Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:9620

Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke verstrekking van één document naar aanleiding van een verzoek in de zin van de Wet open overheid (Woo). Verzoeker is het daarmee niet eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college in redelijkheid het docum...

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 oktober 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:9620 text/xml public 2026-10-12T18:00:04 2026-10-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-10-06 AWB 26_4771 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9620 text/html public 2026-10-08T14:57:38 2026-10-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:9620 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-10-2026 / AWB 26_4771
Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke verstrekking van één document naar aanleiding van een verzoek in de zin van de Wet open overheid (Woo). Verzoeker is het daarmee niet eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college in redelijkheid het document gedeeltelijk heeft verstrekt.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 26/3521 en 26/4771

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
mr. [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en

het Dagelijks Bestuur van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, verweerder

(gemachtigde: mr. V.L.S. van Cruijningen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke verstrekking van één document naar aanleiding van een verzoek in de zin van de Wet open overheid (Woo). Verzoeker is het daarmee niet eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college in redelijkheid het document gedeeltelijk heeft verstrekt.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid het document gedeeltelijk heeft verstrekt. Verzoeker krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de gedeeltelijke verstrekking van het document gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.1.
Verweerder heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (via een beeldverbinding) en namens verweerder [persoon] en de gemachtigde van verweerder.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. Dat verzoeker ter zitting heeft toegelicht dat hij mogelijk naar aanleiding van een uitspraak op zijn verzoek om voorlopige voorziening een nadere onderbouwing van zijn gronden wil geven, maakt dat niet anders.
2.4.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kennisgenomen van het gehele document dat deels aan verzoeker is verstrekt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De niet betwiste feiten

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn.
3.1.
Verweerder heeft op 22 juli 2025 een brief verstuurd naar verzoeker met daarin onder meer de passage:

“Aan de te bespreken onderwerpen voeg ik bij deze toe dat ons het verzoek heeft bereikt van drie belangrijke afnemers van de Omgevingsdienst om u voor de toekomst niet langer in te zetten voor het leveren van juridische ondersteuning, dit naar aanleiding van de manier waarop uw optreden in een bepaalde aangelegenheid is beleefd. Dit is een signaal dat wij zeer serieus hebben te nemen en dat ook in het licht van eerdere ervaringen met uw houding en gedrag te meer reden geeft met u te bespreken wat er nodig is om op een goede manier met elkaar door te kunnen.”
3.2.
Verzoeker heeft op 8 september 2025 een verzoek ingediend tot verstrekking van alle documenten, gegevens, correspondentie en digitale bestanden van het gehele dossier, dat onder verweerder dan wel namens verweerder bij andere diensten organisaties aanwezig is en zien op de bovengenoemde overweging in de brief van 22 juli 2025. Verzoeker vraagt om een (kopie van) informatie met betrekking tot het genoemde onderwerk neergelegd in alle documenten en digitale bestanden die te maken hebben met het voornoemde onderwerp en alle overige documenten, zoals alle:

Vergaderstukken, waaronder uitnodigingen, presentielijsten, agenda’s, ingekomen stukken;

besluiten, besluitenlijsten en notulen collegevoorstellen, waarschuwingsbrieven, voornemen last onder dwangsom/bestuursdwang, last onder dwangsom;

interne correspondentie en gespreksverslagen (brieven, e-mails inclusief bijlagen, sms’jes en Whatsapp-berichten);

externe correspondentie en gespreksverslagen (brieven, e-mails inclusief bijlagen, sms’jes en Whatsapp-berichten);

memo’s, notities, rapporten, adviezen, verweerschriften van zowel intern als van derden zoals bijvoorbeeld advocaten;

financiële documenten en datasets;

documenten die met externe, als interne partijen zijn gewisseld, en

persoonlijke beleidsopvattingen en e-mails van (behandeld) ambtenaren.
3.3.
Verweerder heeft met het besluit van 4 februari 2026 beslist op het Woo-verzoek en één document (deels) aan verzoeker verstrekt. Verzoeker heeft hiertegen en tegen een brief van 9 juli 2025 bezwaar gemaakt.
3.4.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2026 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de brief van 9 juli 2025 niet-ontvankelijk verklaard.

