Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:3457

Rechtbank Overijssel 19 juni 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:3457 text/xml public 2026-06-19T12:00:31 2026-06-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-06-17 C/08/340747 / HA ZA 25-393 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3457 text/html public 2026-06-18T13:55:22 2026-06-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:3457 Rechtbank Overijssel , 17-06-2026 / C/08/340747 / HA ZA 25-393
Bestuurdersaansprakelijkheid
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/340747 / HA ZA 25-393

Vonnis van 17 juni 2026

in de zaak van

mr. MAARTEN WEVERS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] B.V. (hierna te noemen [bedrijf] of failliet),

kantoorhoudende te Apeldoorn,

eisende partij,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. M. Kauffmann,

tegen
<nr>1</nr> [gedaagde 1] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ,2. [gedaagde 2] (E/V [gedaagde 2] ),

te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna te noemen: de bestuurders dan wel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,

advocaat: mr. L.A.M. Stortelder.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 oktober 2025,

- de akte overlegging producties van eiser met producties 1 t/m 30,- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 8,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte overlegging producties van eiser met producties 31 t/m 46,

- de producties 9 t/m 19 van gedaagden

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 april 2026, met aangehecht de spreekaantekeningen van beide partijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>Waar de zaak over gaat
Deze zaak gaat over bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement. Gedaagden zijn de bestuurders van een zorgonderneming die failliet is gegaan. De curator spreekt de bestuurders primair aan uit hoofde van artikel 2:248 BW en vordert (onder andere) een verklaring voor recht dat de bestuurders aansprakelijk zijn voor de schulden van de failliet. De curator stelt dat de bestuurders niet hebben voldaan aan de administratieplicht als bedoeld in artikel 2:10 BW en aan de publicatieplicht. De rechtbank wijst de vorderingen toe en motiveert dat oordeel als volgt.
<nr>3</nr>De feiten 3.1.
Bij vonnis van 26 augustus 2024 is [bedrijf] B.V. in staat van faillissement verklaard door de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, met aanstelling van mr. Wevers tot curator. In dit vonnis is de verdere behandeling van het faillissement overgedragen aan de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem.
3.2.
Vanaf haar oprichting op 28 juni 2022 werd [bedrijf] B.V. bestuurd door [gedaagde 1] B.V.. De enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] B.V. is [gedaagde 2] .
3.3.
[bedrijf] B.V. exploiteerde tot haar faillissement een zorgonderneming, gericht op zorgverlening onder de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De zorg werd verleend in opdracht van verschillende gemeentes.
3.4.
Acht van deze gemeentes (Apeldoorn, Brummen, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Voorst, Zutphen) traden gezamenlijk als opdrachtgever op onder de naam ‘Zorgregio Midden-IJssel/Oost Veluwe (hierna: de Zorgregio). De Zorgregio was een belangrijke opdrachtgever van [bedrijf] B.V. De Zorgregio heeft toezichthouders aangewezen om toezicht te houden.
3.5.
Ten behoeve van de uitvoering van de zorgverlening heeft de Zorgregio met [bedrijf] B.V. een raamovereenkomst gesloten. Op de raamovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Sociaal Domein (hierna: Algemene Voorwaarden) van toepassing.
3.5.1.
Onder de begripsbepalingen in artikel 1 van de Algemene Voorwaarden is een omschrijving opgenomen van het begrip ‘ernstige fout’:

Een handeling welke toeziet op onrechtmatig gedrag die invloed heeft op de professionele

geloofwaardigheid van de betrokken opdrachtnemer (de organisatie) én voor zover

dat gedrag wijst op kwade opzet of bewuste dan wel verwijtbare nalatigheid van een zekere

ernst.
3.5.2.
In artikel 3.2 lid 2 van de Algemene Voorwaarden is bepaald dat de overeenkomst kan worden ontbonden door de opdrachtgever indien: (…) b.Opdrachtnemer niet meer voldoet aan de geschiktheidseisen en vereisten zoals geformuleerd in de voorgaande artikelen, (…), f. De opdrachtnemer een ernstige fout maakt.
3.5.3.
In artikel 2.4 ‘Financiële Kwaliteitseisen’ onder lid 5 van de Algemene Voorwaarden staat:

Opdrachtnemer voert een deugdelijke administratie en goede registratie, waarbij in ieder geval inkomsten, uitgaven, verplichtingen, cliëntdossiers en verantwoording te herleiden zijn naar bron en bestemming.
3.5.4.
In artikel 4.2.4 ‘Administratieve Vereisten’ onder lid 1 en 2 van de Algemene Voorwaarden staat:

1. Opdrachtnemer registreert de uitgevoerde werkzaamheden per cliënt op een wijze die

past bij zijn bedrijfsvoering en die past bij de tarief-eenheid zoals opgenomen in de

overeenkomst behorende bij de gecontracteerde dienstverlening.

2. Opdrachtnemer creëert uit deze registratie van uitgevoerde werkzaamheden op navolgbare en controleerbare wijze de declaratie met de in de gecontracteerde dienstverlening genoemde productcodes welke naar opdrachtgever wordt verstuurd.

(…)
3.6.
Aan het begin van 2024 hebben de toezichthouders van de Zorgregio een onderzoek uitgevoerd naar de rechtmatigheid van de geleverde zorg door [bedrijf] B.V. over de periode januari 2021 tot en met december 2023. Op 15 mei 2024 is het rapport van dit onderzoek verschenen.
3.6.1.
Op pagina 10 van het rapport staat:

Ernstige fout

(…)

Uit het rechtmatigheidsonderzoek is naar voren gekomen dat er structureel opvallende en naar mening van toezicht ernstige onvolkomenheden bestaan bij de ingediende declaraties. Zo zijn er declaraties op naam van meerdere ex-medewerkers ingediend, welke hebben verklaard daar niet van af te weten en welke de handtekeningen die aanbieder in de contracten van hen heeft overlegd, niet als van zichzelf herkennen. Ook zijn er jarenlang declaraties in bulk aangeleverd, die niet (meer) herleidbaar zijn. Wat die bulkdeclaraties betreft, is het voor toezicht niet mogelijk om te achterhalen of die gedeclareerde zorg wel of niet is geleverd. Aanbieder heeft dat voor zeker een vijftal cliënten zelf ook niet meer inzichtelijk kunnen maken. Het voornoemde heeft een zodanige negatieve invloed op de professionele geloofwaardigheid van aanbieder, dat het standpunt dat er sprake is van een ernstige fout, naar de mening van toezicht houdbaar en proportioneel is.

