Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:3996

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 mei 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:3996 text/xml public 2026-05-18T10:18:57 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-11 25/2358 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3996 text/html public 2026-05-18T10:18:47 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3996 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-05-2026 / 25/2358
Beroep over het weigeren van een verzoek van eiser om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/2358
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser], uit [plaats], eiser,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, het college.
Inleiding
Eiser heeft op 16 april 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 9 april 2025 (bestreden besluit), over het weigeren van een verzoek van eiser om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo).

Het college heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Ten aanzien van één document (concept intern auditrapport) heeft het college verzocht om beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een brief van 24 september 2025 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb alleen de bestuursrechter kennisneemt waarvan op grond van de Woo om openbaarmaking of verstrekking is verzocht.

In het beroepschrift heeft eiser aangegeven dat zijn voorkeur uitgaat naar een uitspraak zonder dat zitting wordt gehouden. Het college heeft in een verweerschrift van 8 september 2025 aan de rechtbank medegedeeld hier geen bezwaar tegen te hebben.

Eiser heeft op 29 december 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank. In een uitspraak van 20 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, vanwege het ontbreken van spoedeisend belang.

De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting gepland. Het college heeft in een brief van 13 februari 2026 aan de rechtbank medegedeeld verhinderd te zijn op die dag. In een e-mailbericht van 23 februari 2026 heeft eiser aan de rechtbank medegedeeld bereid te zijn om mee te werken aan uitstel. Partijen hebben vervolgens telefonisch opnieuw aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een uitspraak zonder dat eerst een zitting is gehouden. De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek van het college daarom toegewezen en heeft in een brief van 25 februari 2026 aan partijen medegedeeld dat de rechtbank zou gaan onderzoeken of het mogelijk is om schriftelijk uitspraak te doen. De rechtbank heeft vervolgens besloten dat dit mogelijk is en heeft het onderzoek op 7 april 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
1. Feiten
1.1
Eiser heeft het college op 25 september 2024 verzocht om openbaarmaking op grond van de Woo van een intern auditonderzoek naar problemen rondom het schoolgebouw van [school] te [plaats]. Meer specifiek heeft eiser verzocht om:

alle nog niet openbare documenten en andere informatiedragers (appjes, mails, etc.) omtrent het intern auditonderzoek uitgevoerd naar de procesmatige gang van zaken met betrekking tot de fouten bij de bouw van de school [school];

onderlinge correspondentie tussen de gemeente en aannemer en uitvoerder van het project en de feiten van het interne onderzoek zelf. Persoonlijke beleidsopvattingen mogen alleen worden weggelaten, indien de opvattingen terug te leiden zijn tot de betreffende persoon.
1.2
Bij besluit van 23 oktober 2024 (primair besluit) heeft het college dat verzoek afgewezen.
1.3
Eiser heeft daar op 24 oktober 2024 bezwaar tegen gemaakt.
1.4
Bij bestreden besluit heeft het college dat bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard. Het college is afgeweken van het advies van de ‘commissie bezwaarschriften Vlissingen’ (hierna: commissie). Uit het bestreden besluit blijkt dat is geweigerd om een concept intern audit rapport (hierna: conceptrapport) en daarop betrekking hebbende documenten te verstrekken, op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, onder e en onder i, en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
1.5
Eiser heeft daar op 16 april 2025 beroep tegen ingesteld.

