Het Openbaar Ministerie kan vertrouwelijke stukken van een notaris niet inzien alleen omdat die mogelijk relevant zijn voor een omvangrijk onderzoek naar Wwft-overtredingen en witwassen. Volgens de Hoge Raad moet voldoende direct verband bestaan tussen de stukken en de onderzochte strafbare feiten. Dat geldt ook bij ernstige verdenkingen en grote geldstromen.

De zaak draait om een strafrechtelijk onderzoek naar een notaris en diens juridisch medewerker. Zij worden onder meer verdacht van het niet melden van transacties op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De verdenking ziet op 59 transacties tussen 2015 en 2022. Daarnaast waren gedurende zes jaar 350 transacties ter waarde van tientallen miljoenen euro's via een derdengeldenrekening verricht, waarbij ook personen met criminele antecedenten betrokken waren.
Tijdens het onderzoek werden digitale gegevensdragers in beslag genomen. Daarop stonden ook stukken die verband hielden met andere notarissen, die zelf geen verdachte waren. Hun waarnemer deed daarom een beroep op het professionele verschoningsrecht.
Het verschoningsrecht kan in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden doorbroken. Daarbij spelen onder meer de aard en ernst van het vermoedelijke strafbare feit, de inhoud van de stukken, de gevolgen voor cliënten en de vraag of de gegevens op een andere manier kunnen worden verkregen een rol.
De rechtbank vond dat die uitzonderlijke omstandigheden hier voor een deel van de stukken niet aanwezig waren. Veel documenten stamden van buiten de periode waarop de verdenking betrekking had. Bovendien had het OM onvoldoende concreet gemaakt wat de directe relatie was tussen deze stukken en de onderzochte strafbare feiten.
De Hoge Raad laat dat oordeel in stand. Voor het belang van de waarheidsvinding is bepalend of gegevens in een zodanig direct verband staan met het vermoedelijke strafbare feit dat zij kunnen bijdragen aan het achterhalen van de waarheid. De mogelijke relevantie van documenten voor een onderzoek is dus niet zonder meer voldoende om het verschoningsrecht opzij te zetten.
Daarbij woog mee dat de verschoningsgerechtigde zelf geen verdachte was en niet was vastgesteld dat de relevante informatie niet langs een andere weg kon worden verkregen.
Op één punt corrigeert de Hoge Raad de rechtbank. Die had geoordeeld dat ook stukken die via openbare registers konden worden opgevraagd onder het verschoningsrecht konden vallen.
Dat uitgangspunt is volgens de Hoge Raad onjuist. Documenten die via openbare registers raadpleegbaar zijn, vallen als zodanig niet onder het verschoningsrecht. Dat kan anders liggen wanneer zo'n document onderdeel is geworden van andere vertrouwelijke stukken, maar daarvan was hier niet gebleken.
De fout leidt niet tot vernietiging van de beschikking. Juist omdat het om openbare informatie gaat, kan het OM deze stukken zelf opvragen.
De uitspraak maakt daarmee duidelijk dat ook bij ernstige verdenkingen van Wwft-overtredingen en witwassen concreet moet worden onderbouwd waarom toegang tot verschoningsgerechtigd materiaal noodzakelijk is. De omvang of ernst van een onderzoek geeft het OM niet automatisch toegang tot vertrouwelijke informatie van een niet-verdachte notaris.