Desondanks zal toezicht de passage over de ernstige fout in hoofdstuk 5 van het conceptrapport waar de advocate van aanbieder op wijst, verwijderen uit het definitieve rapport. Toezicht vindt het zeer belangrijk dat iedere schijn van vooringenomenheid wordt voorkomen en zal de formulering in het advies wijzigen. Het advies zal een meer open karakter krijgen. Het oordeel of er al dan niet sprake is van een ernstige fout in de zin van annex 1 (pagina 3) behorende bij de raamovereenkomst, zal verder worden overgelaten aan de gemeenten, welke gezamenlijk zullen beslissen welke gevolgtrekking zij naar aanleiding van het rechtmatigheidsonderzoek passend achten.
3.6.2.
Onder het kopje Conclusies, op pagina 12 van het rapport staat:

Conclusies met betrekking tot registratie en declaratie

• Het totaal aan onterechte of niet rechtmatig ingediende en gedeclareerde uren is 2.453 en

heeft een declaratiewaarde van € 178.876.

De specificatie hiervan is opgenomen in bijlage F1.

• Toezicht stelde vanuit de detailcontrole op 11 cliënten vast dat de aanbieder no-show uren en indirecte cliënttijd declareerde bij de gemeenten in de Zorgregio. Het totaal aan onrechtmatige gedeclareerde cliënturen bedroeg bijna 275 uur en vertegenwoordigt een declaratiewaarde van € 18.742. De aanbieder heeft hierdoor niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.3 en 6.4 van de raamovereenkomst. Omdat het hier gaat om een detailcontrole van slechts 11 Wmo cliënten, sluit toezicht niet uit dat de correctiewaarde op totaalniveau veel hoger uitvalt.

• Uit het onderzoek van toezicht blijkt verder dat de aanbieder de cliënturen in een flink aantal gevallen bewust achteraf gecorrigeerd heeft en vervolgens teruggeboekt heeft op andere momenten in het jaar. Dit verplaatsen van uren zorgde ervoor dat de declaratie alsnog geaccepteerd werd en/of deze uren alsnog vergoed werden op een eerdere indicatie. Toezicht acht dit in strijd met de voorwaarden en herleidbaarheid van de uren zoals aangegeven in artikel 2.4 lid 5 Annex 1.

• Toezicht acht het zeer aannemelijk dat de bestuurder bewust cliënturen heeft geboekt op

naam van verschillende voormalig zzp’ers die voor een korte tijd werkzaam zijn geweest voor de organisatie. Het totaal aan onrechtmatige gedeclareerde cliënturen bedroeg 2.178 uur en vertegenwoordigt een declaratiewaarde van € 160.134. Toezicht heeft dit vast kunnen stellen aan de hand van onderzoek naar de registratie, de autorisatie en logboek van het cliëntsysteem ONS en interviews met 5 voormalig zzp’ers en 1 ex-medewerker. Toezicht acht dit in strijd met de voorwaarden en herleidbaarheid van de uren zoals aangegeven in artikel 2.4 lid 5 Annex 1.

• Drie voormalig ingezette zzp’ers verklaarden in een interview zich niet te herkennen in het

opgestelde zzp-contract die door aanbieder aan de toezichthouders was verstrekt. Ze gaven

aan dat de handtekening die op het contract staat, niet van henzelf is. Toezicht heeft sterke

vermoedens van mogelijk vervalsing van deze handtekeningen (bijlagen C5, C6 en C7).

• Toezicht stelde vast dat er door de aanbieder aan Wmo-cliënten onterecht een vorm van

behandeling geboden wordt, namelijk PMT (Psychomotorische therapie). Voor het geven van therapie geldt een andere wettelijke grondslag en financieringsvorm dan de Wmo; meestal is dit de Zorgverzekeringswet. De door de aanbieder uitgevoerde en gedeclareerde uren voor PMT-behandelingen aan cliënten met een Wmo-indicatie zijn derhalve niet rechtmatig. Het zonder gemeentelijke toestemming en zonder benodigde doorverwijzing geven van behandelingen aan Wmo-cliënten is in strijd met de Wmo 2015, waardoor aanbieder in strijd heeft gehandeld met artikel 2.3 lid 1 Annex 1.
3.7.
Bij brief van 18 juni 2024 van de Zorgregio aan [gedaagde 2] heeft de Zorgregio namens de deelnemende gemeenten de raamovereenkomst met [bedrijf] B.V ontbonden. In de brief staat dat de gemeenten daartoe zijn overgegaan op basis van de conclusies uit het rechtmatigheidsonderzoek van de Zorgregio.
3.7.1.
In de brief staat daarover onder andere: (…) Uit het rechtmatigheidsonderzoek is gebleken dat u ten aanzien van het registreren en declareren van zorguren, structureel in strijd heeft gehandeld met artikel 2.4 lid 5 van Annex 1 Algemene Voorwaarden Sociaal Domein (hierna: annex 1) behorende bij de raamovereenkomst. (…)
3.7.2.
En verderop in de brief staat: (…) Zoals gezegd is het van het grootste belang om alleen met professionele en integere aanbieders samen te werken. De conclusies uit het rapport van de regionale toezichthouders zijn zodanig ernstig, dat wij van mening zijn dat de professionele geloofwaardigheid van [bedrijf] niet langer kan worden gegarandeerd.

De voornoemde gebreken en gedragingen leiden, zeker in samenhang met elkaar, tot de conclusie dat ontbinding van de raamovereenkomst is gerechtvaardigd. Gezien wij van mening zijn dat u meermalen een ernstige fout (zoals omschreven op pagina 3 van annex 1 behorende bij de raamovereenkomst) heeft begaan door structureel niet herleidbare en

onrechtmatige declaraties in te dienen, ontbinden wij de gehele raamovereenkomst met onmiddellijke ingang. Daarvoor maken wij gebruik van onze bevoegdheid uit artikel 3.2 lid 2 onder b en (in het bijzonder) onder f van annex 1 behorende bij de raamovereenkomst. (…)
3.8.
[bedrijf] heeft een kortgedingprocedure aangespannen tegen de gemeenten van de Zorgregio met de insteek om de gevolgen van de ontbinding van de raamovereenkomst, waaronder de overdracht van cliënten naar andere zorgverleners en de publicatie van een persbericht, ongedaan te maken. Bij vonnis van 23 juli 2024 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland zijn de vorderingen van [bedrijf] B.V. afgewezen.
3.9.
[bedrijf] B.V. leverde ook zorg aan cliënten uit de gemeente Arnhem. Toezichthouders van de gemeente Arnhem hebben eveneens een rechtmatigheidsonderzoek uitgevoerd naar [bedrijf] B.V. Aanleiding voor het onderzoek was: een melding over een opvallende toewijzing en uitnutting van deze toewijzing. Over de periode 1 maart 2023 tot en met 20 oktober 2023 zou er voor € 771.000 zijn gedeclareerd.

