Het Gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat ABN AMRO slechts in zeer beperkte mate aansprakelijk is voor de schade die een participatiebedrijf leed door een grootschalige, twaalf jaar durende werknemersfraude. Hoewel de bank haar zorgplicht schond door na een interne alarmbel niet direct in te grijpen, dragen de gebrekkige interne controles van de werkgever zelf voor tachtig procent bij aan de schade. Van de verduisterde 4,5 miljoen euro hoeft de bank uiteindelijk nog geen vijftienduizend euro te vergoeden.

De zaak draait om een financieel medewerker van een sociale werkvoorziening in de Kempenregio. Tussen 2007 en 2019 sluisde de werknemer – die werd afgeperst door een bekende – in totaal ruim 4,5 miljoen euro aan publiek geld weg naar zijn privérekening bij ABN AMRO. In de eerste jaren ontvreemdde hij contanten uit de kantine en van kasfacturen, om die vervolgens direct weer cash op te nemen. Vanaf 2014 stapte hij over op girale fraude: hij betaalde openstaande facturen van crediteuren simpelweg dubbel, waarbij de tweede betaling handmatig naar zijn eigen privérekening werd overgemaakt. Hij wist de transacties jarenlang te verhullen door te sjoemelen met de administratieve balansposten en te lage btw-aangiftes in te dienen.
Het getroffen participatiebedrijf, dat zelf geen klant was bij ABN AMRO, stelde dat de bank veel eerder had moeten ingrijpen vanwege dit uiterst ongebruikelijke transactiepatroon. Het hof verwerpt die redenering grotendeels en benadrukt dat een bank niet verplicht is om continu alle rekeningen preventief te monitoren. Pas wanneer er sprake is van een concreet 'subjectief gevaarsbewustzijn' – oftewel de daadwerkelijke interne wetenschap van een frauderisico – ontstaat er een actieve onderzoeks- en ingrijpplicht.
Pas toen een medewerker van de afdeling Fraude Monitoring op 20 juni 2019 specifiek alarm sloeg over de massale contante opnames van gemeenschapsgeld, was er sprake van dit concrete gevaarsbewustzijn. Hoewel de bank na die melding wel een onderzoek startte, werd dit onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd. ABN AMRO concludeerde destijds ten onrechte dat er geen direct witwasrisico was en sprak de klant pas in augustus aan op het zakelijk gebruik van zijn privérekening. Hierop hief de fraudeur de rekening direct op. Het hof rekent het de bank aan dat zij de rekening niet uiterlijk op 18 juli 2019 (vier weken na de interne melding) heeft geblokkeerd. ABN AMRO is zodoende wel aansprakelijk voor de schade die is ontstaan tussen 19 juli en de uiteindelijke beëindiging van de rekening in augustus.
De uiteindelijke schadevergoeding valt voor de publieke instelling echter minimaal uit. Het hof oordeelt dat er sprake is van tachtig procent 'eigen schuld' aan de zijde van de werkgever. Dat deze administratieve fraude twaalf jaar lang onopgemerkt kon blijven, toont aan dat de interne controlemechanismen volledig hebben gefaald. Ook de externe accountant had de miljoenenfraude nooit opgemerkt, wat in 2025 al leidde tot een schikking van bijna een miljoen euro tussen de instelling en het accountantskantoor.
Omdat in de specifieke periode waarin de bank naliet in te grijpen 'slechts' € 71.069,04 door de fraudeur werd overgeboekt, resteert na aftrek van de tachtig procent eigen schuld een toe te wijzen hoofdsom van € 14.213,81. De claims voor de overige miljoenen aan misgelopen gelden zijn definitief van tafel geveegd.