Een tussenpersoon die klanten doorverwijst naar verschillende aanbieders van trustdiensten, kan daarmee al de Wet toezicht trustkantoren overtreden. Dat oordeelt de rechtbank Rotterdam in een zaak waarin De Nederlandsche Bank (DNB) een bestuurder persoonlijk beboette. Volgens de rechtbank hoeft de tussenpersoon zelf geen trustdiensten uit te voeren en is ook geen onderlinge verwevenheid tussen de betrokken partijen vereist.

De zaak draait om het zogenoemde opknipverbod uit de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Deze bepaling moet voorkomen dat dienstverleners de vergunningplicht omzeilen door onderdelen van een trustdienst over verschillende partijen te verdelen.
Bij de betrokken onderneming gebeurde dat volgens DNB bij vijf rechtspersonen. De onderneming verwees klanten naar een partij die een post- of bezoekadres regelde en naar een andere partij die aanvullende werkzaamheden uitvoerde, zoals belastingaangiften of administratieve dienstverlening. DNB stelde vast dat daarmee zonder vergunning het opknipverbod werd overtreden.
De toezichthouder legde de bestuurder, die feitelijk leiding had gegeven aan de overtreding, een boete van 20.000 euro op.
De bestuurder bestreed de boete. Volgens hem was uitsluitend sprake van doorverwijzen en niet van het organiseren van trustdiensten. Bovendien zou het verbod alleen gelden wanneer de betrokken dienstverleners inhoudelijk met elkaar verbonden zijn.
De rechtbank volgt die uitleg niet. Uit de wetsgeschiedenis blijkt volgens de rechters dat het opknipverbod juist bedoeld is om constructies tegen te gaan waarbij verschillende partijen gezamenlijk de onderdelen van een vergunningplichtige trustdienst verzorgen.
Daarbij kan een tussenpersoon twee rollen vervullen: zelf een onderdeel van de dienstverlening uitvoeren en het andere onderdeel uitbesteden, of de klant uitsluitend met verschillende aanbieders in contact brengen.
Ook die tweede situatie valt onder het verbod. De tussenpersoon hoeft dus niet zelf een postadres, belastingadvies of administratieve dienstverlening aan te bieden. Evenmin is vereist dat de betrokken aanbieders inhoudelijk met elkaar verweven zijn.
De bestuurder voerde daarnaast aan dat DNB hem eerder had moeten waarschuwen. Hij had informatie over zijn activiteiten verstrekt en uit het uitblijven van een afkeurende reactie afgeleid dat zijn werkwijze was toegestaan.
Ook dat argument wijst de rechtbank af. Dat DNB niet onmiddellijk reageert op verstrekte informatie, betekent niet dat de toezichthouder met de activiteiten instemt. Volgens de rechtbank is het de eigen verantwoordelijkheid van een bestuurder om te beoordelen of de onderneming aan de wet voldoet.
De rechtbank beschouwt de overtreding als ernstig. Het vergunningenstelsel voor trustdiensten moet voorkomen dat de sector wordt misbruikt voor onder meer witwassen en terrorismefinanciering. Voor een overtreding hoeft niet te worden aangetoond dat dergelijk misbruik daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
De rechtbank vindt de oorspronkelijke boete van 20.000 euro passend. Toch wordt deze verlaagd naar 19.000 euro, omdat de behandeling van de zaak ruim vijf maanden langer heeft geduurd dan de redelijke termijn van twee jaar.
De uitspraak maakt duidelijk dat tussenpersonen en bestuurders niet alleen moeten kijken naar de diensten die hun onderneming zelf uitvoert. Ook het samenbrengen van klanten en verschillende dienstverleners kan onder het opknipverbod vallen.
Deze tweedaagse basiscursus leert professionals in de publieke sector compliance- en integriteitsrisico’s herkennen en vertalen naar effectief beleid, toezicht, governance en dagelijks gedrag.