2. Wettelijk kader
2.1
Eenieder kan op grond van de Woo een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan. Publieke informatie is informatie neergelegd in documenten die berusten bij dat bestuursorgaan. De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
2.2
Hoofdstuk 5 van de Woo kent acht bepalingen die de uitzonderingen op de openbaarmaking van informatie voor eenieder regelen. De uitzonderingsgronden zijn verdeeld over absolute en relatieve uitzonderingsgronden. Als een absolute uitzonderingsgrond van toepassing is op bepaalde informatie, dan mag die informatie niet openbaar worden gemaakt. Als een relatieve uitzonderingsgrond van toepassing is, dan moet het bestuursorgaan het in die uitzonderingsgrond genoemde belang afwegen tegen het belang van openbaarheid. Alleen als de bescherming van dat belang zwaarder weegt dan het algemeen belang van openbaarheid, dan mag het bestuursorgaan de relatieve uitzonderingsgrond toepassen.
2.3
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3. Bestreden besluit
3.1
Het college heeft geweigerd om een intern audit rapport (in conceptversie) en daarop betrekking hebbende andere documenten te verstrekken. Het college heeft daar de volgende uitzonderingsgronden aan ten grondslag gelegd.
3.2
Volgens het college staat het belang van het goed functioneren van de gemeente in de weg aan openbaarmaking van de stukken. Die uitzonderingsgrond staat in artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo. Het conceptrapport is nog niet definitief vastgesteld. Openbaarmaking kan leiden tot een onjuiste beeldvorming en kan de interne advisering en besluitvorming negatief beïnvloeden. Het kan er ook toe leiden dat ambtenaren en externen/adviseurs zich in de toekomst minder vrij voelen om eerlijke en kritische adviezen te geven. De documenten vormen een zeer belangrijk onderdeel van het interne beleidsproces. Ook moet er ruimte zijn om intern van gedachten te wisselen.
3.3
Volgens het college staan de economische of financiële belangen van de gemeente in de weg aan openbaarmaking. Die uitzonderingsgrond staat in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo. Het rapport en de overige informatie bevatten analyses, conclusies en aanbevelingen over de aanbestedingsprocedure die de gemeente kwetsbaar maken. De gemeente is in onderhandeling met diverse externe partijen (o.a. met de schoolbesturen). Openbaarmaking zal de onderhandelingspositie schaden en daarbij loopt de gemeente dan ook aanzienlijke (financiële) risico’s. De gemeente moet vrij kunnen overwegen hoe met deze risico’s wordt omgegaan zonder dat anderen deze informatie kunnen misbruiken.
3.4
Het college heeft openbaarmaking van het conceptrapport daarnaast geweigerd, omdat het is opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen en beraadslagingen bevat. Die uitzonderingsgrond staat in artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Het is opgesteld ten behoeve van intern beraad, omdat het gaat om een concept dat nog op geen enkele manier naar buiten toe is gecommuniceerd. Daarnaast is het ten behoeve van intern beraad, omdat in het rapport een advocaat wordt genoemd en de visie van die advocaat op een aantal punten is overgenomen. De feitelijke gegevens uit het conceptrapport bevatten geen persoonlijke beleidsopvattingen, maar die zijn daarmee zodanig verweven dat het niet mogelijk is deze te scheiden. Het los publiceren van die kale feiten, zou een misleidend beeld geven, omdat de context noodzakelijk is om de feiten te begrijpen.
3.5
Volgens het college staat ook het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in de weg aan openbaarmaking. Die uitzonderingsgrond staat in artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Het gaat bij deze documenten om persoonsgegevens die (indirect) te herleiden zijn tot een persoon of derden. De gevraagde correspondentie bevat persoonsgegevens van ambtenaren en externen. Openbaarmaking kan leiden tot ongeoorloofde blootstelling van personen. Het college voegt daaraan toe dat er een wettelijke grondslag ontbreekt voor verwerken als bedoeld in artikel 6 van de AVG. Er is geen toestemming van de intern betrokkenen, omdat zij het rapport en de overige informatie op dit moment zelf nog niet hebben ingezien.

4. Gronden
4.1
Eiser heeft aangevoerd dat het college ten onrechte – in afwijking van het advies van de commissie – heeft geweigerd om de gevraagde documenten op grond van de Woo openbaar te maken.
4.2
Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiser aangevoerd dat het college nooit een inventarislijst heeft overgelegd van de stukken, waardoor het niet bekend is welke documenten er zijn. Het college heeft zich ook gerealiseerd dat het Woo-verzoek van eiser niet goed is behandeld, omdat een nadere zoekslag heeft plaatsgevonden.
4.3
Daarnaast blijkt uit het advies van de commissie dat het college niet in redelijkheid het volledige conceptrapport heeft kunnen weigeren, omdat het ook veel feitelijke informatie bevat (bijvoorbeeld het voorwoord). Het college heeft niet aangetoond dat het goed functioneren van de overheid in geding komt. Waar in crisissituaties het goed functioneren van openbaarmaking van informatie nog in de weg kan staan, is voorstelbaar dat na verloop van tijd de situatie in rustiger vaarwater is beland en dit leidt tot een ander resultaat na weging van het belang van openbaarheid tegen het belang van het goed functioneren. De school is gebouwd en kinderen krijgen er les. Niets wijst er concreet op dat er inmiddels geen rustiger vaarwater is. Er is sprake van onderhandelingen, maar waar die over gaan en in hoeverre het openbaar maken van feitelijke informatie daar een gevaar voor is, wordt niet gemotiveerd. Verder kan het anonimiseren van bepaalde stukken voorkomen dat het herleid wordt naar bepaalde personen. Eiser verwijst ook naar overweging 7.3 van een uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2024.

