In een beschikking van 10 april 2026 heeft de Hoge Raad een belangrijk oordeel gegeven over de toepassing van de tegenstrijdig-belangregeling van art. 2:239 lid 6 BW. De uitspraak vloeit voort uit een enquêteprocedure rondom Getir B.V., de Nederlandse houdstermaatschappij van de bekende Turkse bezorgdienst.

Getir verkeerde eind 2024 in zwaar financieel weer. Grootaandeelhouder en kredietverstrekker Mubadala – goed voor circa 29% van de aandelen en ruim USD 450 miljoen aan verstrekte kredieten – stelde een ultimatum. De oprichters van Getir, die samen circa 21% van de aandelen houden, kwamen er niet uit met Mubadala over een eerder overeengekomen herstructureringsplan (de zogeheten Hive-Out). Begin januari 2025 besloten de uitvoerende bestuurders uiteindelijk in te stemmen met een transactie waarbij alle dochterondernemingen van Getir werden overgedragen aan Mubadala, in ruil voor kwijtschelding van de schulden en een aanvullend krediet van USD 50 miljoen.
De oprichters, die als niet-uitvoerende bestuurders zitting hadden in het bestuur, werden van de beraadslaging en besluitvorming over deze transactie uitgesloten. De uitvoerende bestuurders oordeelden dat de oprichters een tegenstrijdig belang hadden: zij hadden immers zelf ook een persoonlijk financieel belang bij de Hive-Out, en de aanvaarding van de transactie doorkruiste dat belang. De oprichters konden zich hier niet in vinden en stapten naar de Ondernemingskamer.
De kern van het cassatiemiddel was de vraag of een bestuurder zélf mag beoordelen of hij een tegenstrijdig belang heeft – en dus zelf mag beslissen of hij aan de besluitvorming deelneemt – of dat deze beoordeling aan zijn medebestuurders toekomt.
De Hoge Raad is helder: het is niet de betrokken bestuurder zelf, maar zijn medebestuurders die in geval van verschil van inzicht bepalen of sprake is van een tegenstrijdig belang. De bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang heeft wél een eigen verantwoordelijkheid om openheid te betrachten en dit belang tijdig te melden aan zijn collega's. Maar de eindbeoordeling ligt bij de overige bestuurders. Doen zij het oordeel dat een tegenstrijdig belang bestaat, dan zijn zij ook gehouden ervoor te zorgen dat de betrokken bestuurder daadwerkelijk niet aan de besluitvorming deelneemt.
De Hoge Raad benadrukt daarbij dat een tegenstrijdig belang aanwezig is wanneer een bestuurder zodanig onverenigbare belangen heeft dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich uitsluitend laat leiden door het vennootschappelijk belang.
Deze uitspraak biedt welkome duidelijkheid. In de praktijk bestond discussie over wie de knoop doorhakt bij twijfel over een tegenstrijdig belang. De Hoge Raad legt die bevoegdheid nu expliciet bij de medebestuurders. Wil een bestuurder dat oordeel aanvechten, dan staat de weg naar de rechter open – maar het initiatief daarvoor ligt bij degene die wil uitsluiten, niet bij de uitgesloten bestuurder zelf. Het cassatieberoep van de oprichters werd verworpen.