Het betrof een toewijzing voor 7 dagen per week, 24 uur per dag, 60 minuten per uur voor zowel het product Specialistische Begeleiding (45J61) als Behandeling A2 (45J22) bij één unieke cliënt. De toewijzing zou volledig zijn uitgenut. Het onderzoek van de gemeente Arnhem heeft betrekking op de declaraties van [bedrijf] B.V. in de periode 1 januari 2023 tot en met 27 augustus 2024. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode oktober 2024 tot en met maart 2025. Het concept rapport is uitgebracht op 14 mei 2025 en het definitieve rapport is van 8 april 2026. Aan het eind van het rapport adviseren de toezichthouders aan de gemeente Arnhem om de door [bedrijf] B.V. gedeclareerde en aan haar uitbetaalde zorg terug te vorderen. In het rapport staat daarover (op pagina 20): Toezichthouders kregen geen duidelijkheid in hoeverre de zorg geleverd werd en hoe deze zorg er uitzag. En of eventueel geleverde zorg werd uitgevoerd door daarvoor gekwalificeerde medewerkers. Gevraagde gegevens werden hiervoor niet aangeleverd door de curator of de bestuurder van [bedrijf] .

Voor toezichthouders staat vast dat deze (mogelijke geleverde) prestaties daarmee niet voldeden aan de overeengekomen opdracht en bijbehorende voorwaarden. Om deze reden kennen toezichthouders aan deze (mogelijke) prestaties geen waarde toe. Als gevolg hiervan leverde [bedrijf] een wanprestatie ten opzichte van de gemeente Arnhem en bracht [bedrijf] op onrechtmatige wijze uren in rekening bij de gemeente Arnhem. Toezichthouders adviseren daarom het door [bedrijf] ten onrechte ontvangen bedrag terug te vorderen.
3.10.
In een brief van 25 juni 2025 van 23 pagina’s aan de bestuurders heeft de curator zijn bevindingen betreffende het faillissement uiteengezet en heeft hij de bestuurders aansprakelijk gesteld op grond van artikel 2:248 BW en op grond van artikel 2:9 BW en 6:162 BW. Tevens heeft de curator vragen gesteld aan de bestuurders en zijn ontbrekende stukken opgevraagd. De bestuurders hebben voorafgaand aan deze procedure niet gereageerd op de brief van de curator.
3.11.
Voorafgaand aan deze procedure heeft de curator, na toestemming van de voorzieningenrechter van 24 juni 2025, conservatoir beslag doen leggen. Het betreft een beslag op de woning waarvan [gedaagde 2] voor de helft eigenaar is. Daarnaast is derdenbeslag gelegd onder ING, ten laste van [gedaagde 2] . En er is derdenbeslag gelegd onder Univé Stad en Land B.V. en HDI Global Specialty SE in verband met een verzekering voor bestuurdersaansprakelijkheid die [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] bij of via deze partijen heeft afgesloten.
3.12.
Op 17 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak verlengd met een termijn van 12 weken.
3.13.
De leden van de Raad van Toezicht van [bedrijf] hebben bij brief van 19 juli 2024 aan de directie van [bedrijf] meegedeeld dat zij hun functie per die datum neerleggen. Over de reden hiervan staat in de brief: (…)Ondanks diverse pogingen om tot een constructieve samenwerking te komen, hebben de omstandigheden ertoe geleid dat wij onze verantwoordelijkheden niet naar behoren kunnen vervullen. (…)
3.14.
De jaarrekening van [bedrijf] over het jaar 2022 is niet gedeponeerd. De jaarrekening over het jaar 2023 is op of omstreeks 5 augustus 2024 gepubliceerd op de website van het ministerie van VWS.
<nr>4</nr>Het geschil 4.1.
De curator vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,Primair:

voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk zijn voor alle schulden van [bedrijf] B.V., inclusief de faillissementskosten, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;

[gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om aan de curator een bedrag te betalen ter hoogte van de schulden in het faillissement van [bedrijf] - [bedrijf] B.V., voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

[gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om bij wege van voorschot op het faillissementstekort een bedrag van € 1.000.000,= althans enig ander in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening, dan wel enige andere in goede justitie te bepalen termijn;

Subsidiair,

4. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] hun taak als bestuurder van [bedrijf] B.V. kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld zoals bedoeld in artikel 2:9 BW dan wel jegens [bedrijf] B.V. onrechtmatig hebben gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW, en uit dien hoofde jegens de faillissementsboedel van [bedrijf] B.V. aansprakelijk zijn voor de schade die (de faillissementsboedel van) [bedrijf] B.V. daardoor heeft geleden;

5. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf] B.V. en uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de schade die de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf] B.V. daardoor hebben geleden;

6. [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om een schadevergoeding aan de curator te betalen, ten belope van de schade die (de faillissementsboedel van) [bedrijf] B.V. en/of de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf] - [bedrijf] B.V. hebben geleden door het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] en/of de onbehoorlijke taakvervulling van [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] in de zin van artikel 2:9 BW;

7. [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om bij wege van voorschot op deze schadevergoeding een bedrag van € 350.000,= althans enig ander in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2024 tot de dag van de algehele voldoening, dan wel enige andere in goede justitie te bepalen termijn;

8. voor recht te verklaren dat de curator de betalingen van [bedrijf] B.V. aan [gedaagde 1] B.V. van € 20.666,= op 26 juni 2024 en van € 10.333,= op 25 juli 2024 rechtsgeldig heeft vernietigd op grond van artikel 42 Fw dan wel artikel 47 Fw, alsmede [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot de betaling van € 30.999 aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;

9. [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot de betaling van € 1.312,84 ter vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van de curator;

Zowel Primair als Subsidiair,

10) Een bestuursverbod aan [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] op te leggen voor de duur van vijf jaar nadat het in deze procedure te wijzen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;

10) [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de beslagkosten, alsmede de proces- en nakosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 dagen na de betekening van het in deze te wijzen vonnis tot de dag van de algehele voldoening.
4.2.
[gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>5</nr>De beoordeling 5.1.
De besloten vennootschap met de naam [bedrijf] is opgericht in 2022. Daaraan voorafgaand had [gedaagde 2] een eenmanszaak met dezelfde naam. Sinds de oprichting van de B.V. werd het bestuur van [bedrijf] gevormd door [gedaagde 1] B.V. Deze laatste vennootschap werd bestuurd door [gedaagde 2] . [gedaagde 2] was dus middellijk bestuurder van [bedrijf] tot de datum van het faillissement. In deze procedure heeft de curator zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] gedagvaard. Zij zijn door de curator hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schulden in het faillissement.

