Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBOBR:2026:4089

Deze zaak gaat over bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. De curator in het faillissement van B.V. spreekt de twee bestuurders aan op grond van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur als vermeld in artikel 2:248 BW. De aangesproken bestuurders betwisten niet dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur in de zin van deze wetsbepaling vaststaat, maar stelle...

Rechtbank Oost-Brabant 16 juni 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOBR:2026:4089 text/xml public 2026-06-16T18:11:43 2026-06-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-06-10 C/01/408183 / HA ZA 24-577 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4089 text/html public 2026-06-16T18:10:40 2026-06-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:4089 Rechtbank Oost-Brabant , 10-06-2026 / C/01/408183 / HA ZA 24-577
Deze zaak gaat over bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. De curator in het faillissement van <gefailleerde> B.V. spreekt de twee bestuurders aan op grond van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur als vermeld in artikel 2:248 BW. De aangesproken bestuurders betwisten niet dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur in de zin van deze wetsbepaling vaststaat, maar stellen dat het faillissement is veroorzaakt door een andere van buiten komende omstandigheid, namelijk de langdurige ziekte van een van hen. Subsidiair bepleiten zij matiging van hun vergoedingsplicht.

Naar het oordeel van de rechtbank falen beide onderdelen van het verweer en zijn beide bestuurders daarom volledig aansprakelijk voor het boedeltekort in het faillissement. Een gevorderd bestuursverbod wordt opgelegd.
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/408183 / HA ZA 24-577

Vonnis van 10 juni 2026

in de zaak van

JOHANNES PETRUS MARIE DEXTERS, handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde] B.V.

te Helmond,

eisende partij,

hierna te noemen: Dexters q.q.,

advocaat: mr. G. te Biesebeek,

tegen
<nr>1</nr> [gedaagde 1] ,
te [plaats] ( [land] ),2. [gedaagde 2],

te [plaats] ( [land] ),

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

advocaat: mr. M.A.J. Kemps.
<nr>1</nr>Waar gaat de zaak over 1.1.
Deze zaak gaat over bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. De curator in het faillissement van [gefailleerde] B.V. spreekt de twee bestuurders aan op grond van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur als vermeld in artikel 2:248 BW. De aangesproken bestuurders betwisten niet dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur in de zin van deze wetsbepaling vaststaat, maar stellen dat het faillissement is veroorzaakt door een andere van buiten komende omstandigheid, namelijk de langdurige ziekte van een van hen. Subsidiair bepleiten zij matiging van hun vergoedingsplicht.

Naar het oordeel van de rechtbank falen beide onderdelen van het verweer en zijn beide bestuurders daarom volledig aansprakelijk voor het boedeltekort in het faillissement. Een gevorderd bestuursverbod wordt opgelegd.
<nr>2</nr>De procedure 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 juli 2024 met 11 producties;

- de akte van 27 november 2024 van Dexters q.q. met producties 12 tot en met 15; - de conclusie van antwoord van 22 januari 2025;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de per e-mail op 17 oktober 2025 door de rechtbank verzonden zittingsagenda;

- de per e-mail op 20 oktober 2025 namens [gedaagden] verzonden reactie op de zittingsagenda;