5. Zoekslag
5.1
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat een volledige en zorgvuldige zoekslag heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het Woo-verzoek van eiser. Het college heeft daarom onvoldoende inzichtelijk gemaakt van welke documenten het college openbaarmaking geheel weigert en op welke weigeringsgrond dit per document is gebeurd.
5.2
Een Woo-verzoek activeert een onderzoeksplicht voor het bestuursorgaan. Bij het beoordelen van een Woo-verzoek, moet een zoekslag plaatsvinden naar alle documenten die binnen de omvang van dat Woo-verzoek vallen. Een bestuursorgaan moet volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt. Vervolgens moet per document of onderdeel van een document gemotiveerd worden op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Van deze verplichting kan het college alleen afzien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen.
5.3
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat een volledige en zorgvuldige zoekslag heeft plaatsgevonden. Uit het bestreden besluit blijkt dat de volgende documenten binnen de omvang van het Woo-verzoek vallen: het conceptrapport en ‘alle niet openbare documenten en andere informatiedragers (appjes, mails, etc’) hieromtrent’. In het bestreden besluit heeft het college omschreven welke zoekslag heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het Woo-verzoek. Het college heeft echter op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt welke documenten bij die zoekslag zijn aangetroffen. Het primair besluit en het bestreden besluit bevatten geen inventarislijst van die ‘overige documenten’ en het college heeft ook niet in een andere vorm toegelicht welke documenten het betreft. Dat het bestreden besluit ook expliciet betrekking heeft op ‘overige informatie’ impliceert wel dat uit de initiële zoekslag is gebleken dat er naast het conceptrapport meer documenten waren die binnen de omvang van het Woo-verzoek vallen. In het verweerschrift van 8 september 2025 heeft het college ook aan de rechtbank medegedeeld dat naar aanleiding van het beroepschrift een nadere zoekslag heeft plaatsgevonden. Bij die zoekslag zijn 33.000 documenten gevonden. Door het ontbreken van een inventarislijst of toelichting in andere vorm is door het college niet inzichtelijk gemaakt van welke documenten het college openbaarmaking geheel weigert en op welke weigeringsgrond dit per document is gebeurd.

