Een ondernemer die jarenlang miljoenen euro's witwaste via buitenlandse vennootschappen en 70 valse facturen, krijgt geen gevangenisstraf maar een geldboete van € 2 miljoen. De rechtbank Noord-Holland acht bewezen dat hij met de constructie geldstromen verhulde en zowel vennootschapsbelasting als inkomstenbelasting ontdook. Bij de strafoplegging wegen onder meer de procesafspraken met het Openbaar Ministerie en het lange tijdsverloop mee.

De zaak draait om een internationale constructie waarmee de ondernemer tussen 2002 en 2019 miljoenen euro's aan ondernemingen binnen zijn concern onttrok. Daarbij werd gebruikgemaakt van vennootschappen in Hongkong, Londen en op de Britse Maagdeneilanden, evenals een Zwitserse bankrekening.
De rechtbank acht bewezen dat de ondernemer zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen en meermalen gepleegde valsheid in geschrift.
In opdracht van de ondernemer werden 70 valse facturen opgesteld door vennootschappen in Hongkong en Londen. De gefactureerde diensten waren in werkelijkheid nooit geleverd. Twee Nederlandse werkmaatschappijen binnen zijn concern betaalden deze facturen en brachten de bedragen vervolgens als zakelijke kosten in mindering op hun belastbare winst.
Na aftrek van commissies en kosten werd het geld doorgestort naar een Zwitserse bankrekening van een vennootschap op de Britse Maagdeneilanden. De ondernemer was daarvan de uiteindelijk belanghebbende (UBO) en had feitelijk de beschikking over het vermogen. Vanaf deze rekening werden grote bedragen contant opgenomen of naar hemzelf overgemaakt.
De constructie diende volgens de rechtbank om belasting te ontduiken en de ondernemer persoonlijk te verrijken. Daarbij werd op twee manieren belasting ontdoken. De Nederlandse werkmaatschappijen verlaagden hun belastbare winst met de fictieve kosten, terwijl de ondernemer de onttrokken bedragen niet als inkomsten uit aanmerkelijk belang (verkapt dividend) aangaf in box 2 van de inkomstenbelasting.
Zo kregen de geldstromen via de valse facturen een schijnbaar zakelijke grondslag, terwijl de werkelijke herkomst, bestemming en uiteindelijk belanghebbende werden verhuld.
Hoewel de rechtbank de feiten ernstig noemt, legt zij geen gevangenisstraf op. Daarbij spelen verschillende omstandigheden een rol.
De ondernemer had in 2016 een inkeermelding gedaan bij de Belastingdienst en in 2020 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daardoor werd € 6.961.903 aan eerder onttrokken bedragen alsnog in de heffing van vennootschaps- en inkomstenbelasting betrokken. De verschuldigde belastingen waren inmiddels betaald.
Daarnaast hield de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de ondernemer en het tijdsverloop sinds de strafbare feiten. Ook was de redelijke termijn voor de behandeling van de strafzaak met twee jaar en vijf maanden overschreden.
Een belangrijke rol speelden bovendien de procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. De verdachte zou geen bewijs- of strafmaatverweren voeren en geen aanvullende onderzoekswensen indienen. Het Openbaar Ministerie zou een geldboete van € 2 miljoen eisen en afzien van een ontnemingsvordering.
Volgens de rechtbank bespaarden deze afspraken kostbare zittingstijd en droegen zij bij aan een efficiëntere afhandeling van de strafzaak. Een strafvermindering was daarom gerechtvaardigd. De rechtbank achtte de overeengekomen geldboete van € 2 miljoen uiteindelijk passend.
De zaak laat zien hoe valse facturen en buitenlandse vennootschappen kunnen worden gebruikt om geldstromen een schijnbaar zakelijke grondslag te geven. Voor banken, accountants en andere instellingen die onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) vallen, biedt de constructie herkenbare aandachtspunten bij het beoordelen van transacties.
Het gebruik van buitenlandse vennootschappen of bankrekeningen is op zichzelf niet verdacht. De combinatie met facturen zonder aantoonbare economische prestatie, betalingen via meerdere buitenlandse ondernemingen en doorboekingen naar een offshore vennootschap kan echter aanleiding geven tot nader onderzoek.
Daarbij zijn vooral de economische achtergrond van de transactie en de uiteindelijk belanghebbende van belang. Welke dienst is daadwerkelijk geleverd? Waarom zijn de buitenlandse vennootschappen betrokken? En bij wie komt het geld uiteindelijk terecht?
De uitspraak gaat niet rechtstreeks over de naleving van Wwft-verplichtingen door een financiële instelling, maar illustreert wel waarom inzicht in de werkelijke aard van transacties belangrijk is. Een factuur vormt immers niet automatisch een afdoende verklaring voor een betaling wanneer daar geen daadwerkelijke prestatie tegenover staat.