ECLI:NL:RBOVE:2026:3588
Rechtbank Overijssel 25 juni 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBOVE:2026:3588
text/xml
public
2026-06-25T15:20:49
2026-06-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Overijssel
2026-06-25
08.047266.25 (P)
Uitspraak
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Zwolle
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3588
text/html
public
2026-06-25T14:58:27
2026-06-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:3588 Rechtbank Overijssel , 25-06-2026 / 08.047266.25 (P)
De rechtbank veroordeelt een 45-jarige man tot een gevangenisstraf van zes maanden. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 109.335,--.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.047266.25 (P)
Datum vonnis: 25 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats],
verblijvende aan de [adres].
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 22 mei 2026 en 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K. Kok, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte met (een) ander(en) in de periode van 30 augustus 2024 tot en met 20 oktober 2024 een bedrag van € 109.335,-- heeft witgewassen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op/in of omstreeks de periode van 30 augustus 2024 tot en met 20 oktober 2024,
te Zwolle, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (meermalen)
(van) een of meerdere geldbedragen, (welke zijn overgemaakt naar een
bankrekening op zijn naam) te weten tot in totaal ongeveer 109.335 euro,
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die
voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden
had(den) en/of
(meermalen)
een of meerdere geldbedragen, (welke zijn overgemaakt naar een bankrekening op
zijn naam) te weten tot in totaal ongeveer 109.335 euro,
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,
en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs
moest(en) vermoeden dat/die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, maar dat verdachte moet worden vrijgesproken van het bedrag van € 109.335,--. Een of meerdere geldbedragen kan wel worden bewezen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft bekend dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Tijdens de zitting is – met uitzondering van het hierna te bespreken onderdeel van de tenlastelegging - door hem of zijn raadsman geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt daarom op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
de (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 22 mei 2026;
het proces-verbaal van bevindingen van 13 mei 2025 (pagina’s 1729 tot en met 1755).
Voorhanden hebben van € 109.335,--
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op de bankrekening met nummer [rekeningnummer] in de periode van 30 augustus 2024 tot en met 20 oktober 2024 1606 Tikkiebetalingen zijn binnengekomen, met een totaalbedrag van € 109.335,--. Deze bankrekening stond op naam van verdachte en ook de bijhorende bankpas had verdachte voorhanden. Daarmee had verdachte toegang tot het volledige bedrag op de bankrekening en dus heeft hij € 109.335,-- voorhanden gehad.
Opzetwitwassen
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij voor een ander een bankrekening heeft geopend. Verdachte moest het geld dat op deze bankrekening binnenkwam pinnen voor een ander en kreeg hier € 50,-- per transactie voor. Op de door verdachte geopende rekening is vervolgens een bedrag van € 109.335,-- binnengekomen, dat verdachte deels contant heeft opgenomen en deels heeft vergokt. Verdachte heeft verklaard dat hij de keuze heeft gemaakt om geen vragen te stellen naar de reden waarom hij deze handelingen voor een ander moest verrichten. Gelet op deze feiten is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn bankrekening voor criminele doeleinden werd gebruikt en heeft die kans ook op de koop toe genomen. Door het beschikbaar stellen van zijn bankrekening aan anderen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzetwitwassen. Daarmee is het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 30 augustus 2024 tot en met 20 oktober 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, (van) meerdere geldbedragen, (welke zijn overgemaakt naar een bankrekening op zijn naam) te weten in totaal ongeveer 109.335 euro,
- heeft verworven en voorhanden heeft gehad, heeft omgezet,
en
- gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat de geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: medeplegen van witwassen.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 2.500,--, bij niet te betalen te vervangen door 25 dagen hechtenis.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op te leggen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van het gepleegde feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 109.335,--. Verdachte heeft zijn bankrekening aan anderen ter beschikking gesteld, zodat daar van misdrijf afkomstige geldbedragen op gestort konden worden. Het geld is vervolgens gedeeltelijk door verdachte contant gemaakt door het te pinnen, waar verdachte een vergoeding voor ontving. Ook heeft verdachte een deel van het geld vergokt. Door het handelen van verdachte is de integriteit van en het vertrouwen in het financiële en economische verkeer aangetast. Daarnaast draagt witwassen bij aan de instandhouding van criminaliteit. Immers, het dekt de onderliggende strafbare feiten af en faciliteert andere – winstgevende – vormen van criminaliteit. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft in strafverzwarende zin acht geslagen op het strafblad van verdachte van 3 april 2026, waaruit volgt dat verdachte meermaals voor vermogens- en geweldsdelicten is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van
28 oktober 2025 en van wat verdachte op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verteld. Verdachte komt financieel rond van een persoonsgebonden budget, dat hij ontvangt omdat hij samen met zijn ex-partner zorg verleent aan zijn 23-jarige zoon. Het lukt verdachte niet altijd om hiervan rond te komen. Bij verdachte is sprake van problematisch gokgedrag. De reclassering adviseert interventies ten aanzien van de financiële situatie en het gokgedrag van verdachte. Omdat verdachte betrokkenheid bij een crimineel netwerk ontkent, ziet de reclassering geen andere interventiemogelijkheden.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de strafmaat rekening gehouden met straffen die rechters in soortgelijke strafzaken opleggen en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van fraude. Bij een benadelingsbedrag van tussen de € 70.000,-- tot € 125.000,-- is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot negen maanden of een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en slechts in beperkte mate verantwoordelijkheid heeft genomen voor het door hem gepleegde feit.
De rechtbank zal, alles afwegende, aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde boete op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 47 en 420bis Sr.
8De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: medeplegen van witwassen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. J. de Ruiter en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Drent, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
Buiten staat
mr. G.H. Meijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Indien hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, districtsrecherche IJsselland, genaamd Beagle/ON1R024011. Er wordt steeds verwezen naar documenten/bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, tenzij hieronder anders wordt vermeld.