ECLI:NL:RVS:2026:5009
Raad van State 26 augustus 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:5009
text/xml
public
2026-08-26T10:32:50
2026-08-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
Raad van State
2026-08-26
202500105/1/A3
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5009
text/html
public
2026-08-26T10:17:16
2026-08-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RVS:2026:5009 Raad van State , 26-08-2026 / 202500105/1/A3
Bij besluit van 15 december 2023 heeft de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid aan [appellant] twee boetes opgelegd van in totaal € 20.250,00 en besloten om inspectiegegevens openbaar te maken. appellant] is eigenaar van verschillende panden in Den Haag. Op enig moment heeft hij besloten om zijn winkelpand aan de [locatie] in Den Haag te verbouwen tot drie woningen. Op 5 september 2022 ontving de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) een handhavingsbrief van de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) over werkzaamheden aan het pand. De toezichthouder heeft geconstateerd dat asbest was verwijderd en dat dit niet volgens de geldende regels was uitgevoerd. Uit het boeterapport blijkt dat arbeidsinspecteurs twee overtredingen hebben geconstateerd. Bij werkzaamheden zijn asbesthoudende golfplaten op het dak van een schuur en wandbeplating van een koelcel verwijderd. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat er geen veiligheids-en gezondheidsplan was opgesteld. Ook niet in geschil is dat het bedrijf dat de werkzaamheden heeft uitgevoerd niet gecertificeerd was. Volgens de rechtbank staat dus vast dat het Arbobesluit is overtreden.
202500105/1/A3.
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 november 2024 in zaak nr. 24/2492 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2023 heeft de minister aan [appellant] twee boetes opgelegd van in totaal € 20.250,00 en besloten om inspectiegegevens openbaar te maken.
Bij besluit van 27 februari 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. F van der Loos, advocaat in Woubrugge, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S Yildirim, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is eigenaar van verschillende panden in Den Haag. Op enig moment heeft hij besloten om zijn winkelpand aan de [locatie] in Den Haag te verbouwen tot drie woningen. Op 5 september 2022 ontving de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) een handhavingsbrief van de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) over werkzaamheden aan het pand. De toezichthouder heeft geconstateerd dat asbest was verwijderd en dat dit niet volgens de geldende regels was uitgevoerd.
1.1. Uit het boeterapport blijkt dat arbeidsinspecteurs twee overtredingen hebben geconstateerd. Bij werkzaamheden zijn asbesthoudende golfplaten op het dak van een schuur en wandbeplating van een koelcel verwijderd. De minister heeft twee boetes opgelegd van totaal € 20.250,00. De eerste boete van € 10.125,00 is opgelegd, omdat [appellant] als opdrachtgever, in strijd met zijn wettelijke verplichting er niet voor heeft gezorgd dat er voorafgaand aan de uitvoering van het bouwwerk een veiligheids- en gezondheidsplan voor dit werk was opgesteld. Dit is een overtreding van artikel 16, tiende lid van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet), in samenhang met artikel 2.28, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit).
De tweede boete van € 10.125,00 heeft de minister opgelegd omdat op de [locatie] in Den Haag door werknemers werkzaamheden werden verricht zoals bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, van het Arbobesluit. Er werden golfplaten van het dak van een schuur en wandbeplating van een koelcel verwijderd die asbest bevatten. Bij deze werkzaamheden wordt ervan uitgegaan dat de concentratie van asbeststof in de lucht de wettelijk vastgestelde grenswaarde kan overschrijden. Op grond van het gestelde in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbobesluit mochten deze werkzaamheden uitsluitend worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestverwijdering. Vastgesteld is dat de uitvoerende partij niet in het bezit was van dit certificaat. In strijd met haar wettelijke verplichting heeft [appellant], volgens de minister, als opdrachtgever er niet voor gezorgd dat het verwijderingsbedrijf gecertificeerd was. Dit is een overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, in samenhang met, artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbobesluit.
1.2. Conform de beleidsregels openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen, heeft de minister besloten de inspectiegegevens openbaar te maken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat er geen veiligheids-en gezondheidsplan was opgesteld. Ook niet in geschil is dat het bedrijf dat de werkzaamheden heeft uitgevoerd niet gecertificeerd was. Volgens de rechtbank staat dus vast dat het Arbobesluit is overtreden. [appellant] is de opdrachtgever van de werkzaamheden, omdat de werkzaamheden in het pand van [appellant] en dus ten behoeve van hem, zijn verricht. Hij heeft ook het initiatief voor de verbouwing genomen en op de opdracht en de facturen staat zijn naam. Ook was [appellant] de opdrachtgever van een opgesteld asbestinventarisatierapport. Dat [appellant] een beheerovereenkomst heeft gesloten met PRMD tot het beheer van het pand maakt niet dat [appellant] geen opdrachtgever meer is. De minister heeft er in dit verband terecht op gewezen dat [appellant] nog steeds eigenaar is van het pand en dus nog steeds de daarbij horende juridische verplichtingen heeft. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om de bouwbegeleider op te roepen als getuige, zoals op de zitting is verzocht. Aangezien in de artikelen van het Arbobesluit die zijn overtreden de opdrachtgever de normadressaat is, betekent dat dat [appellant] als opdrachtgever ook zelf de overtreder is. De door [appellant] ingeroepen rechtspraak over functioneel daderschap is niet van toepassing. Nu [appellant] het Arbobesluit heeft overtreden was de minister bevoegd om boetes op te leggen.
2.1. De rechtbank heeft overwogen dat de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het EVRM, niet uitsluit dat een boete wordt opgelegd voor een overtreding waarvoor schuld geen bestanddeel is, maar die wel verwijtbaar is geweest. De rechtbank heeft ook overwogen dat alleen als de overtreding in het geheel niet verwijtbaar is geweest, de minister, geen boete heeft mogen opleggen.
