties en de manier waarop vastgoed werd gekocht en verkocht.
Uiteindelijk concludeerde de bank dat zij het cliëntenonderzoek niet met een positief resultaat kon afronden. Op grond van artikel 5 lid 3 Wwft beëindigde zij daarom de bankrelatie. Ook nam zij de klant op in haar interne Client Acceptance and Anti-Money Laundering List (CAAML).
De rechtbank stelt voorop dat banken een belangrijke rol hebben bij het voorkomen van financieel economische criminaliteit. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet met een positief resultaat kan afronden, schrijft de Wwft voor dat zij de relatie beëindigt. Daarvoor is niet vereist dat daadwerkelijk bewijs bestaat dat een klant betrokken is bij witwassen of andere criminaliteit.
Maar die bevoegdheid betekent niet dat een bank zonder meer op integriteitsrisico's kan wijzen. De bank moet zorgvuldig onderzoek doen en de klant een reële mogelijkheid bieden om vragen en zorgen weg te nemen. Wanneer een klant uitvoerig antwoord geeft en onderliggende stukken verstrekt, moet de bank ook duidelijker motiveren waarom die informatie onvoldoende is.
Als de klant de beëindiging vervolgens bij de rechter aanvecht, ligt het volgens de rechtbank op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat zorgvuldig onderzoek is verricht en dat daaruit onvoldoende informatie naar voren kwam om het cliëntenonderzoek positief af te ronden.
ABN AMRO slaagde daar in deze zaak niet in. De bank wees onder meer op geld dat de klant van zijn vader had geleend. Bij die vader had de bank eveneens integriteitsrisico's vastgesteld. Dat risico zou volgens de bank uitstralen naar de klant.
De rechtbank vindt dat onvoldoende, mede omdat in een parallelle procedure was geoordeeld dat ook de bankrelatie met de vader ten onrechte was beëindigd.
Ook twee vastgoedtransacties overtuigen de rechter niet. Bij een snelle doorverkoop van vastgoed was juist geen sprake van een opvallend hoge winst en de klant had stukken over de transactie verstrekt. Voor een andere transactie, waarbij geruime tijd tussen een aanbetaling en de uiteindelijke levering zat, had de klant volgens de rechtbank een plausibele verklaring gegeven.
De rechtbank concludeert daarom dat ABN AMRO ten onrechte heeft aangenomen dat het cliëntenonderzoek niet positief kon worden afgerond. De bank moet de bankrelatie herstellen.
Ook de interne CAAML-registratie kan niet in stand blijven. Als de aangevoerde risico's onvoldoende zijn om de klantrelatie te beëindigen, zijn zij volgens de rechtbank ook onvoldoende om de klant op deze interne lijst te registreren.
De uitspraak maakt daarmee duidelijk dat de Wwft banken ruimte geeft om op risico's te handelen, maar ook eisen stelt aan de onderbouwing daarvan. Integriteitsrisico's moeten concreet worden onderzocht en de informatie die een klant verstrekt moet aantoonbaar worden meegewogen voordat beëindiging van de bankrelatie aan de orde is.