Spoedeisend belang

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Daarvan is sprake als een uitspraak op het beroep niet kan worden afgewacht. Een uitspraak op het beroep kan niet worden afgewacht als er vóórdat vooraf onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan.
4.1.
Verzoeker heeft betoogd dat op 22 oktober 2026 een zitting bij de kantonrechter zal plaatsvinden over zijn arbeidsrechtelijke geschil met de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB). Het Woo-verzoek ziet op documenten die daar betrekking op hebben. Verzoeker vreest dat verweerder verschillende documenten in zijn bezit heeft en zal indienen als processtuk tijdens de zitting. Daarnaast wil verzoeker alle relevante documenten vóór de zitting in bezit hebben.
4.2.
Verweerder heeft gesteld dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Deze procedure kan er niet toe leiden dat documenten die volgens verzoeker ontbreken vooruitlopend op de bodemprocedure worden verstrekt. Voor zover verzoeker heeft gesteld dat voorkomen moet worden dat verweerder documenten in de kantonprocedure indient, kan dat er niet toe leiden dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. De vermeende documenten berusten niet onder verweerder. Voor zover deze wel onder verweerder zouden berusten, zullen deze niet worden ingebracht in de kantonprocedure. Het beëindigen van het dienstverband van verzoeker is geen gevolg van de passage waar het Woo-verzoek op ziet.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het Woo-verzoek heeft betrekking op het functioneren van verzoeker als medewerker van de OMWB. Het gegeven dat verschillende afnemers van de OMWB verzoeker niet meer zouden willen inzetten voor het leveren van juridische ondersteuning, kan relevant zijn voor de arbeidsrechtelijke positie van verzoeker. Het valt niet uit te sluiten dat verzoeker enig spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Omvang van het geschil

5. De omvang van het geding wordt bepaald door de reikwijdte van het verzoek. Verzoeker heeft verzocht om verstrekking van alle documenten die zien op de overweging in de brief met betrekking tot het verzoek van drie afnemers van de Omgevingsdienst om verzoeker niet langer in te zetten voor het leveren van juridische ondersteuning. Voor zover verzoeker inhoudelijke gronden heeft aangevoerd die zien op zijn functioneren als voormalig medewerker van de OMWB valt dit buiten de omvang van het geding.

Verstrekking aan verzoeker

6. Verweerder heeft op grond van artikel 5.5, eerste lid, van de Woo een document gedeeltelijk verstrekt aan verzoeker. In artikel 5.5, eerste lid, van de Woo is geregeld dat een natuurlijk persoon kan verzoeken om verstrekking van informatie die hem betreft. In dat geval worden de documenten niet openbaar gemaakt aan een ieder, maar enkel verstrekt aan de verzoeker.
6.1.
Verzoeker heeft betoogd dat verweerder ten onrechte niet kenbaar heeft onderzocht welke documenten niet voor een ieder openbaar gemaakt konden worden, welke klemmende redenen verzoeker heeft aangevoerd, of verstrekking onder voorwaarden mogelijk was en of geheimhoudingsplicht aan verstrekking in de weg stond. Verzoeker heeft ter zitting nader toegelicht dat hij wenst dat het document niet enkel aan hem wordt verstrekt maar openbaar wordt gemaakt aan ieder.
6.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het document terecht niet openbaar heeft gemaakt. Verzoeker heeft in zijn Woo-verzoek namelijk opgenomen dat hij zijn verzoek heeft ingediend op grond van artikel 5.5 van de Woo. Verweerder dient in dat geval over te gaan tot verstrekking van het document in plaats van openbaarmaking aan een ieder. Voor zover verzoeker toch wenst dat het document openbaar wordt gemaakt, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat deze wens kan worden ingewilligd.