Kennelijk onbehoorlijk bestuur volgens de wet, artikel 2:248 BW
5.2.
De curator heeft zijn primaire vorderingen gebaseerd op artikel 2:248 BW. In deze zaak is dus allereerst de vraag aan de orde of de bestuurders (indirect via artikel 2:11 BW) op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het tekort in het faillissement van [bedrijf] B.V. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat in geval van faillissement van de vennootschap elke bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Op grond van artikel 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid (op zijn beurt) bestuurder is van deze rechtspersoon-bestuurder. In het tweede lid is bepaald dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW, het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld (een onweerlegbaar vermoeden) en dat wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (een weerlegbaar vermoeden). Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen (laatste zin tweede lid). Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (derde lid). De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld (vierde lid). Is de omvang van het tekort nog niet bekend, dan kan de rechter bepalen dat van het tekort tot betaling waarvan hij de bestuurders veroordeelt een staat wordt opgemaakt (vijfde lid). De vordering kan slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement (zesde lid).

Onbehoorlijk bestuur in dit geval?
5.3.
De curator stelt in deze procedure dat de bestuurders van [bedrijf] de verplichtingen uit artikel 2:10 BW (administratieplicht) en 2:394 BW (deponeren jaarrekening) hebben geschonden. Volgens artikel 2:248 BW hebben de bestuurders hun taak in dat geval onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Volgens de curator is onbehoorlijk bestuur van de bestuurders van [bedrijf] in dit geval, zelfs los van het bewijsvermoeden, aan te wijzen als een belangrijke oorzaak van het faillissement van [bedrijf] . De curator stelt dat dit volgt uit de feiten en omstandigheden die naar voren zijn gekomen in onder andere het rapport van de Zorgregio.
5.4.
De bestuurders betwisten in deze procedure dat zij de bedoelde verplichtingen hebben geschonden, dat er sprake zou zijn van onbehoorlijk bestuur en dat dit de oorzaak van het faillissement zou zijn. De oorzaak voor het faillissement is volgens de bestuurders gelegen in het handelen van de Zorgregio. Volgens de bestuurders heeft de Zorgregio ten onrechte de raamovereenkomst met [bedrijf] ontbonden en heeft dat geleid tot het faillissement.
5.5.
De rechtbank overweegt het volgende, te beginnen met de administratieplicht.

Administratieplicht
5.6.
De curator heeft onder verwijzing naar de bevindingen van de toezichthouders betoogd dat de administratie van [bedrijf] niet voldeed aan artikel 2:10 BW. Volgens de curator is daarbij relevant dat [bedrijf] zorg verleende onder de Jeugdwet en de Wmo en dat deze zorg werd gefinancierd met gemeenschapsgeld. In dat kader stelde (onder meer) de Zorgregio contractuele eisen aan de administratie van [bedrijf] . De curator betoogt dat de contractuele normen uit de raamovereenkomst gelet op de aard van de onderneming als zorgverlener en het karakter van de inkomsten (gemeenschapsgeld) meewegen bij de vraag of het bestuur van [bedrijf] aan haar verplichting uit artikel 2:10 BW heeft voldaan. De curator betoogt dat de bestuurders niet aan hun administratieplicht hebben voldaan en verwijst naar de rapportages van de toezichthouders, de verklaringen van oud-medewerkers, de uitspraak in kort geding en het feit dat concrete onderdelen van de administratie ontbreken.
5.7.
De bestuurders weerspreken dat zij niet aan hun administratieplicht hebben voldaan.