2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de overtreding verwijtbaar is geweest, omdat het de verantwoordelijkheid van een opdrachtgever is, om zich op de hoogte te stellen van de regels. [appellant] had hiervoor niet volledig mogen vertrouwen op PRMD. Dat hij dit wel gedaan heeft, komt voor zijn rekening en risico. Dat [appellant] niet zou hebben geweten van het asbest maakt de overtreding niet minder verwijtbaar. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er een asbestinventarisatie in opdracht van [appellant] is uitgevoerd en dat het rapport naar zijn huisadres is gestuurd.
2.3. Naar het oordeel van de rechtbank was de boete niet te hoog. De minister heeft in dit geval aanleiding gezien de boetenormbedragen van in totaal € 27.000,00 met 25% te matigen, omdat [appellant] geen werknemers heeft en de opdracht, middels PRMD, heeft verstrekt aan een aannemer. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de boete met een groter percentage had moeten worden gematigd. Dat voor opdrachtgevers de boete bedragen niet worden gecorrigeerd naar het aantal werknemers heeft de rechtbank in beginsel niet onredelijk geacht. Zoals de minister heeft gesteld moeten de verplichtingen door een opdrachtgever worden nageleefd om veilige en gezonde arbeidsomstandigheden te waarborgen van de werknemers van het uitvoerende bedrijf. Daarnaast is een cumulatie van boetes niet per definitie onevenredig omdat de overtredingen die worden beboet te herleiden zijn tot één gedraging of nalatigheid. Het gaat hier om meer gedragingen die verschillende belangen hebben geschonden en ook los van elkaar konden worden begaan, zodat de minister die verschillende overtredingen afzonderlijk heeft mogen beboeten. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid die [appellant] als opdrachtgever heeft om de regels na te leven, bestaat er ook geen aanleiding om de boete verder te matigen wegens verminderde verwijtbaarheid.
2.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister een gedeelte van de inspectiegegevens openbaar mocht maken. De rechtbank heeft overwogen dat de hoogste bestuursrechter het beleid van de minister om inspectiegegevens te publiceren niet onredelijk vindt. [appellant] heeft een schriftelijke reactie met zijn opmerkingen en visie, over de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, kunnen laten voegen bij de openbaargemaakte gegevens op de website van de SZW. Verder is van belang dat asbestovertredingen mogelijk ernstige gevolgen hebben voor mens en milieu in de buurt van de besmette omgeving. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de openbaarmaking hem onevenredig heeft geraakt, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
3. In hoger beroep betoogt [appellant] in de kern dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat hij overtreder is. Hij voert aan dat hij niet als opdrachtgever kan worden aangemerkt, omdat hij de werkzaamheden heeft uitbesteed aan een gerenommeerde partij, PRMD. Hierdoor mocht hij erop vertrouwen dat aan alle regelgeving zou worden voldaan. Verder is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van een risicoaansprakelijkheid. De onschuldpresumptie zou moeten gelden.
Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat openbaarmaking hem niet onevenredig zwaar raakt. Hij werkt met overheidsaanbestedingen en zowel (de werknemers van) zijn bedrijf als de achterliggende bedrijven zullen worden getroffen als de score op een aanbesteding lager wordt door het melden van overtredingen.
Matiging van de boete
4. De minister heeft laten weten dat de boete van € 27.000,00 bij nader inzien, wegens de aard van de opdrachtgevende rol van [appellant] in dit specifieke geval, met 50% gematigd had moeten worden en dat de besluitvorming in zoverre onjuist is. Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond. [appellant] heeft zijn gronden evenwel gehandhaafd, omdat hij vindt dat er in het geheel geen boete opgelegd had moeten worden dan wel dat er nog verder gematigd zou moeten worden.
5. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd en nog relevant zijn na wat onder 4 is overwogen, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van deze gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de onder 5, 6, 7, 8 en 9 opgenomen overwegingen.
Zij voegt daaraan nog toe dat hoewel [appellant] betoogt dat PMRD ook weet had van de asbestinspectiegegevens, dit de overtredingen voor hem niet minder verwijtbaar maakt en dit onverlet laat dat hij als opdrachtgever de overtreder is. Om die reden ziet de Afdeling met de rechtbank geen aanleiding om getuigen op te roepen. [appellant] heeft de rapportage met de conclusies van de asbestinventarisatie ontvangen en had uit de aan hem gerichte offerte van de niet voor asbestwerkzaamheden gecertificeerde uitvoerder, kunnen opmaken dat er geen specialistische asbestverwijdering was opgenomen.
Verder zijn de asbestinspectiegegevens milieu informatie in de zin van de Wet Open Overheid. Alleen al daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister die gegevens openbaar mocht maken.
Slotsom
6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren, het besluit van 27 februari 2024 vernietigen, voor zover het de hoogte van de boete betreft en in zoverre het besluit van 15 december 2023 herroepen. De Afdeling zal de hoogte van de boete vaststellen op 50% van € 27.000,00, dit is € 13.500,00 en bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 27 februari 2024.
7. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 november 2024 in zaak nr. 24/2492;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 februari 2024, kenmerk WBJA/SVIA/3.2024.0004.001, voor zover het de hoogte van de boete betreft;
V. herroept het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 2023, kenmerk 072301015/03 voor zover het de hoogte van de boete betreft.
VI. bepaalt dat het bedrag van de boete wordt vastgesteld op € 13.500,00;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 27 februari 2024;
VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.068,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 381,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026
802-1158