Bestuurders die door hun eigen vennootschap aansprakelijk worden gesteld voor onbehoorlijk bestuur, kunnen zich niet beroepen op de wettelijke klachtplicht. Dat volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2024, dat richtinggevend is voor de beoordeling van interne aansprakelijkheidskwesties binnen ondernemingen.

Centraal stond een conflict tussen Parkdale International B.V. en een voormalig bestuurder. Volgens de vennootschap waren tijdens zijn bestuursperiode honderdduizenden euro's betaald aan gelieerde partijen en waren bovendien onterechte kosten bij Parkdale in rekening gebracht. De onderneming hield de bestuurder daarvoor persoonlijk verantwoordelijk en vorderde schadevergoeding wegens onbehoorlijk bestuur.
Het geschil had zijn oorsprong in een mijnbouwproject waarvoor aanzienlijke bedragen via Parkdale werden beheerd. Zo waren leningen verstrekt aan gelieerde partijen die niet werden terugbetaald, en werden via een aan de bestuurder verbonden maatschap honoraria en andere kosten gefactureerd die de vennootschap betwistte.
Zowel de rechtbank als het gerechtshof oordeelden dat de bestuurder aansprakelijk was op grond van artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek, dat ziet op de interne aansprakelijkheid van bestuurders tegenover de rechtspersoon.
In cassatie draaide een belangrijk deel van de discussie om de klachtplicht uit artikel 6:89 BW. Deze bepaling houdt in dat iemand die vindt dat een ander een prestatie niet goed heeft uitgevoerd, daarover binnen een redelijke termijn moet klagen nadat het gebrek is ontdekt of redelijkerwijs had kunnen worden ontdekt. Wie dat nalaat, kan zijn aanspraken verliezen.
De voormalig bestuurder stelde dat Parkdale te laat had geklaagd over de vermeende tekortkomingen en dat de vennootschap haar aanspraken daarmee had verspeeld.
De Hoge Raad ging daar niet in mee. De verhouding tussen een bestuurder en een rechtspersoon is wezenlijk anders dan een gewone contractuele relatie. Een bestuurder is wettelijk verplicht zijn taak behoorlijk te vervullen. Schiet hij daarin ernstig tekort, dan kan hij aansprakelijk worden gehouden op grond van artikel 2:9 BW.
Het zou onlogisch zijn, zo redeneerde de Hoge Raad, als een vennootschap tijdens de bestuursperiode formeel tegen haar eigen bestuurder zou moeten protesteren om later nog een aansprakelijkheidsprocedure te kunnen voeren. Daar komt bij dat collegiale verhoudingen binnen een bestuur het moeilijk kunnen maken om direct bezwaar te maken tegen het handelen van een medebestuurder. Om die redenen is de klachtplicht niet van toepassing op interne bestuurdersaansprakelijkheid.
Met dit arrest heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de bijzondere rechtsverhouding tussen bestuurder en vennootschap voorrang heeft op de algemene regels van de klachtplicht. Voor ondernemingen betekent dit dat een aansprakelijkheidsprocedure wegens onbehoorlijk bestuur niet kan stranden op het argument dat te laat is geklaagd. Voor bestuurders maakt de uitspraak duidelijk dat zij ook na verloop van tijd kunnen worden aangesproken op beslissingen en handelingen uit hun bestuursperiode.
De uitspraak bevestigt dat de wettelijke verantwoordelijkheid van bestuurders verder reikt dan de gebruikelijke regels bij contractuele geschillen.