Zoekslag

7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat bij besluiten over de openbaarmaking van documenten op grond van de Woo het bestuursorgaan voldoende inzichtelijk moet maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.
7.1.
Verzoeker heeft betoogd dat verweerder geen volledige zoekslag heeft verricht. De OMWB heeft niet kenbaar gemaakt welke concrete zoektermen zijn gebruikt, welke zoekperiode is gehanteerd, welke mailboxen en mailboxmappen zijn onderzocht, of verzonden, ontvangen, gearchiveerde en verwijderde berichten zijn onderzocht, welke Microsoft Teams-kanalen en één-op-één-gesprekken zijn doorzocht, of Whatsapp-berichten en mobiele gegevensdrager zijn doorzocht, welke digitale archieven en documentmanagementsystemen zijn doorzocht, welke functionarissen zijn bevraagd, welke vragen aan hen zijn gesteld, of voormalige medewerkers zijn bevraagd, welke documenten als dubbel of buiten de reikwijdte zijn aangemerkt en welke controle op de volledigheid van de zoekresultaten is uitgevoerd.
7.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de zoekslag voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft onderbouwd dat het verzoek concreet was. Verzoeker haalt daarin namelijk uit de brief van 22 juli 2025 een passage aan waarin wordt medegedeeld dat aan de bespreekpunten voor een overleg wordt toegevoegd dat verweerder het verzoek van drie afnemers heeft gehad om verzoeker niet langer in te zetten voor juridische ondersteuning. Alleen de directeur van de OMWB en de Afdelingsmanager hebben contact gehad met de vertegenwoordigers van de drie afnemers over dit onderwerp. Door de gevoeligheid van het onderwerp is de informatie namelijk niet gedeeld met andere medewerkers. Om die reden is enkel in de e-mailboxen en andere gegevensdragers van deze functionarissen concreet gezocht naar het verzoek van de drie afnemers om verzoeker niet langer in te zetten voor juridische ondersteuning. Tijdens de zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht hoe dit is gebeurd en verzoeker heeft hier niets tegen ingebracht. Verweerder heeft terecht geen gebruik gemaakt van andere specifieke zoektermen om te voldoen aan het Woo-verzoek.
7.3.
Met deze zoekslag is één document aangetroffen. Dit betreft de e-mail van de gemeente Baarle-Nassau met daarin het verzoek verzoeker niet langer in te zetten voor juridische ondersteuning. Gelet op voorgaande komt de mededeling dat er niet meer documenten zijn aangetroffen niet ongeloofwaardig voor.

Ontbrekende documenten

8. De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Voor zover openbaarmaking wordt verzocht van documenten die niet bij het bestuursorgaan berusten maar wel bij het bestuursorgaan hadden behoren te berusten, mag van dit bestuursorgaan worden verwacht dat het al het redelijkerwijs mogelijke doet om deze documenten alsnog te achterhalen.
8.1.
Verzoeker heeft betoogd dat het aannemelijk is dat verweerder niet alle documenten openbaar heeft gemaakt die onder hem berusten. Er zijn concrete aanwijzingen dat verweerder over meer documenten beschikt. Verzoeker heeft in zijn bezwaarschrift verwezen naar een e-mail van 14 januari 2025 met het onderwerp “Input telefonisch contact directeur OMWB” die hij heeft ontvangen van de gemeente Baarle-Nassau naar aanleiding van een Woo-verzoek. In beroep heeft verzoeker een afschrift van deze e-mail overgelegd. Het kan niet worden uitgesloten dat verweerder de e-mail ook heeft ontvangen. In de e-mail zijn verschillende e-mailadressen weggelakt. Een deel is afkomstig van de ABG-organisatie, maar niet allemaal. Verweerder was daarnaast naar aanleiding van het bezwaar op de hoogte van het bestaan van de e-mail, dus had het moeten betrekken in de zoekslag. Ten slotte heeft verzoeker vernomen dat de e-mail is doorgezonden naar de directeur van de OMWB.
8.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer documenten berusten onder verweerder dan aan hem zijn verstrekt. Verzoeker heeft verwezen naar een e-mail en daarvan een versie overgelegd waarin de namen en e-mailadressen zijn zwartgelakt. Uit de opmaak van de e-mail kan worden afgeleid dat het een e-mailwisseling binnen de betrokken uitvoeringsorganisatie van de drie gemeenten betreft. Bij de verzender en ontvanger van de e-mail is telkens een passage weggelakt, gevolgd door een deels gelakt e-mailadres. Het ongelakte deel van het e-mailadres is van de ABG-organisatie en het is aannemelijk dat het gelakte deel ervoor de naam van de betreffende medewerker van die organisatie betreft. Uit het document kan dus niet worden afgeleid dat verweerder in het bezit is van de e-mail. Verzoeker heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten onder verweerder berusten.

Eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer

9. De informatie in het aangetroffen document is deels niet verstrekt op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo blijft verstrekking eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Verweerder heeft met het bestreden besluit toegelicht dat de namen en e-mailadressen binnen het document niet zijn verstrekt.
9.1.
Verzoeker heeft betoogd dat verweerder ten onrechte delen van het document niet heeft verstrekt op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht of anonimisering volstaat, nummering mogelijk is, verzoeker de informatie rechtstreeks kan ontvangen, feitelijke informatie van persoonsgegevens kan worden gescheiden of dat gedeeltelijke verstrekking mogelijk is.
9.2.
Verweerder heeft per zelfstandig documentonderdeel vermeld welke gegevens zijn gelakt, namelijk namen en e-mailadressen, heeft onderbouwd welke weigeringsgrond van toepassing is (5.1, tweede lid, onder e) en welk concreet belang wordt beschermd (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer). Verweerder heeft echter niet onderbouwd waarom het belang van het verstrekken van de namen en e-mailadressen minder zwaar weegt dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
9.3.
Het bestreden besluit is daarom in strijd met motiveringsbeginsel. De voorzieningenrechter kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het is niet aannemelijk dat de belanghebbende door deze schending van het motiveringsbeginsel is benadeeld. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het namen van medewerkers betreft die niet in hun functie in de openbaarheid treden. Door verstrekking van de gelakte informatie wordt de privacy van deze personen geschonden. Verweerder heeft om die reden in redelijkheid de persoonsgegevens in het document niet verstrekt aan verzoeker. Tijdens de zitting heeft verzoeker de gelegenheid gehad om hierop inhoudelijk te reageren. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om het gebrek te passeren.

Overige verzoeken

10. Verzoeker heeft verzocht om op de voet van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en gelet op de oordelen van de voorzieningenrechter hierover geen reden om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen en gaat daarom voorbij aan het verzoek van verzoeker.
10.1.
Verzoeker heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om diverse werknemers van de OMWB, de gemeente Baarle-Nassau en een betrokken advocaat als getuigen te horen. De voorzieningenrechter ziet daartoe geen aanleiding nu dit niet nodig is voor de inhoudelijke beoordeling van het beroep van verzoeker.
10.2.
Verzoeker heeft ten slotte de voorzieningenrechter verzocht om verweerder op te leggen dat de documenten die betrekking hebben op zijn Woo-verzoek niet mogen worden ingediend als processtukken in de lopende procedure bij de kantonrechter. Ook daartoe ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, omdat dit buiten de omvang van deze bestuursrechtelijke procedure gaat.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder in redelijkheid het document gedeeltelijk heeft verstrekt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en ook niet om de door verzoeker gevraagde dwangsom op te leggen. Aangezien de voorzieningenrechter ook uitspraak heeft gedaan op het beroep van verzoeker, wordt het verzoek om versnelde behandeling afgewezen. Verweerder moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit omdat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de ABRvS waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1675.

Zie de uitspraak van de ABRvS van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3410.

Artikel delen