- de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>3</nr>De feiten 3.1.
Naar aanleiding van een op 2 april 2024 ingediende faillissementsaanvraag is [gefailleerde] B.V. (" [gefailleerde] ") door de rechtbank Oost-Brabant op 18 juni 2024 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van Dexters q.q. tot curator. [gefailleerde] exploiteerde een onderneming op het gebied van metaalbewerking.
3.2.
[gedaagden] zijn sinds de oprichting van [gefailleerde] op 21 september 2017 ieder zelfstandig bevoegd bestuurders van [gefailleerde] en zij bezitten ieder 50% van de aandelen in het kapitaal van [gefailleerde] . Gedaagde sub 1 (“ [gedaagde 1] ”) is de vader van gedaagde sub 2 (“ [gedaagde 2] ”).
3.3.
Direct na zijn benoeming heeft Dexters q.q. op 18 juni 2024 [gedaagden] verzocht om de administratie aan te leveren. In reactie daarop kreeg hij op 1 juli 2024 een hoeveelheid niet gerubriceerde informatie.
3.4.
Uit de aan de curator door [gedaagden] ter beschikking gestelde administratieve bescheiden is gebleken van een substantiële vordering in rekening-courant op [gedaagde 1] . Ultimo 2021 bedroeg deze vordering volgens de vastgestelde jaarrekening over 2021 € 168.354. Van latere aflossingen op deze rekening-courantschuld door [gedaagde 1] is niet gebleken.
3.5.
Van 2 april 2024, de datum van de faillissementsaanvraag, tot 18 juni 2024, de datum van faillietverklaring, hebben [gedaagden] ten laste van het vermogen van [gefailleerde] voor tienduizenden euro’s betalingen aan zichzelf verricht of geldopnames gedaan:

- in deze periode betaalde [gefailleerde] in totaal € 45.558,23 aan [gedaagde 1] en € 11.967,- aan [gedaagde 2] ;

- in deze periode namen [gedaagden] in totaal € 17.220,- van de bankrekening van [gefailleerde] op.

Bovendien betaalde [gefailleerde] op 18 juni 2024 nog € 5.000,- aan [gedaagde 2] en werd, vermoedelijk door [gedaagde 1] , op 19 juni 2024 contant nog € 4.000 van de bankrekening van [gefailleerde] opgenomen.

Bij brief van 24 juli 2024 heeft Dexters q.q. de respectievelijke betalingen en geldopnames vernietigd op grond van artikel 47 Fw.
3.6.
De jaarrekening van [gefailleerde] over 2020 is op 5 juni 2022 gedeponeerd. De jaarrekening over 2021 is op 24 juli 2023 gedeponeerd. De jaarrekeningen over 2022 en 2024 zijn niet meer gedeponeerd.
3.7.
[gefailleerde] was belastingplichtig voor onder andere de loonbelasting, omzetbelasting en motorrijtuigenbelasting. De Belastingdienst heeft bij Dexters q.q. voor deze drie soorten belasting tot een totaalbedrag van € 692.018 vorderingen ingediend. De achterstand in loonbelasting is ontstaan in 2021. De achterstand in omzetbelasting is in het vierde kwartaal van 2020 ontstaan. De achterstand in motorrijtuigenbelasting is in 2023 ontstaan.
3.8.
Dexters q.q. heeft op 15 juli 2024 ten laste van [gedaagden] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder ING Bank N.V.
3.9.
Afgezien van zijn betrokkenheid bij [gefailleerde] is [gedaagde 1] sinds 10 november 2020 enig aandeelhouder en enig bestuurder van [A] B.V. (“ [A] ”). Volgens haar inschrijving in het handelsregister per 25 november 2024 is deze vennootschap een financiële holding zonder personeel.[A] is op haar beurt sinds 10 november 2020 enig aandeelhouder en enig bestuurder van [B] B.V. (“ [B] ”). De activiteiten van [B] zijn onder andere het op projectbasis detacheren van personeel en het maken van stalen constructies en het verwerken daarvan. In het handelsregister was per 25 november 2024 vermeld dat [B] één werknemer in dienst had.

In het handelsregister was per 25 november 2024 vermeld dat [A] en [B] :

- hun jaarrekening over het boekjaar 2021 gedeponeerd hadden op 24 juni 2023; en

- hun jaarrekening over het boekjaar 2022 gedeponeerd hadden op 15 juni 2024.
<nr>4</nr>Het geschil 4.1.
Na vermindering van zijn eis tijdens de mondelinge behandeling vordert Dexters q.q. – samengevat – dat de rechtbank:

- [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan Dexters q.q. van het bedrag van de schulden in het faillissement van [gefailleerde] , voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;

- [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan Dexters q.q. € 75.000 te betalen bij wijze van voorschot op het vast te stellen bedrag van de schulden in het faillissement van [gefailleerde] die niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, subsidiair op grond van artikel 47 Fw;

- aan [gedaagden] voor de duur van vijf jaren een bestuursverbod als vermeld in artikel 106a Fw oplegt en ter verzekering van de naleving van het bestuursverbod hen een dwangsom oplegt van € 10.000,- per overtreding, met een maximum van € 100.000,-
4.2.
Dexters q.q. legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag.