Volgens de bestuurders heeft de curator slechts blindelings het rapport van de Zorgregio gevolgd en heeft de curator onvoldoende een eigen onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak van het faillissement. Volgens de bestuurders voldeed de administratie weldegelijk aan de vereisten uit artikel 2:10 BW. Zij voeren aan dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de financiële administratie en de zorgadministratie. Die eerste was volgens hen in elk geval aanwezig. Ten aanzien van de zorgadministratie is volgens de bestuurders vooral van belang dat gedeclareerde zorg daadwerkelijk geleverd is, en zij stellen dat dit het geval is. De bestuurders hebben kritiek op het rapport van de Zorgregio omdat het geen onafhankelijk onderzoek betreft en omdat het onderzoek heeft ingezoomd op slechts 11 cliënten, terwijl de administratie van [bedrijf] een veel groter cliëntenbestand betrof. Verder voeren zij aan dat in deze procedure niet van belang is dat de voorzieningenrechter in het kort geding over de gevolgen van de ontbinding van de raamovereenkomst, is uitgegaan van de bevindingen van de Zorgregio, aangezien aan een vonnis in kort geding geen kracht van gewijsde toekomt.
5.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 2:10, eerste lid BW rust op het bestuur van een vennootschap de verplichting om op zodanige wijze administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de vennootschap kunnen worden gekend. Dit naar de eisen die voortvloeien uit de werkzaamheden. De bewaarplicht geldt gedurende zeven jaar (derde lid). Voor het antwoord op de vraag of de administratie voldoet aan de daaraan te stellen eisen, kunnen ook andere elementen van belang zijn dan de debiteuren- en crediteurenposities en de stand van de liquiditeiten.
5.9.
In dit geval speelt mee dat een belangrijk deel van de opdrachtgevers (de Zorgregio) specifieke afspraken heeft gemaakt met [bedrijf] over de administratie. Dit ter verantwoording van de door [bedrijf] gedeclareerde zorggelden, omdat de zorg werd gefinancierd met gemeenschapsgeld. In de raamovereenkomst met de Zorgregio en daarbij behorende Algemene Voorwaarden zijn in dat kader bepalingen opgenomen over de wijze van administreren. In artikel 2.4 lid 5 van de voorwaarden is opgenomen dat ‘inkomsten, uitgaven, verplichtingen, cliëntdossiers en verantwoording te herleiden zijn naar bron en bestemming’ (zie hiervoor onder 3.5.3) en in artikel 4.2.4 is opgenomen dat de administratie navolgbaar en controleerbaar moet zijn (zie hiervoor onder 3.5.4). Hieruit volgt dat gelet op de werkzaamheden van deze onderneming herleidbaarheid en navolgbaarheid van de administratie belangrijk zijn voor deze onderneming.
5.10.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de curator voldoende onderbouwd gesteld dat de bestuurders deze administratieplicht hebben geschonden. De curator heeft allereerst verwezen naar de rapporten van de toezichthouders waaruit blijkt dat de rechten en verplichtingen ten opzichte van die opdrachtgevers niet konden worden afgeleid uit die administratie. Anders dan de bestuurders betogen, had de curator voldoende aanleiding om de bevindingen van de Zorgregio (zoals uitgewerkt in hun rapport) te gebruiken als één van de grondslagen voor zijn conclusie dat de administratieplicht niet voldeed. Bovendien heeft de curator in het kader van deze procedure diverse verklaringen van voormalige medewerkers van [bedrijf] overgelegd, die zijn afgelegd na de faillietverklaring. De inhoud van die verklaringen ondersteunt de conclusies van de Zorgregio, terwijl de bestuurders in deze procedure de inhoud van die verklaringen niet of nauwelijks hebben weersproken. Verder heeft de curator ter onderbouwing van de gestelde schending van de administratieplicht toegelicht dat enkele relevante stukken in de administratie over de financiële verhoudingen tussen de verschillende gelieerde bedrijven en de bestuurders ontbreken in de administratie van [bedrijf] . De curator heeft gemotiveerd gesteld dat hij als gevolg hiervan ook geen inzicht heeft in de huidige rechten en verplichtingen tussen enerzijds [bedrijf] en anderzijds de aan haar gelieerde ondernemingen en [gedaagde 2] in privé.
5.11.
De bestuurders hebben deze stellingen van de curator vervolgens onvoldoende gemotiveerd weersproken. De bestuurders hebben met name kritiek geuit op het rapport van de toezichthouders. Zij betogen dat het onderzoek niet voldoende onafhankelijk is, omdat het onderzoek is uitgevoerd door toezichthouders van de betrokken gemeenten. Die kritiek is echter niet genoeg om dat rapport terzijde te schuiven. De toezichthouders van de Zorgregio hebben een onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van signalen dat er sprake zou zijn van onregelmatigheden in de door [bedrijf] ingediende declaraties in het kader van de Jeugdwet en de Wmo. Bij het onderzoek is vervolgens gebruik gemaakt van declaratiegegevens en andere relevante documenten van de gemeente Apeldoorn en er hebben interviews plaatsgevonden met (ex)cliënten, (ex-)medewerkers en voormalig ingezette zzp’ers van [bedrijf] . Daarnaast is er informatie opgevraagd bij [bedrijf] zelf en is gesproken met de bestuurder in de persoon van [gedaagde 2] . Daarmee is het onderzoek voldoende onderbouwd met feiten. Verder hebben de bestuurders in deze procedure tegen het rapport aangevoerd dat hoor en wederhoor bij het onderzoek ontbrak. Niet duidelijk is echter waarop dat bezwaar is gebaseerd. Uit het rapport blijkt namelijk dat [gedaagde 2] tijdens het onderzoek in de gelegenheid is gesteld om op bevindingen te reageren en om zaken toe te lichten. Ook is de reactie van de advocaat van [gedaagde 2] op het concept rapport verwerkt in het eindrapport. Het rapport van de Zorgregio is daarom niet slechts een eenzijdig rapport maar er is sprake geweest van hoor en wederhoor.
5.12.
Ook inhoudelijk hebben de bestuurders het rapport onvoldoende gemotiveerd weersproken. De conclusies in het rapport (zie hiervoor onder 3.6.2) ten aanzien van de administratie zijn zwaarwegend. Uit het rapport blijkt namelijk dat in de onderzochte gevallen niet kon worden herleid welke zorgverlener welke zorg heeft verleend aan welke client. Volgens het rapport heeft [gedaagde 2] de vragen over de herleidbaarheid van de geleverde zorg tijdens het onderzoek niet goed kunnen beantwoorden. Ook in deze procedure heeft [gedaagde 2] geen goede rechtvaardiging kunnen geven voor het schuiven met uren tussen medewerkers en het schrijven van uren op naam van medewerkers die al niet meer werkzaam waren voor [bedrijf] .
5.13.
Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] in dit kader toegelicht dat het soms vanwege de spoedeisendheid nodig was dat er zorg werd verleend nog voordat er een indicatie was afgegeven. Volgens [gedaagde 2] konden de zorguren dan niet meteen goed worden ingevoerd in het administratiesysteem. Volgens haar verklaring hielden medewerkers hun gewerkte uren allemaal op verschillende manieren bij: in een agenda, of op (papieren) overzichten. Die zorguren werden vervolgens op een later moment gedeclareerd en dat gebeurde niet steeds op naam van die medewerker, maar vaak op naam van andere zzp’ers. Volgens [gedaagde 2] zou dat te maken hebben met het feit dat anders achteraf de werkurenstaten van de medewerkers niet meer klopten. Toch staat volgens [gedaagde 2] vast dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd. Dat zou volgens haar volgen uit de zorgrapportages die in het systeem te raadplegen zijn, waarin is vastgelegd welke zorg aan een client is geleverd. Verder heeft [gedaagde 2] verklaard dat zij controleerde of medewerkers de juiste codes, die hoorden bij de uitgevoerde zorg, hadden ingevoerd in het administratiesysteem. Volgens [gedaagde 2] maakten medewerkers daarmee fouten en heeft zij die fouten zelf handmatig hersteld, voordat er werd gedeclareerd bij de gemeente. Dat zou volgens haar verklaren waarom zij achteraf aanpassingen in het systeem heeft gedaan.
5.14.
[gedaagde 2] heeft hiermee feitelijk toegelicht waarom zij tot deze werkwijze is gekomen, maar die toelichting is niet voldoende om aan te nemen dat de administratie voldeed. De rechtbank begrijpt deze toelichting namens de bestuurders zo dat de opdrachtgevers en de curator de gedeclareerde uren op juistheid kunnen controleren door de uren te vergelijken met de uren in de zorgrapportages, omdat in de zorgrapportages is te zien welke zorguren daadwerkelijk zijn geleverd. De verklaringen van de bestuurders hebben daarmee geen duidelijk antwoord gegeven op de vraag hoe de opdrachtgever - en in een later stadium de curator - zonder kennis te nemen van privacygevoelige zorgrapportages kon toetsen op welke grond bepaalde zorgverleners financieel aan een zorgontvanger zijn gekoppeld. Naar het oordeel van de rechtbank is zodoende niet gebleken dat de administratie werd bijgehouden op een transparante wijze, bijvoorbeeld volgens een vaste en voor iedereen kenbare werkinstructie. Hieruit volgt dat de rechten en verplichtingen van [bedrijf] eerst kunnen worden gekend en op juistheid kunnen worden gecontroleerd na onderzoek van de zorgrapportages. Dat is niet te verenigen met het vereiste dat uit de boeken de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon te allen tijde kenbaar moeten zijn. Daarmee voldoet de financiële administratie niet aan de vereisten. Daar komt nog bij dat de curator gemotiveerd heeft toegelicht dat het in het kader van transparantie richting opdrachtgevers niet juist is om uren te schrijven op naam van personen die de betreffende zorg niet hebben geleverd.
5.15.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de administratie van [bedrijf] niet voldeed aan de vereisten uit artikel 2:10 BW. De overige verweren van de bestuurders kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
5.16.
De bestuurders hebben in deze procedure aan de curator het verwijt gemaakt dat hij geen moeite heeft gedaan om de zorgrapportages in het administratiesysteem te raadplegen. Dat is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Niet gesteld of gebleken is dat de curator met een eenvoudige raadpleging van zorgrapportages op overzichtelijke wijze de daadwerkelijke financiële stand van zaken van de onderneming kon verifiëren. Het administratiesysteem was gelet op de stellingen niet zodanig ingericht dat de verplichtingen ten aanzien van de opdrachtgevers eenvoudig kon worden gekend. Niet verwacht kan worden dat per cliënt de declaraties en zorgnota’s worden geraadpleegd om te achterhalen welke zorgverlener de zorguren heeft gemaakt. Dit nog los van het feit dat de curator gemotiveerd heeft toegelicht dat het hem in zijn hoedanigheid van faillissementscurator op basis van de AVG niet is toegestaan om inzage te hebben in medische rapportages. Dergelijke rapportages kunnen daarom niet dienen om de juistheid van de administratie te achterhalen.
5.17.
Het verweer van de bestuurders dat het rapport van de Zorgregio slechts heeft ingezoomd op 11 cliënten, terwijl de zorgadministratie uit veel meer dossiers bestond, maakt het oordeel van de rechtbank over de administratie ook niet anders. In de conclusies in het rapport van de Zorgregio (zie hiervoor onder 3.6.2) wordt namelijk ingegaan op het feit dat 11 dossiers op clientniveau zijn onderzocht. Aangezien er in die dossiers ernstige onregelmatigheden zijn gevonden, bestaat er volgens de Zorgregio aanleiding om te veronderstellen dat er waarschijnlijk nog meer dossiers zijn waarin de administratie niet overeenkomt met de werkelijke manier waarop zorg is verleend. De bestuurders hebben bovendien geen argumenten aangedragen om die veronderstelling te ontkrachten. [gedaagde 2] is daartoe wel in de gelegenheid gesteld door de Zorgregio en zij had dat ook kunnen doen in een reactie op de vragen van de curator of tijdens de zitting in deze procedure, maar een voldoende inhoudelijke reactie is uitgebleven. Daar komt bij dat ook in het onderzoek van de gemeente Arnhem vergelijkbare onregelmatigheden zijn geconstateerd.
5.18.
De stellingen van de bestuurders dat de debiteuren- en crediteurenpositie op zichzelf uit de financiële administratie kan worden afgeleid en dat de financiële administratie daarmee wel voldoet, zijn gelet op het voorgaande ook niet genoeg om tot een andere oordeel te komen over de schending van de administratieplicht. Nog los van het feit dat de bestuurders deze stelling niet nader hebben geconcretiseerd, blijkt uit het voorgaande dat de onderliggende administratie niet voldoet en niet aansluit. De curator heeft gemotiveerd toegelicht dat de zorgadministratie direct van invloed is op de financiële administratie. Doordat niet eenvoudig te zien is wie welke zorg heeft geleverd en of dat klopt, kunnen de vorderingen niet worden geverifieerd. De rechten en verplichtingen van [bedrijf] kunnen niet eenduidig worden afgeleid uit de administratie en niet eenvoudig kan worden vastgesteld of de debiteuren- en crediteurenpositie juist zijn.
5.19.
[gedaagde 2] heeft verder het verweer gevoerd dat zij niet voldoende in de gelegenheid is geweest om haar toelichting op de administratie te geven omdat haar gezondheid na de uitspraak van het faillissement niet goed was. Dat is volgens haar ook de reden geweest dat zij niet is ingegaan op de mogelijkheid om ten overstaan van de rechter-commissaris in het faillissement een nadere uitleg te geven over de administratie van de failliete onderneming. Zij stelt ook dat de curator onvoldoende rekening heeft gehouden met haar gezondheidssituatie. De rechtbank volgt [gedaagde 2] hierin niet. De curator heeft aanhoudingen verleend voor het geven van een reactie en heeft aan de voorzieningenrechter toestemming gevraagd om de termijn voor het instellen van de hoofdzaak te mogen verlengen. Van de bestuurder had verwacht mogen worden dat zij op enig moment in de aanloop naar deze procedure al dan niet via haar advocaat of met hulp van een administrateur of een oud-medewerker zou reageren op de vragen. Een reactie op de vragen van de curator in zijn brief van 25 juni 2025 is echter uitgebleven. Eerst in deze procedure is een aantal documenten verstrekt. In het licht daarvan kan de bestuurder de curator ook niet verwijten dat hij te weinig onderzoek heeft gedaan.
5.20.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat de bestuurders van [bedrijf] niet hebben voldaan aan de vereiste administratieplicht. Zij hebben niet voldaan aan de verplichting om van de vermogenstoestand, naar de eisen die voortvloeien uit de werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.

