De Autoriteit Persoonsgegevens kan toezichtsinformatie niet zonder meer buiten de openbaarheid houden met een beroep op de geheimhoudingsplicht uit de AVG. Dat oordeelt de Rechtbank Amsterdam in een zaak over een Woo-verzoek naar aanleiding van een datalek bij de GGD. De AP moet bovendien veel preciezer motiveren welke informatie zij niet openbaar maakt en waarom.

De zaak draait om een Woo-verzoek uit 2022 om informatie die bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) berust over een datalek bij verschillende IT-systemen van de GGD. Het verzoek had onder meer betrekking op de melding van het datalek en het daaropvolgende onderzoek door de AP.
De AP wees het verzoek volledig af. Volgens de toezichthouder ging het om zeer gevoelige toezichtsinformatie. Daarbij stelde de AP onder meer dat artikel 54 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), waarin een beroepsgeheim voor medewerkers van toezichthoudende autoriteiten is opgenomen, eraan in de weg stond dat de informatie via de Wet open overheid (Woo) openbaar zou worden.
De rechtbank volgt die redenering niet. Artikel 54 AVG gaat volgens de rechtbank over het beroepsgeheim van medewerkers van een toezichthouder. Uit de bepaling volgt niet dat documenten die bij de AP berusten als zodanig geheim moeten blijven of dat de openbaarmakingsregels uit de Woo niet gelden.
Dat betekent dat de AP aan de hand van de Woo moet beoordelen welke documenten of passages wel en niet openbaar kunnen worden gemaakt.
Ook de manier waarop de AP inzicht gaf in de gevonden documenten schiet volgens de rechtbank tekort. De AP verstrekte in de beroepsprocedure een geschoonde inventarislijst met 146 documentnummers, maar zonder namen of omschrijvingen van de documenten. Daardoor kon de verzoeker onvoldoende beoordelen welke stukken waren gevonden en of de zoekslag volledig was.
Een bestuursorgaan hoeft niet per definitie een inventarislijst te gebruiken, maar moet volgens de rechtbank wel inzichtelijk maken welke documenten zijn aangetroffen. Dat kan bijvoorbeeld door per document in algemene bewoordingen het soort document te omschrijven.
De rechtbank plaatst daarnaast vraagtekens bij de volledigheid van de zoekslag. Hoewel de AP voldoende had uitgelegd hoe verschillende digitale dossiers en mappen waren doorzocht, ontbrak een verklaring voor het ontbreken van grote hoeveelheden logbestanden die mogelijk bij de AP zouden moeten berusten.
De AP moet daarom alsnog naar deze bestanden zoeken, ook op eventuele andere opslaglocaties, of beter motiveren waarom zij niet bij de toezichthouder berusten.
Ook een generieke weigering om alle documenten openbaar te maken houdt geen stand. Volgens vaste rechtspraak moet een bestuursorgaan in beginsel per zelfstandig onderdeel van een document, zoals een alinea, aangeven welke uitzonderingsgrond uit de Woo van toepassing is.
Dat is extra belangrijk wanneer verschillende uitzonderingsgronden naast elkaar worden gebruikt. Sommige Woo-gronden zijn absoluut, terwijl andere een belangenafweging vereisen. Zonder duidelijk te maken welke grond voor welke passage geldt, kan de rechter niet controleren of informatie terecht geheim wordt gehouden.
De rechtbank zag bij haar eigen beoordeling bovendien passages waarvoor mogelijk helemaal geen weigeringsgrond geldt.
Het beroep is daarom gegrond. Het besluit van de AP wordt vernietigd en de toezichthouder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen. Daarmee onderstreept de uitspraak dat ook een onafhankelijke toezichthouder bij gevoelige toezichtsinformatie concreet en controleerbaar moet motiveren waarom openbaarheid moet wijken.
Deze tweedaagse basiscursus leert professionals in de publieke sector compliance- en integriteitsrisico’s herkennen en vertalen naar effectief beleid, toezicht, governance en dagelijks gedrag.