Er is bij [gefailleerde] sprake van onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 BW. Immers in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement:

- is de boekhoudplicht vermeld in artikel 2:10 lid 1 BW geschonden; en

- is de verplichting tot tijdige openbaarmaking van de jaarrekening vermeld in artikel 2:394 leden 1 en 3 BW geschonden.

Schending boekhoudplicht

Ten aanzien van de schending van de boekhoudplicht stelt Dexters q.q. dat de aan hem ter hand gestelde administratie (i) onvolledig en (ii) grotendeels ongesorteerd is en dat (iii) de overgelegde bescheiden niet geboekt of in overzichten verwerkt zijn. Het zijn enkel losse stukken en op basis hiervan is het onmogelijk om de rechten en verplichtingen van [gefailleerde] op eenvoudige wijze te kennen. Alleen over het boekjaar 2021 is een beperkt grootboek overgelegd. Over 2022 en 2023 zijn er geen althans nauwelijks debiteuren- of crediteurenlijsten, noch een kasboek of andere administratieve overzichten.

Schending deponeringsplicht

Ten aanzien van de schending van de deponeringsplicht stelt Dexters q.q.:

- De jaarrekening van [gefailleerde] over 2020 is op 5 juni 2022 gedeponeerd;

- De jaarrekening van [gefailleerde] over 2021 is op 24 juli 2023 gedeponeerd; en

- De jaarrekening van [gefailleerde] over het boekjaar 2022 is niet opgemaakt en ook niet gedeponeerd.

Vaststaand onbehoorlijk bestuur en wettelijk vermoeden oorzaak faillissement

Met de schending van de boekhoudplicht en de deponeringsplicht staat vast dat het bestuur van [gefailleerde] zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en deze vaststaande onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Daarom zijn [gedaagden] jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan.

Het faillissementstekort bedraagt per datum dagvaarding € 819.436,20.
4.3.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de voorgaande vorderingen van Dexters q.q. Zij voeren daartoe het volgende aan.

Onbehoorlijk bestuur

[gedaagden] erkennen dat [gefailleerde] niet aan de op haar rustende boekhoudplicht en deponeringsplicht heeft voldaan. Zij erkennen dat daarmee vaststaat dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat deze vaststaande onbehoorlijke taakvervulling vermoed wordt een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn.

[gedaagden] stellen echter dat een andere omstandigheid de oorzaak van het faillissement van [gefailleerde] is. Op 8 januari 2023 is [gedaagde 1] getroffen door een zware hartaanval. Daardoor is hij gedurende bijna een jaar volledig arbeidsongeschikt geweest. [gedaagde 1] onderhield de contacten met de opdrachtgevers van [gefailleerde] en was de drijvende kracht achter [gefailleerde] . Zijn arbeidsongeschiktheid had dramatische gevolgen voor de omzet van [gefailleerde] .

[gedaagde 2] was weliswaar medebestuurder maar gelet op zijn jonge leeftijd beschikte hij niet over de kennis en kunde om het “wegvallen” van zijn vader op te vangen.

[gedaagden] zijn dan ook primair van oordeel dat zij niet aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort.Subsidiair doen zij een beroep op matiging ex. artikel 2:248 lid 4 BW.

Bestuursverbod

Dexters q.q. erkennen dat de rechtbank bevoegd is om een bestuursverbod op te leggen op grond van artikel 106a lid 1 sub b Fw. [gedaagden] erkennen immers dat zij paulianeus hebben gehandeld. Zij betwisten echter dat zij hebben gefraudeerd. Het faillissement van [gefailleerde] is het eerste waarbij [gedaagden] betrokken zijn geweest. Er is geen sprake van repeterende faillissementen.