Publicatieplicht
5.21.
Artikel 2:394 BW gaat over de verplichting van een rechtspersoon tot openbaarmaking van de jaarrekening door deponering bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Volgens de curator hebben de bestuurders niet aan die verplichting uit de wet voldaan, maar de bestuurders betwisten dat. Volgens de bestuurders is de jaarrekening over 2022 weliswaar niet gedeponeerd maar is dat aan te merken als een onbelangrijk verzuim. Volgens hen is het namelijk niet ongebruikelijk dat de jaarrekening over het oprichtingsjaar van de onderneming niet wordt gedeponeerd. Over het boekjaar 2023 voeren de bestuurders aan dat het faillissement is uitgesproken voorafgaand aan het verstrijken van de twaalfmaandentermijn zodat geen sprake is van schending van artikel 2:394 BW. Verder lichten zij toe dat die jaarrekening wel is bekendgemaakt op of omstreeks 4 augustus 2024 door publicatie op de website van het Ministerie van Welzijn en Sport.
5.22.
Ten aanzien van 2022 is niet voldaan aan de verplichting uit artikel 2:394 BW nu die jaarrekening in het geheel niet is gedeponeerd bij het handelsregister. Niet aangenomen kan worden dat dit een onbelangrijk verzuim betreft. De jaarrekening over 2023 moest gedeponeerd worden uiterlijk 31 december 2024. Dit was na de datum van het faillissement, zodat ten aanzien van de jaarrekening over 2023 niet kan worden vastgesteld dat de bestuurders de jaarrekening te laat hebben gedeponeerd. De rechtbank gaat er vanuit dat de bestuurders ten aanzien van de jaarrekening over 2022 niet hebben voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW.