6. Het conceptrapport
6.1
De rechtbank is van oordeel dat het college ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij het verzoek om openbaarmaking van het conceptrapport kon weigeren op grond van de door het college genoemde uitzonderingsgronden. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
6.2
De rechtbank stelt daarbij voorop dat het college relatieve uitzonderingsgronden aan de weigering ten grondslag heeft gelegd. Als een relatieve uitzonderingsgrond van toepassing is, dan moet het bestuursorgaan het in die uitzonderingsgrond genoemde belang afwegen tegen het belang van openbaarheid. Alleen als de bescherming van dat belang zwaarder weegt dan het algemeen belang van openbaarheid, dan mag het bestuursorgaan de relatieve uitzonderingsgrond toepassen. Het uitgangspunt dat informatie openbaar is, weegt daarbij zwaar.
6.3
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt daarnaast dat een bestuursorgaan in beginsel per onderdeel van een document moet motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Een bestuursorgaan kan daarvan afzien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende per onderdeel van het conceptrapport gemotiveerd op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Het college heeft integraal geweigerd om het conceptrapport openbaar te maken op grond van de in overweging 3 genoemde weigeringsgronden. Het college heeft niet gemotiveerd welke weigeringsgronden specifiek ten grondslag zijn gelegd aan de verschillende alinea’s of onderdelen binnen het intern auditrapport. De rechtbank is niet gebleken dat dit zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen.
6.4
Artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo
6.4.1
In artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo staat dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
6.4.2
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij het verzoek om openbaarmaking van het conceptrapport kon weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze weigeringsgrond kan worden ingeroepen bij (interne disciplinaire) onderzoeken van overheidsinstanties. Bij een dergelijk onderzoek is vertrouwelijkheid noodzakelijk om de feiten boven water te krijgen. Denkbaar is echter volgens de Afdeling dat de openbaarmaking slechts tijdelijk het goed functioneren van de overheid belemmert. Niet valt in te zien waarom het functioneren van de gemeente nog in het geding is nadat het onderzoek waarop het document ziet, zich in een vergevorderd stadium bevindt, of zelfs is afgerond. Deze uitzonderingsgrond kan ook niet worden ingeroepen om misstanden als zodanig te verbloemen of met het argument dat openbaarmaking leidt tot verlies van vertrouwen in de overheid bij het publiek. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de inhoud het conceptrapport. Het rapport is opgesteld met de bedoeling om het college te informeren over de procesgang omtrent de omgedraaid gebouwde school. Omdat sprake is van een conceptrapport, kan worden aangenomen dat het onderzoek ten tijde van het primair besluit in een vergevorderd stadium was. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat het college dat in de belangenafweging heeft laten meewegen en op welke wijze dat is gebeurd. Het college heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom dit belang redelijkerwijs zwaarder weegt dan het zwaarwegende belang bij openbaarmaking van stukken.
6.5
Artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo
6.5.1
Uit artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo volgt dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van de gemeente.
6.5.2
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij het verzoek om openbaarmaking van het conceptrapport kon weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze relatieve uitzonderingsgrond kan worden toegepast ter bescherming van informatie die privaatrechtelijke rechtsverhoudingen negatief kan beïnvloeden. Bij privaatrechtelijke verhoudingen kan gedacht worden aan aanbestedingen of andere onderhandelingen tussen de overheid en derden. Op deze uitzonderingsgrond kan dus door het college een beroep worden gedaan, vanwege de onderhandelingspositie van de gemeente. Onder omstandigheden kan eveneens de onderhandelingspositie van het bestuursorgaan in de toekomst reden zijn om deze uitzonderingsgrond van toepassing te achten. Dat kan het geval zijn als uit de verzochte informatie kan worden afgeleid hoe dat bestuursorgaan zich tijdens onderhandelingen opstelt en onder welke voorwaarden het bereid is te contracteren. Het college schrijft in het bestreden besluit in zijn algemeenheid dat het rapport analyses, conclusies en aanbevelingen bevat die de gemeente kwetsbaar maken in onderhandelingen. Het college heeft daarmee echter naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende specifiek gemotiveerd welk soort informatie uit het rapport de onderhandelingspositie van het college (in de toekomst) kan schaden en op welke wijze dat zou kunnen gebeuren. Het college heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom dit belang redelijkerwijs zwaarder weegt dan het zwaarwegende belang bij openbaarmaking van stukken.
6.6
Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo
6.6.1
In artikel 5.2, eerste lid, van de Woo staat: in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
6.6.2
Het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee dit is opgesteld. Degene die het document heeft opgesteld moet de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Ook documenten die afkomstig zijn van externe derden, kunnen worden aangemerkt als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad indien de documenten met dat oogmerk zijn opgesteld. Het interne karakter van het beraad komt evenwel te vervallen wanneer daaraan het karakter van advisering of gestructureerd overleg moet worden toegekend.
6.6.3
De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud het conceptrapport. De rechtbank stelt vast dat het conceptrapport is opgesteld met de bedoeling om alleen gebruikt te worden door de college en zijn ambtenaren. Het rapport is dus opgesteld voor intern beraad.
6.6.4
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient een bestuursorgaan per zelfstandig onderdeel van een document voor intern beraad met informatie over een bepaalde bestuurlijke aangelegenheid, zoals alinea’s, te bezien of dit zelfstandig onderdeel persoonlijke beleidsopvattingen bevat en, wanneer in de opvattingen informatie van feitelijke aard is opgenomen, of de persoonlijke beleidsopvattingen zodanig met deze feitelijke gegevens zijn verweven dat deze niet zijn te scheiden. In geval van verwevenheid mag in beginsel het betrokken onderdeel van het document worden geweigerd op grond van de hier toegepaste uitzonderingsgrond. Een bestuursorgaan hoeft niet binnen een zelfstandig onderdeel van een document per zin of zinsdeel te bepalen of verwevenheid een weigering kan rechtvaardigen.
6.6.5
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat op grond van deze weigeringsgrond kon worden geweigerd om het conceptrapport in zijn geheel openbaar te maken. Het college heeft niet per alinea (eventueel per paragraaf) gemotiveerd waarom sprake is van een persoonlijke beleidsopvatting of een deel waarin geen persoonlijke beleidsopvatting is opgenomen. Delen zonder persoonlijke beleidsopvattingen kunnen niet alleen feiten zijn, maar volgens artikel 5.2, eerste lid, van de Woo ook: prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. Daarnaast heeft het college ook alleen gesteld, maar niet onderbouwd, waarom de feitelijke gegevens in het conceptrapport zodanig zijn verweven met daarin ook opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen dat het niet mogelijk is om deze te scheiden. Hoewel de rechtbank geen dergelijke uitzonderingsgrond terugleest in de Woo, heeft het college verder op geen enkele wijze toegelicht of inzichtelijk gemaakt, waarom een misleidend beeld zou ontstaan door openbaarmaking van delen van het conceptrapport.
6.7
Artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo
6.7.1
In artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo staat dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
6.7.2
De rechtbank is van oordeel dat het college ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij het verzoek om openbaarmaking van het intern audit rapport kon weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan in het geding komen als persoonsgegevens openbaar worden gemaakt. Het begrip persoonsgegeven strekt zich potentieel uit tot elke soort informatie, zowel objectieve als subjectieve informatie die de betrokkene betreft. Van dat laatste is sprake als de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een natuurlijk persoon. De rechtbank stelt vast dat het conceptrapport weinig persoonsgegevens bevat. Het college heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat openbaarmaking van het intern auditrapport integraal kon worden geweigerd en waarom niet volstaan kon worden met het onleesbaar maken (weglakken) van deze persoonsgegevens. Het college heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom dit belang redelijkerwijs zwaarder weegt dan het zwaarwegende belang bij openbaarmaking van stukken.