[gedaagde 1] genereert via [A] en [B] inkomen om in het levensonderhoud van hem en familie te voorzien. Het opleggen van een bestuursverbod zou leiden tot het volledig opdrogen van deze inkomsten met alle gevolge van dien.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>5</nr>De beoordeling 5.1.
Centrale thema’s in deze zaak zijn:

A. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het nationaal recht aan de hand waarvan de vorderingen moeten worden beoordeeld;

B. Wat was de oorzaak van het faillissement van [gefailleerde] en, indien [gedaagden] jegens de boedel op de voet van artikel 2:248 BW aansprakelijk, zijn, bestaat er reden voor matiging?

C. Dient te gevorderde voorschot toegewezen te worden?

D. Dient het gevorderde bestuursverbod opgelegd te worden?
5.2.
Thema A: de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het nationaal recht aan de hand waarvan de ingestelde vorderingen moeten worden beoordeeld
5.2.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, nu het gaat om een in Nederland uitgesproken faillissement van een Nederlandse rechtspersoon, waarin Dexters q.q. als in Nederlands kantoor houdend advocaat is benoemd tot curator, terwijl [gedaagden] als gedaagde partijen in [land] wonen. Dit internationale karakter leidt ertoe dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ambtshalve moet worden onderzocht en dat het op de vorderingen toepasselijke recht moet worden vastgesteld.

De rechtsmacht van de Nederlandse rechter
5.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, gelet op artikel 6 lid 1 juncto artikel 3 lid 1 van de Verordening EU 2015/848 (hierna: EIV). Uit die bepalingen volgt dat een rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan een insolventieprocedure is geopend bevoegd is kennis te nemen van alle vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden. Dit geldt in ieder geval voor de vordering tot oplegging van een bestuursverbod ex artikel 106a Fw.Op grond van artikel 6 lid 1 juncto artikel 3 lid 1 EIV is de Nederlandse rechter ook bevoegd om kennis te nemen van de aan de insolventieprocedure verwante vordering ex artikel 2:248 BW.De op artikel 2:248 BW gebaseerde vordering vloeit namelijk rechtstreeks voort uit de in Nederland geopende faillissementsprocedure van [gefailleerde] en hangt daarmee in ieder geval nauw samen. De vordering op grond van artikel 2:248 BW vereist immers dat een faillissement is uitgesproken en geeft een curator een exclusieve bevoegdheid om (voormalige) bestuurders en feitelijk beleidsbepalers aansprakelijk te stellen. De vordering is daarmee een rechtstreeks en onlosmakelijk gevolg van de insolventieprocedure.

Absolute en relatieve competentie
5.2.3.
Voor wat betreft de bevoegdheid van deze rechtbank geldt het volgende.

De vorderingen van Dexters q.q. gaan de in artikel 93, aanhef en onder a Rv genoemde grens te boven zodat de rechtbank (sector civiel) absoluut bevoegd is.

Deze zaak heeft betrekking op de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake faillissement, zodat de rechtbank waaruit de rechter-commissaris is benoemd, te weten de rechtbank Oost-Brabant ex artikel 107 Rv (mede) relatief bevoegd is kennis te nemen van deze zaak.

Het nationaal recht aan de hand waarvan de vorderingen moeten worden beoordeeld
5.2.4.
De rechtbank is van oordeel dat deze zaak moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. In artikel 7 lid 1 EIV is immers bepaald dat de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan worden beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure is geopend. De insolventieprocedure ten aanzien van [gefailleerde] is op 18 juni 2024 geopend in Nederland. Gelet daarop is Nederlands recht van toepassing.
5.3.
Thema B: Wat was de oorzaak van het faillissement van [gefailleerde] en, indien [gedaagden] jegens de boedel op de voet van artikel 2:248 BW aansprakelijk, zijn, bestaat er reden voor matiging?

