Een klokkenluider die wil dat het Huis voor Klokkenluiders een onderzoek instelt naar de wijze waarop hij is bejegend, kan daartegen geen bezwaar of beroep instellen bij de bestuursrechter. De weigering om zo'n onderzoek te starten is namelijk geen 'besluit' in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dat oordeelde de rechtbank op 30 januari 2026.

Een man — in de uitspraak aangeduid als 'eiser' — stelde dat hij als klokkenluider onheus, onrechtmatig en onzorgvuldig was bejegend door functionarissen, een omgevingsdienst en een gemeente. Hij vroeg het Huis voor Klokkenluiders (verweerder) om een zogenoemd bejegeningsonderzoek in te stellen. Het Huis weigerde dit: het verzoek over de omgevingsdienst was kennelijk ongegrond, en voor het overige ontbrak de bevoegdheid om het verzoek in behandeling te nemen.
Eiser maakte bezwaar tegen deze weigering. Het Huis verklaarde dat bezwaar niet-ontvankelijk, omdat aan de brief geen rechtsgevolgen zouden zijn verbonden. Eiser stapte daarop naar de rechter.
De rechtbank stelde vast dat een besluit in de zin van de Awb een schriftelijke beslissing moet zijn die gericht is op een rechtsgevolg — dat wil zeggen: iets dat de rechten of plichten van betrokkene verandert. Daar was hier geen sprake van. De mededeling dat geen onderzoek wordt ingesteld schept geen rechten, legt geen verplichtingen op en neemt ook niets weg. Het is niet meer dan een aankondiging dat een feitelijke handeling achterwege blijft.
De rechtbank vond steun voor dit oordeel in eerdere jurisprudentie én in de wetsgeschiedenis. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de Wet bescherming klokkenluiders expliciet bepaald dat de beoordeling van een onderzoeksverzoek geen besluit in de zin van de Awb is. Bovendien, zo benadrukte de rechtbank, bestaat er simpelweg geen recht op een onderzoek door het Huis: een verzoeker kan het Huis niet opdragen om te onderzoeken.
Eiser probeerde ook via het Europese recht zijn gelijk te halen. Hij beriep zich op artikel 23 van de EU-klokkenluidersrichtlijn, dat lidstaten verplicht tot het instellen van doeltreffende sancties tegen wie melders belemmert. De rechtbank verwierp dit argument: dat artikel ziet uitsluitend op sancties, niet op de vraag of een onderzoek wordt ingesteld. Bovendien zijn de bewoordingen van dat artikel te algemeen om er rechtstreeks een beroep op te kunnen doen.
Tot slot wierp eiser op dat hij door deze uitleg verstoken blijft van effectieve rechtsbescherming, in strijd met artikel 6 van het EVRM. De rechtbank erkende de zorg, maar wees erop dat de burgerlijke rechter wél een oordeel kan geven over feitelijke handelingen die buiten het bereik van de Awb vallen. De toegang tot de rechter is daarmee niet afgesloten — alleen de bestuursrechtelijke weg staat niet open.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Eiser ontvangt geen vergoeding van proceskosten.