Als je in het bestuur van een stichting zit, kun je niet simpelweg de andere kant op kijken wanneer geld uit de organisatie verdwijnt. Het gerechtshof in Den Bosch heeft geoordeeld dat een vader en zoon persoonlijk moeten opdraaien voor de bijna € 198.000 die van een stichtingrekening verdween. De rechtbank verlaagde de schadeclaim eerder nog, maar het hof draait die beslissing terug. De vader krijgt daarnaast nog een persoonlijke terugbetalingsverplichting van ruim € 157.000 opgelegd.

De zaak draait om een stichting die in 2002 werd opgericht om gelden te beheren die verband hielden met het vermogen van een vermogende landgoedeigenaar. Na diens overlijden bleef de stichting gelden beheren die uiteindelijk ten goede moesten komen aan de erfgenamen. De vader en zoon waren respectievelijk voorzitter en penningmeester van het bestuur.
De problemen kwamen aan het licht nadat de stichting in 2011 was ontbonden. Uit onderzoek bleek dat tussen 2002 en 2008 in totaal bijna € 198.000 van de rekening van de stichting was verdwenen. Volgens vader en zoon waren deze onttrekkingen het werk van een derde bestuurder. Die bestuurder overleed later zonder het geld terug te betalen.
Omdat de stichting inmiddels was ontbonden, werd de vereffening later op verzoek van de erfgenamen heropend. Vervolgens werd een vereffenaar benoemd om de financiële afwikkeling van de stichting alsnog af te ronden. Die stelde de twee overgebleven oud-bestuurders aansprakelijk voor het verdwenen geld.
De rechtbank had eerder nog geoordeeld dat volledige aansprakelijkheid te zwaar zou uitpakken en beperkte de schadevergoeding tot € 120.000. Het gerechtshof komt nu tot een ander oordeel: vader en zoon moeten het volledige bedrag van € 197.935 terugbetalen.
Opvallend is dat het hof in het midden laat wie precies verantwoordelijk was voor de onttrekkingen. Zelfs als alleen de derde bestuurder het geld heeft opgenomen, blijven de andere bestuurders aansprakelijk. Volgens het hof hebben zij ernstig gefaald door toe te laten dat de onttrekkingen konden plaatsvinden en door vervolgens niet tijdig maatregelen te nemen om het geld terug te halen.
Het hof benadrukt dat het zorgvuldig beheren van de gelden juist de kernactiviteit van deze stichting vormde. Van bestuurders mocht daarom worden verwacht dat zij actief toezicht hielden op de financiële gang van zaken en zorgden voor een deugdelijke administratie.
De zoon voerde aan dat hij feitelijk nooit bestuurder was geweest en nauwelijks betrokken was bij de stichting. Volgens hem wist hij niet eens dat hij officieel bestuurder was.
Het hof ging daar niet in mee. Zijn naam stond in de oprichtingsakte, hij was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als bestuurder en had bovendien documenten ondertekend rondom de ontbinding van de stichting. Daarmee kon hij zich niet onttrekken aan de verantwoordelijkheden die bij het bestuurderschap horen.
Beide bestuurders vroegen het hof om de schadevergoeding alsnog te verlagen. Zij stelden dat volledige betaling tot ernstige financiële problemen zou leiden.
Het hof wees dat verzoek af. De bestuurders hadden onvoldoende inzicht gegeven in hun financiële situatie en konden hun beroep op financiële nood niet onderbouwen. Daarnaast woog het hof mee dat sprake was van ernstig verwijtbaar bestuur. Juist in zulke gevallen is volgens de rechtspraak slechts in uitzonderlijke situaties ruimte voor matiging van de schadevergoeding.
Naast het terugdraaien van de eerdere verlaging corrigeert het hof ook de ingangsdatum van de wettelijke rente.
De rechtbank had bepaald dat de rente pas vanaf 2019 verschuldigd was. Het hof oordeelt echter dat de wettelijke rente al vanaf november 2011 moet worden berekend, het moment waarop de stichting werd ontbonden. Volgens het hof kan het lange tijdsverloop niet aan de vereffenaar worden verweten. Dat betekent dat de rente inmiddels een aanzienlijk bedrag vertegenwoordigt.
Voor de vader heeft de uitspraak nog grotere gevolgen.
De vereffenaar kon aantonen dat vanuit de stichting meerdere betalingen aan hem waren gedaan, voor een totaalbedrag van ruim € 157.000. De vader stelde dat daar werkzaamheden en kosten tegenover stonden, maar kon daarvoor geen voldoende onderbouwing geven.
Omdat er geen duidelijke rechtsgrond voor de betalingen kon worden vastgesteld, oordeelde het hof dat sprake was van onverschuldigde betaling. Het volledige bedrag moet daarom worden terugbetaald, vermeerderd met rente.
Het arrest laat zien dat bestuurders zich niet kunnen verschuilen achter een taakverdeling binnen het bestuur. Ook wanneer financiële taken aan één bestuurder zijn overgelaten, blijft iedere bestuurder verantwoordelijk voor de algemene gang van zaken binnen de organisatie.
Vooral bij stichtingen die gelden van derden beheren, verwacht de rechter dat bestuurders actief toezicht houden op financiële stromen, zorgen voor adequate interne controle en ingrijpen zodra onregelmatigheden aan het licht komen. Het ontbreken van die controle kan leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid, zelfs jaren nadat een stichting is ontbonden.
De eerdere verlaging van de schadevergoeding is definitief van tafel. Vader en zoon moeten gezamenlijk € 197.935 terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf november 2011. De vader moet daarnaast persoonlijk nog ruim € 157.000 terugbetalen wegens onverschuldigde betalingen. Ook draaien beiden op voor de proceskosten van het hoger beroep.
Het arrest laat nogmaals zien dat bestuursschap meer is dan een formele titel: wie bestuurder is, draagt ook daadwerkelijk verantwoordelijkheid voor toezicht, controle en de bescherming van het vermogen dat aan de organisatie is toevertrouwd.