De oorzaak van het faillissement
5.3.1.
Op grond van artikel 2: 248 lid 2 BW staat het onbehoorlijk bestuur van [gedaagden] vast en wordt dat vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. [gedaagden] kunnen dat wettelijk vermoeden ontkrachten door een andere, van buiten komende oorzaak van het faillissement aannemelijk te maken.

[gedaagden] hebben daartoe gewezen op de negen maanden durende afwezigheid van [gedaagde 1] wegens hartklachten.

De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagden] aangevoerde langdurige ziekte van [gedaagde 1] niet kan gelden als alternatieve oorzaak van het faillissement van [gefailleerde] . [gedaagden] hebben aldus het uit artikel 2:248 lid 2 BW voortvloeiende vermoeden niet weten te ontkrachten, waardoor hun onbehoorlijk bestuur blijft gelden als belangrijke oorzaak van het faillissement van [gefailleerde] . De rechtbank legt hieronder uit waarop dat oordeel is gebaseerd.
5.3.2.
De gestelde arbeidsongeschiktheid van [gedaagde 1] is, zonder verdere toelichting, onvoldoende om te kwalificeren als belangrijke, van buiten komende, andere oorzaak van het faillissement. Ziekte op zichzelf hoeft immers niet tot een faillissement te leiden en ontslaat het bestuur niet van de verplichting om ter zake adequate voorzieningen te treffen.

De rechtbank betrekt daarbij dat van de destijds 22-jarige [gedaagde 2] als bestuurder toch wel het nodige mocht worden verwacht, al dan niet met ondersteuning van de accountant van [gefailleerde] en [gedaagde 1] . Deze laatste heeft immers tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij vanuit het ziekenhuis weliswaar niet kon vertellen waar zijn zoon het nodige materiaal zou kunnen vinden, maar dat hij wel vanuit het ziekenhuis kon aansturen (“praten en communiceren”).Voor zover [gedaagde 1] zelf metaal bewerkte, is niet toegelicht dat en waarom dat niet door derden zou kunnen gebeuren.

Verder geeft de gestelde hartaanval in januari 2023 geen verklaring voor het feit dat volgens het door Dexters q.q. overgelegde crediteurenoverzicht vanaf januari 2021 tot de datum van faillietverklaring stelselmatig geen loonheffing en BTW zijn betaald.

[gedaagden] hebben tijdens de mondelinge behandeling als reden daarvoor in algemene termen verwezen naar “corona”, maar wat de impact daarvan was op de activiteiten van [gefailleerde] (metaalbewerking) is niet toegelicht. Dexters q.q. heeft er daarbij op gewezen dat de “coronamaatregelen” vooral in 2020 en 2021 golden en (bijna) niet meer in 2022. Dat is door [gedaagden] niet weersproken.

Ook volgens de door de rijksoverheid gepubliceerde en in zakelijke geschillen veel gehanteerde “Coronavirus tijdlijn” (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-tijdlijn) waren eind maart 2022 alle maatregelen vervallen.

Een en ander biedt dus geen verklaring voor het ook vanaf maart 2022 structureel niet betalen van belasting.

Tenslotte betrekt de rechtbank op dit punt ook (i) de niet weersproken aanmerkelijke rekening-courantschuld van [gedaagde 1] van € 168.354 die al per ultimo 2021 bestond en (ii) de aanmerkelijke betalingen aan en geldopnames door [gedaagden] in de periode 2 april 2024 tot en met 19 juni 2024. In totaal hebben [gedaagden] in een periode van nog geen drie maanden € 83.745,23, ofwel bijna twee modale jaarinkomens, aan het vermogen van [gefailleerde] onttrokken. Een reden of rechtvaardiging voor die onttrekkingen hebben [gedaagden] niet gegeven.

Al met al hebben [gedaagden] over een reeks van jaren € 252.099,23 aan het vermogen van [gefailleerde] onttrokken, zonder dat een zakelijke grondslag of rechtvaardiging (loon, management fee, enz.) is toegelicht; geld dat ook aan de schuldeisers van [gefailleerde] betaald had kunnen worden.

