ECLI:NL:RVS:2026:6088
Raad van State 14 oktober 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:6088
text/xml
public
2026-10-14T10:32:11
2026-10-14
Raad voor de Rechtspraak
nl
Raad van State
2026-10-14
202602163/1/A2
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:6088
text/html
public
2026-10-14T10:17:00
2026-10-14
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RVS:2026:6088 Raad van State , 14-10-2026 / 202602163/1/A2
Bij beslissing van 6 mei 2026 heeft de examencommissie de scriptie van [appellant] ongeldig verklaard en hem tot en met 29 juli 2026 uitgesloten van deelname aan het bachelorscriptietraject en enig ander tentamen van een door de faculteit Rechtsgeleerdheid verzorgde opleiding. Bij beslissing van 29 januari 2026 heeft de examencommissie de scriptie van [appellant] ongeldig verklaard en hem tot en met 28 januari 2027 uitgesloten van deelname aan het bachelorscriptietraject en enig ander tentamen van een door de faculteit Rechtsgeleerdheid verzorgde opleiding. De examencommissie heeft deze sanctie opgelegd omdat in het verwijzingsapparaat van zijn bachelorscriptie een aantal niet bestaande bronnen is opgenomen. Volgens de examencommissie duiden deze fictieve bronvermeldingen op ongeoorloofd gebruik van generatieve AI en dus fraude. Omdat [appellant] zich al twee keer eerder schuldig heeft gemaakt aan fraude, acht de examencommissie de opgelegde sanctie passend.
202602163/1/A2.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 6 mei 2026 heeft de examencommissie de scriptie van [appellant] ongeldig verklaard en hem tot en met 29 juli 2026 uitgesloten van deelname aan het bachelorscriptietraject en enig ander tentamen van een door de faculteit Rechtsgeleerdheid verzorgde opleiding.
Bij beslissing van 8 juli 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 september 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. E.A. Jousma, vergezeld door mr. J. Robbe, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] volgt de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden.
2. Bij beslissing van 29 januari 2026 heeft de examencommissie de scriptie van [appellant] ongeldig verklaard en hem tot en met 28 januari 2027 uitgesloten van deelname aan het bachelorscriptietraject en enig ander tentamen van een door de faculteit Rechtsgeleerdheid verzorgde opleiding. De examencommissie heeft deze sanctie opgelegd omdat in het verwijzingsapparaat van zijn bachelorscriptie een aantal niet bestaande bronnen is opgenomen. Volgens de examencommissie duiden deze fictieve bronvermeldingen op ongeoorloofd gebruik van generatieve AI en dus fraude. Omdat [appellant] zich al twee keer eerder schuldig heeft gemaakt aan fraude, acht de examencommissie de opgelegde sanctie passend.
3. Bij beslissing van 4 maart 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, deze beslissing vernietigd en de examencommissie opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Het CBE heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat de door de examencommissie opgelegde sanctie voor [appellant] onevenredig zware gevolgen heeft in verhouding tot de ernst van het vergrijp en zijn specifieke situatie. [appellant] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij met het oog op het opmaken van zijn bronnenlijst gebruik heeft gemaakt van generatieve AI. Dat is een geoorloofde vorm van AI-gebruik. Dat daarbij niet-bestaande bronnen in het verwijzingsapparaat zijn terechtgekomen, komt evenwel voor zijn rekening. Omdat in de hoofdtekst van de scriptie geen fraude is geconstateerd, is een uitsluiting van deelname aan het bachelorscriptietraject en enig ander tentamen van een door de faculteit Rechtsgeleerdheid verzorgde opleiding voor de duur van een half jaar een passender maatregel.
4. De examencommissie heeft de sanctie bij beslissing van 6 mei 2026 in overeenstemming met deze beslissing van het CBE aan [appellant] opgelegd. Het CBE heeft deze beslissing gehandhaafd.