7. Conclusie
7.1
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan het college is om opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding, alleen al vanwege de laatst verrichte zoekslag waarbij naar de mededeling van het college 33.000 documenten zijn gevonden, om een bestuurlijke lus toe te passen. Een bestuurlijke lus zou geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze inhouden. Het college dient opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank geeft partijen in overweging om met elkaar in gesprek te gaan nu de beoordeling van de forse hoeveelheid documenten waarschijnlijk een grote hoeveelheid tijd en kosten met zich meebrengt en het eiser alleen of vooral te doen is om het conceptrapport.
7.2
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Eiser heeft niet verzocht om vergoeding van proceskosten.
De beslissing <?linebreak?>
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 11 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wettelijk kader
Wet open overheid (Woo)

Artikel 4.1, eerste lid, van de Woo

Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.

Artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo

Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter.

Artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo

Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo

Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.

Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo

In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 januari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:237.

Artikel 4.1, eerste lid, van de Woo.

Artikel 2.1 van de Woo.

Artikel 4.1, derde lid, van de Woo.

ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2096 (Conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel), r.o. 4.8.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 december 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8835.

ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367, r.o. 5.1.

ABRvS 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1497 r.o. 7.2.

ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:488, r.o. 6.

ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2096 (Conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel), r.o. 4.8 en ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:488, r.o. 6.

ABRvS 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1497, r.o. 7.2.

Kamerstukken II 2019/2020, 35112, p. 48 en 49 en ABRvS 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2699, r.o. 5.4.

Kamerstukken II 2011/2012, 33328, 3, p. 46.

ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2982, r.o. 12.

ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2550, r.o. 4.1, ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:348, r.o. 11.1 en 11.2.

ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870, r.o. 3.3.

ABRvS 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4752, r.o. 4.1 en 4.2.

Artikel delen