De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding voor een onderzoek naar het beleid van Philips rond de terugroepactie van miljoenen slaapapneu- en beademingsapparaten. Aandeelhouders verweten het concernbestuur dat het te laat had ingegrepen bij kwaliteitsproblemen van een Amerikaanse dochteronderneming. Volgens de rechter is echter onvoldoende aangetoond dat de interne controlesystemen tekortschoten of dat het bestuur eerder had moeten handelen.

De zaak draait om de terugroepactie die Philips-dochter Respironics in juni 2021 aankondigde. In miljoenen slaapapneu- en beademingsapparaten was geluiddempend schuim verwerkt dat kon afbrokkelen en mogelijk schadelijke stoffen kon afgeven. De terugroepactie betrof 16,1 miljoen verkochte apparaten en kostte uiteindelijk meer dan een miljard euro.
De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) en verschillende institutionele beleggers vroegen de Ondernemingskamer om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij Koninklijke Philips. Volgens hen hadden het bestuur en de raad van commissarissen onvoldoende toezicht gehouden op Respironics, waren waarschuwingssignalen genegeerd en was het beleggend publiek onjuist geïnformeerd.
De Ondernemingskamer benadrukt dat het bestuur van een moedermaatschappij ook verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting en aansturing van het concern. Dat betekent dat interne systemen aanwezig moeten zijn waarmee risico's bij dochterondernemingen tijdig worden gesignaleerd, relevante informatie het bestuur bereikt en zo nodig kan worden ingegrepen.
Voor een onderneming die medische apparatuur produceert, gelden daarbij hoge zorgvuldigheidseisen. Gebrekkige producten kunnen immers niet alleen financiële en juridische gevolgen hebben, maar ook ernstige gezondheidsrisico's opleveren.
Toch betekent dit niet dat ieder probleem bij een dochteronderneming automatisch wijst op tekortschietend bestuur van de moedermaatschappij. De Ondernemingskamer beoordeelt in deze zaak het beleid van Koninklijke Philips, niet rechtstreeks dat van de Amerikaanse dochter Respironics.
Volgens de aandeelhouders wezen eerdere waarschuwingen van de Amerikaanse toezichthouder FDA, kwaliteitsproblemen en de omvangrijke terugroepactie op structurele tekortkomingen in het risicobeheer.
De Ondernemingskamer volgt die redenering niet. Philips beschikte over een concernbrede structuur voor risicobeheer, interne audits, kwaliteitscontrole en rapportage aan het bestuur en de raad van commissarissen. Daarbij werd onder meer gebruikgemaakt van het Three Lines Model, waarin operationeel management, ondersteunende controlefuncties en interne audit ieder een eigen verantwoordelijkheid hebben.
De aandeelhouders hebben onvoldoende concreet gemaakt op welke punten die systemen destijds niet aan de vereiste normen voldeden. Ook het feit dat Philips na de terugroepactie omvangrijke verbeteringen doorvoerde, bewijst volgens de rechter niet dat de eerdere inrichting ondeugdelijk was.
Een belangrijk geschilpunt was wanneer het concernbestuur op de hoogte had moeten zijn van mogelijke gezondheidsrisico's.
De Ondernemingskamer gaat ervan uit dat het bestuur begin maart 2021 over voldoende informatie beschikte. Hoewel er eerder klachten en onderzoeksresultaten waren, bestond volgens de rechter pas later voldoende betrouwbare informatie over mogelijke ernstige gezondheidsrisico's om verdere rapportage aan de concernleiding noodzakelijk te maken.
Daarbij waarschuwt de Ondernemingskamer voor beoordeling met kennis achteraf. Dat de terugroepactie uiteindelijk noodzakelijk werd geacht, betekent niet dat bestuurders jaren eerder dezelfde conclusie hadden moeten trekken.
Ook de verwijten over gebrekkig toezicht door commissarissen, misleidende publieke mededelingen en te late openbaarmaking van koersgevoelige informatie leveren volgens de rechter geen voldoende grond voor een onderzoek op.
De uitspraak maakt duidelijk dat een moedermaatschappij moet kunnen aantonen hoe risico's bij dochterondernemingen worden gevolgd en wanneer informatie naar het hoogste bestuursniveau wordt doorgegeven. De aanwezigheid van procedures alleen is daarbij niet voldoende: ook de praktische werking en de vastlegging van beslissingen zijn relevant.
Tegelijk laat de beslissing zien dat een grote crisis, hoge schadebedragen of ingrijpende verbetermaatregelen achteraf niet zonder meer aantonen dat het bestuur eerder heeft gefaald. Voor een enquêteonderzoek zijn concrete aanwijzingen nodig dat de concernleiding haar verantwoordelijkheid niet naar behoren heeft vervuld.
Deze tweedaagse basiscursus leert professionals in de publieke sector compliance- en integriteitsrisico’s herkennen en vertalen naar effectief beleid, toezicht, governance en dagelijks gedrag.