Beroep
5. [appellant] betoogt dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat door hem is gefraudeerd. Hij heeft niet zelf bronnen verzonnen, maar de AI-tool die hij heeft gebruikt bij het opstellen van het verwijzingsapparaat heeft niet alle bronnen uit het concept van zijn scriptie correct overgenomen. Dit gaat om in totaal zeven verkeerd weergegeven bronnen in voetnoten in de eindversie van de scriptie. Dat hij fouten heeft gemaakt bij het opstellen van het verwijzingsapparaat, betekent nog niet dat hij heeft gefraudeerd, aldus [appellant].
5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is niet iedere onjuiste bronvermelding aan te merken als fraude. Bij het onjuist of onvolledig vermelden van bronnen zijn de omvang en de ernst van de onjuiste bronvermelding van belang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5878, onder 3.2). Ook is van belang of de student een plausibele verklaring heeft gegeven voor het onjuist vermelden van de bronnen. Simpel gezegd moet een onderscheid worden gemaakt tussen fraude en onzorgvuldigheid. In het eerste geval kan dat leiden tot het opleggen van een maatregel door de examencommissie; in het tweede geval kan de examinator aan een geconstateerde onzorgvuldigheid gevolgen verbinden voor het cijfer (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4744, onder 4.2).
5.2. [appellant] heeft fouten gemaakt bij het opstellen van het verwijzingsapparaat voor zijn scriptie en dat zelf ook erkend. Het gaat om zeven foutieve verwijzingen - waarvan één tweemaal - op een totaal van zesendertig voetnoten met bronverwijzingen. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] een plausibele verklaring heeft gegeven over de foutieve verwijzingen in het verwijzingsapparaat van zijn scriptie. [appellant] heeft toegelicht dat hij voor zijn scriptie AI heeft gebruikt voor een spellingcontrole en om zijn bronnenlijst te controleren en te ordenen. In zijn zienswijze van 28 januari 2026 heeft hij, direct na de constatering van de examinator dat niet alle bronnen juist zijn weergegeven, toegelicht welke bronnen door AI zijn verdraaid, zoals verkeerde jaartallen of voorletters van auteurs, of door AI zijn bedacht. Hij heeft daarbij ook vermeld wat de juiste bronvermelding had moeten zijn. Daarbij komt dat al deze juiste bronnen in een eerdere versie van de scriptie, vóór het gebruik van AI, in verkorte vorm zijn terug te vinden. Hoewel het aan [appellant] te wijten is dat hij na het gebruik van AI niet nogmaals zelfstandig alle bronvermeldingen in de voetnoten heeft gecontroleerd, is niet iedere verschrijving of administratieve fout in de bronvermelding gelijk aan fraude. Verder is van belang dat in de hoofdtekst van de scriptie geen fraude is geconstateerd. Gelet op deze omstandigheden en de omvang en de ernst van de onjuiste bronvermelding, heeft het CBE onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan alleen een onzorgvuldigheid. Dit betekent dat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat [appellant] heeft gefraudeerd.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de beslissing van het CBE van 8 juli 2026. Zij voorziet zelf in de zaak door het administratief beroep tegen de beslissing van de examencommissie van 6 mei 2026 gegrond te verklaren en die beslissing te vernietigen. De examencommissie moet daarom de proceskosten in administratief beroep vergoeden. Als gevolg van deze uitspraak moet de bachelorscriptie van [appellant] alsnog worden beoordeeld, met inachtneming van wat de Afdeling heeft overwogen. Het is aan de examinator of, en, zo ja, welke gevolgen hij in dat kader aan de geconstateerde onzorgvuldigheid verbindt voor het cijfer.
7. Het CBE moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt de beslissing van het College van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden van 8 juli 2026, kenmerk 26-222;
III. verklaart het administratief beroep gegrond;
IV. vernietigt de beslissing van de Examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden van 6 mei 2026;
V. veroordeelt de Examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het administratief beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VI. veroordeelt het College van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het College van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
1067