Een bank hoeft niet altijd een zakelijke rekening te openen wanneer zij onvoldoende inzicht krijgt in de activiteiten, geldstromen en zakelijke relaties van een potentiële klant. De rechtbank Amsterdam accepteert dat ABN AMRO vanwege witwas-, sanctie- en integriteitsrisico's weigerde zakelijke rekeningen te verstrekken. Dat de ondernemer naar eigen zeggen alle beschikbare informatie had aangeleverd, maakt dat niet anders.

Een ondernemer vroeg ABN AMRO om zakelijke betaalrekeningen voor drie vennootschappen. Zij was al jarenlang privéklant bij de bank. Eerder had ABN AMRO geprobeerd die particuliere bankrelatie te beëindigen omdat een cliëntenonderzoek niet positief kon worden afgerond. Na een kort geding kwamen partijen destijds tot een regeling en bleef de privérelatie bestaan.
Bij de aanvraag van de zakelijke rekeningen ontstonden opnieuw vragen. De ondernemer hield zich onder meer bezig met bemiddeling bij defensie- en maritiem gerelateerde producten en was zakelijk actief in Pakistan. Volgens de bank bleef onvoldoende duidelijk met welke partijen zij zaken deed, welke goederen precies bij de transacties betrokken waren en wie de eindgebruikers waren.
De rechtbank stelt voorop dat een bank in beginsel zelf mag bepalen met wie zij een contractuele relatie aangaat. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan vanwege de maatschappelijke positie van een bank een verplichting bestaan om een zakelijke klant toch een betaalrekening aan te bieden.
Tegelijkertijd begrenst de Wwft die contractsvrijheid juist aan de andere kant. Een bank mag geen zakelijke relatie aangaan wanneer zij het wettelijk verplichte cliëntenonderzoek niet positief kan afronden.
Daar zat in deze zaak het belangrijkste probleem. De bank kreeg volgens de rechtbank onvoldoende inzicht in het zakelijke netwerk van de ondernemer en de eindproducten waarin zij bemiddelde. Ook waren er vragen over de opbouw van haar inkomsten. Contracten die daarover meer duidelijkheid konden geven, verstrekte de ondernemer niet vanwege geheimhoudingsafspraken.
Ook de aard van de activiteiten speelde mee. De ondernemer werkte onder meer voor partijen in Pakistan en bemiddelde in goederen die volgens de bank mogelijk zowel civiel als militair gebruikt konden worden. De bank had daarom onder meer gevraagd naar eindgebruikers en zogenoemde end-user statements.
Die informatie was volgens de bank nodig om mogelijke witwas-, sanctie- en integriteitsrisico's te beoordelen. Ook kon zij onvoldoende controleren hoe vergoedingen tot stand kwamen en of deze aansloten bij de goederen en diensten waarop de transacties betrekking hadden.
De rechtbank volgt de bank daarin. De geschetste risico's komen volgens de voorzieningenrechter voorshands reëel voor. Dat betekent nadrukkelijk niet dat de ondernemer zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan witwassen, terrorismefinanciering, corruptie of andere strafbare feiten.
Dat de ondernemer mogelijk niet méér informatie kon verstrekken dan zij al had gedaan, verandert het oordeel niet. Voor de bank bleven voldoende inhoudelijke redenen bestaan om vanwege het risicoprofiel geen nieuwe zakelijke relatie aan te gaan.
Daartegenover stonden volgens de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die zwaar genoeg wogen om de bank toch te verplichten zakelijke rekeningen te openen. Dat de bestaande manier waarop de ondernemer betalingen moest ontvangen omslachtig en kostbaar was, was daarvoor onvoldoende.
De uitspraak laat daarmee een belangrijke grens voor het cliëntenonderzoek zien: ook wanneer een potentiële klant stelt alle beschikbare informatie te hebben verstrekt, hoeft een bank een zakelijke relatie niet aan te gaan als zij daardoor nog steeds onvoldoende in staat is de relevante integriteitsrisico's te beoordelen.