Een Nederlandse logistieke onderneming heeft tevergeefs geprobeerd via een kort geding af te dwingen dat Rabobank haar bankrelatie herstelt. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de bank de relatie rechtsgeldig mocht beëindigen op grond van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) en de Wwft, omdat het bedrijf via tussenpersonen indirect zaken bleef doen met Russische partijen.

Het Haagse bedrijf bankierde sinds 2014 bij Rabobank. Na de Russische invasie van Oekraïne verscherpte Rabobank haar beleid. Per januari 2024 verbood het aangescherpte sanctiebeleid ook transacties waarbij goederen van, naar of via Rusland worden vervoerd, ongeacht of de goederen zelf op een sanctielijst staan.
Rabobank ontdekte dat de onderneming via een Bulgaarse entiteit goederen naar Rusland exporteerde. Hoewel de onderneming stelde dat zij zich aan het beleid zou houden, bleek uit onderzoek dat zij nieuwe relaties aanging met partijen in Bulgarije en Estland, waarvan vast kwam te staan dat in ieder geval de Estse partij goederen naar Rusland verscheepte.
In de procedure kwam naar voren dat het aanvullende beleid van de bank twee specifieke criteria hanteert waarbij een relatie als onwenselijk wordt beschouwd:
Hoewel de bestuurder van het bedrijf de Russische nationaliteit heeft, oordeelde de rechter dat dit niet de doorslaggevende reden voor opzegging was, maar dat haar nationaliteit de "relatie met Rusland inkleurde" binnen het bredere kader van de bedrijfsactiviteiten.
De rechter toetste de opzegging aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) en de zorgplicht van de bank (art. 2 ABV). De vorderingen werden afgewezen om de volgende redenen:
De opzegging bleef in stand, evenals de registratie van het bedrijf en de bestuurder in het Interne VerwijzingsRegister (IVR) van de bank voor de duur van zes jaar.