Onbehoorlijk bestuur en oorzaak faillissement
5.23.
De rechtbank is hiervoor tot het oordeel gekomen dat de bestuurders niet hebben voldaan aan de verplichtingen uit artikelen 2:10 en 2:394 BW. Uit lid 2 van artikel 2:248 BW volgt daarom dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Daarbij wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De curator heeft dit laatste ten grondslag gelegd aan zijn vorderingen.
5.24.
De bestuurders hebben echter betwist dat dit de oorzaak is van het faillissement. Volgens de bestuurders is de oorzaak van het faillissement gelegen in de omstandigheid dat de Zorgregio zonder juridische grondslag, en daarom ten onrechte, het raamcontract met [bedrijf] heeft ontbonden. Daarmee verloor [bedrijf] een groot deel van haar omzet en dat heeft, zo stellen de bestuurders, geleid tot het faillissement. De rechtbank volgt dit verweer van de bestuurders niet en licht dat als volgt toe.
5.25.
De rechtbank wijst op het vonnis in kort geding, waarin de ontbinding van het raamcontract door de Zorgregio centraal staat. Weliswaar komt aan een vonnis in kort geding geen gezag van gewijsde toe, maar dat betekent niet dat aan de inhoud van het vonnis in kort geding geen betekenis kan worden toegekend. De rechtbank merkt in dat verband op dat de bestuurders tegen dit vonnis niet in hoger beroep zijn gegaan en ook geen bodemprocedure zijn gestart. In het kortgeding vonnis zijn de conclusies uit het rapport van de Zorgregio besproken (4.8 t/m 4.15) en is geoordeeld dat het verweer van [bedrijf] ontoereikend was om tot een ander oordeel te komen over de rechtmatigheid van de ontbinding van de raamovereenkomst tussen de Zorgregio en [bedrijf] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was de ontbinding van de raamovereenkomst in die situatie gerechtvaardigd. Daaruit volgt dat er, anders dat de bestuurders aanvoeren, een juridische grondslag bestond voor die ontbinding. Gelet op het voorgaande hebben de bestuurders onvoldoende feiten aangevoerd die tot een ander oordeel over de oorzaak van het faillissement kunnen leiden. De misstanden in de administratie van [bedrijf] , die tijdens het onderzoek van de Zorgregio aan het licht zijn gekomen, hebben geleid tot de ontbinding van de raamovereenkomst met de Zorgregio en vervolgens ook tot het faillissement. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat causaal verband bestaat tussen de onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement. De bestuurders hebben bovendien geen andere oorzaak voor het faillissement aangedragen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
5.26.
Daarnaast heeft de curator nog een aantal bijkomende omstandigheden gesteld die het voorgaande oordeel ondersteunen. Zo hebben de leden van de Raad van Toezicht van [bedrijf] bij brief van 19 juli 2024 hun functie neergelegd. In hun brief schrijven de leden dat zij hun verantwoordelijkheden niet meer naar behoren kunnen vervullen. De curator heeft toegelicht dat zij onvoldoende informatie kregen van de bestuurders en daarom aanleiding zagen hun functie neer te leggen. Deze brief is geschreven na het verschijnen van het rapport van de Zorgregio en nog vóórdat het kortgedingvonnis werd gewezen en dus ook voordat het faillissement werd uitgesproken. Verder heeft de curator geconstateerd dat er diverse betalingen zijn gedaan door [bedrijf] waarvoor tot op heden een goede verklaring ontbreekt. De bestuurders hebben voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in deze procedure naar voren gebracht dat betalingen en bonnen daarvan zijn terug te vinden in het systeem genaamd ‘Trifact’ terwijl niet is gebleken dat zij de curator daarvan al eerder op de hoogte hebben gesteld.

De vorderingen van de curator
5.27.
De rechtbank is op grond van voorgaande rechtsoverwegingen van oordeel dat de primaire vorderingen van de curator toewijsbaar zijn. Dat betekent het volgende.
5.28.
De curator heeft gevorderd voor recht te verklaren dat de bestuurders op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk zijn voor alle schulden van [bedrijf] B.V., inclusief de faillissementskosten, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. Deze vordering is toewijsbaar op grond van het bepaalde in artikel 2:248 BW en hetgeen hiervoor is overwogen.
5.29.
De curator heeft gevorderd om de bestuurders hoofdelijk te veroordelen om aan de curator een bedrag te betalen ter hoogte van de schulden in het faillissement van [bedrijf] voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Deze vordering is eveneens toewijsbaar op grond van het bepaalde in artikel 2:248 BW en hetgeen hiervoor is overwogen.
5.30.
De curator heeft gevorderd de bestuurders hoofdelijk te veroordelen om bij wege van voorschot op het faillissementstekort een bedrag van € 1.000.000,= te betalen aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 augustus 2024 tot aan de dag van volledige betaling. De curator heeft in dit kader toegelicht dat het voorlopig boedeltekort € 1.045.893,17 bedraagt. De schuldenlast bedraagt volgens de curator € 1.047.357,98 terwijl daar een bedrag van € 1.464,81 aan baten tegenover staat. De bestuurders hebben dit niet weersproken. De curator heeft daarmee onbetwist toegelicht dat de schuldenlast op dit moment meer bedraagt dan het gevorderde voorschot. De curator heeft daarnaast gesteld dat daar naar zijn verwachting nog vorderingen bij komen, nu volgens de curator aannemelijk is dat ook namens de gemeente Arnhem een vordering zal worden ingediend. Verder heeft de curator toegelicht dat er een belang is bij het toewijzen van het gevorderde voorschot aangezien de curator daarmee de beslagen in stand kan houden en eventueel kan uitwinnen zonder de uitkomst van de schadestaatprocedure af te wachten. Gelet op de onvoldoende weersproken stellingen van de curator en genoemde aansprakelijkheid van de bestuurders, ziet de rechtbank voldoende grond voor toewijzing van het gevorderde voorschot.

Bestuursverbod
5.31.
In deze procedure heeft de curator gevorderd een bestuursverbod op te leggen aan [gedaagde 1] en aan [gedaagde 2] , voor de duur van vijf jaar nadat het te wijzen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. De curator stelt dat er een halt moet worden toegebracht aan deze bestuurders die hebben gefraudeerd met belastinggelden in de zorg en op die manier veel schade hebben aangericht. De bestuurders hebben tegen deze vordering aangevoerd dat daarvoor geen grond aanwezig is en dat [gedaagde 2] naar alle waarschijnlijkheid met ingang van 1 mei 2026 alle aandelen en bestuursfuncties overdraagt dan wel neerlegt zodat het belang van een bestuursverbod ontbreekt.
5.32.
De rechtbank zal zoals gevorderd aan de bestuurders, [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] , een bestuursverbod opleggen voor de duur van vijf jaren nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en overweegt daartoe het volgende.
5.33.
Ingevolge artikel 106a van de Fw kan de rechtbank op vordering van de curator of op verzoek van het openbaar ministerie een bestuursverbod opleggen aan de bestuurder van een rechtspersoon, de gewezen bestuurder daaronder begrepen, als tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon door de rechter bij onherroepelijk geworden uitspraak is geoordeeld dat hij voor zijn handelen of nalaten bij die rechtspersoon aansprakelijk is, als bedoeld in artikel 2:248 BW. Een bestuursverbod kan mede worden uitgesproken jegens de bestuurder van een of meer rechtspersonen die bestuurder is of zijn als bedoeld in het eerste lid.
5.34.
In dit vonnis is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de bestuurders aansprakelijk zijn als bedoeld in artikel 2:248 BW voor de schulden in het faillissement van [bedrijf] . Anders dan de bestuurders hebben aangevoerd, is sprake van een grond voor een bestuursverbod nu in ieder geval één van de voorwaarden waaronder een bestuursverbod kan worden opgelegd, is voldaan. De curator heeft ook voldaan aan het voorschrift uit artikel 106c Fw, waarin is bepaald dat een uittreksel uit het Handelsregister moet worden overgelegd van de overige rechtspersonen waarvan de betrokkene bestuurder of commissaris is. De curator heeft (in productie 29 en 42) de uittreksels overgelegd van ondernemingen (Koach &Co B.V, Novaré Holding B.V., Re:mind B.V., Next Impact Rebels B.V.), waarvan [gedaagde 2] middellijk dan wel onmiddellijk de bestuurder is. Verder zijn de bestuurders in deze procedure over het bestuursverbod gehoord.
5.35.
De rechtbank acht oplegging van een bestuursverbod van vijf jaren passend, omdat [gedaagde 2] als middellijk bestuurder via [gedaagde 1] B.V. in ieder geval een groot deel van de actieve periode van [bedrijf] B.V. heeft verzuimd om een deugdelijke en voor schuldeisers verifieerbare administratie te voeren. Dit heeft geleid tot het faillissement van [bedrijf] en daarmee tot benadeling van crediteuren, zoals is uitgelegd in dit vonnis. De ernst daarvan wordt onderstreept doordat het gaat om overheidsgeld dat bestemd was voor de zorg (Jeugdzorg en WMO). Bovendien heeft [gedaagde 2] direct na het faillissement haar werkzaamheden in andere bedrijven voortgezet. Zij heeft daartoe ook de naam van haar eenmanszaak gewijzigd. Dat [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat zij inmiddels haar bestuurstaken wil neerleggen, doet niet af aan dit oordeel.

Beslagkosten en overige proceskosten
5.36.
De bestuurders zijn in deze procedure in het ongelijk geteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. In dit geval maken ook beslagkosten onderdeel uit van de proceskosten. De curator heeft vergoeding van de beslagkosten gevorderd en heeft in verband daarmee (in productie 46) de volgende stukken overgelegd:

Onderwerp

Exploot

kosten

Conservatoir beslag op woning

Exploot 24.06.2025

€ 215,17 ex btw

€ 79,00 inschrijven Kadaster

Conservatoir derdenbeslag onder ING

Exploot 24.06.2025

€ 247,88 ex btw

€ 4,00 ex btw, kosten E-beslag

Betekening aan [gedaagde 2] van

beslagrekest,

pv derdenbeslag ING,

pv beslag woning

Exploot 25.06.2025

€ 85,68 ex btw

€ 0,81 ex btw, info BRP

Betekening van de brief van de curator van 25 juni 2025 aan [gedaagde 1] B.V.

Exploot 25.06.2025

€ 95,00 ex btw (volgens nota deurwaarder)

Derdenbeslag onder HDI Global Specialty SE

Exploot 10.11.2025

€ 247,88 ex btw

Betekening verzoek en beschikking verlenging termijn instellen eis, aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] B.V.

Exploot 07.08.2025

€ 130,00 ex btw

€ 0,81 ex btw, info BRP

Derdenbeslag onder Univé Stad en Land

Exploot 07.11.2025

€ 247,88 ex btw

Overbetekening aan [gedaagde 1] en aan [gedaagde 2] van het derdenbeslag onder Univé en HDI

Exploot 13.11.2025

€ 85,68 ex btw

Verzoekschrift conservatoir beslag onder derden en op woning

Zknr 334919 kg rk 25-296

24.06.2025

€ 331,00 griffierecht

€ 3.723,00 salaris, 1 punt volgens tarief VIII

Verzoekschrift verlenging termijn voor instellen eis in de hoofdzaak

Zknr 3336009 kg rk 25-341

17.07.2025

€ 331,00 griffierecht

€ 1.861,50 salaris, ½ punt volgens tarief VII

De kosten die verband houden met de betekening van voormelde exploten bedragen op grond van de overgelegde stukken en inclusief BTW, een bedrag van € 1.725,55. Daarbij komen de kosten voor griffierecht en salaris gemachtigde voor de genoemde verzoeken.
5.37.
De proceskosten van de curator worden in totaal begroot op:

- kosten van de dagvaarding



120,21

- griffierechten



2.723,00

(totaal hoofdzaak en rekesten)

- beslagkosten



1.725,55

(zie hiervoor)

- salaris advocaat



13.030,50

(3 ½ punten × € 3.723,00)

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



17.788,26
5.38.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.39.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
<nr>6</nr>De beslissing
De rechtbank,
6.1.
verklaart voor recht dat de bestuurders op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk zijn voor alle schulden van [bedrijf] B.V., inclusief de faillissementskosten, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan,
6.2.
veroordeelt de bestuurders hoofdelijk – zodat als de één (een deel) betaalt, de ander dat (deel van het) bedrag niet meer hoeft te betalen – om aan de curator een bedrag te betalen ter hoogte van de schulden in het faillissement van [bedrijf] voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
6.3.
veroordeelt de bestuurders hoofdelijk – zodat als de één (een deel) betaalt, de ander dat (deel van het) bedrag niet meer hoeft te betalen – om bij wege van voorschot op het faillissementstekort een bedrag van € 1.000.000,00 te betalen aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 augustus 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
6.4.
legt aan de bestuurders een bestuursverbod op voor de duur van vijf jaar nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan,
6.5.
veroordeelt bestuurders hoofdelijk in de proceskosten van € 17.788,26, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als bestuurders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt bestuurders hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,

Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026. (ap)

Artikel delen