Het getuigt niet van zorgvuldig bestuur om als bestuurder zonder zakelijke grondslag of rechtvaardiging grote bedragen op te nemen en niet terug te betalen, terwijl schuldeisers niet worden betaald.

Matiging van de vergoedingsplicht
5.3.3.
Artikel 2:248 lid 4 BW bepaalt: “De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaats vond.”

Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen omstandigheden aangevoerd die moeten leiden tot matiging van de schadevergoeding en zijn [gedaagden] volledig aansprakelijk voor het boedeltekort in het faillissement van [gefailleerde] . De rechtbank werkt hieronder uit waarop dat oordeel is gebaseerd.
5.3.4.
Afgezien van de arbeidsongeschiktheid van [gedaagde 1] zijn geen andere omstandigheden aangevoerd die tot matiging zou moeten leiden. Ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid is niet toegelicht waarom de langdurige afwezigheid van een van de twee bestuurders tot matiging zou moeten leiden of tot welk bedrag.

Ook op dit punt weegt de rechtbank de reeds vermelde aanmerkelijke rekening-courantschuld van [gedaagde 1] en de onttrekkingen aan het vermogen van [gefailleerde] tussen de faillissementsaanvraag en de uitspraak van het faillissement mee. Deze omstandigheden scheppen een beeld alsof hun eigen financiën voor [gedaagden] belangrijker waren dan de betaling van schuldeisers.
5.4.
Thema C Dient te gevorderde voorschot toegewezen te worden?
5.4.1.
Gelet op de aansprakelijkheid van [gedaagden] voor het volledige faillissementstekort acht de rechtbank de vordering van Dexters q.q. tot betaling van een voorschot van € 75.000 toewijsbaar. Dit bedrag staat in een redelijke verhouding tot het thans bekende faillissementstekort. Dit is zijdens [gedaagden] ook niet bestreden, noch hebben zij iets anders aangevoerd waarom het gevorderde voorschot niet of slechts tot een lager bedrag toegewezen zal moeten worden.

Dexters q.q. heeft belang bij betaling van een voorschot, opdat onder andere zijn eigen werkzaamheden kunnen worden betaald en het faillissement kan worden afgewikkeld.
5.5.
Thema D: Dient het gevorderde bestuursverbod opgelegd te worden?
5.5.1.
Ten aanzien van het bestuursverbod geldt het volgende. Op basis van artikel 106a lid 1 Fw kan een bestuursverbod worden opgelegd aan de bestuurder van een rechtspersoon als tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon, onder meer, (sub a) bij een onherroepelijk geworden uitspraak is geoordeeld dat de bestuurder aansprakelijk is op grond van artikel 2:248 BW.

Het bestuursverbod heeft naast de enkele bestrijding van faillissementsfraude, mede ten doel de bestrijding van faillissementsrecidive en benadeling van crediteuren voorafgaand aan een faillissement.
5.5.2.
Zoals hierboven in r.o. 3.9 is vermeld, is [gedaagde 1] tevens bestuurder van [A] . Een op te leggen bestuursverbod zou tot gevolg hebben dat [gedaagde 1] voor de duur van het verbod ook geen bestuurder meer zou kunnen zijn van [A] . De wet bepaalt voor dit soort gevallen in artikel 106c lid 1 Fw dat bij de vordering tot het opleggen van een bestuursverbod een uittreksel uit het handelsregister wordt overgelegd van de andere rechtspersonen waarvan de betrokken bestuurder of commissaris is. Artikel 106c lid 2 Fw schrijft voor dat de rechtbank die rechtspersonen vervolgens in de gelegenheid stelt om hun zienswijze over het gevraagde bestuursverbod en de mogelijke gevolgen daarvan naar voren te brengen. Hierbij kunnen deze rechtspersonen niet worden vertegenwoordigd door de bestuurder jegens wie een bestuursverbod is gevorderd, tenzij deze de enige bestuurder van de betrokken rechtspersoon is.
5.5.3.
Dexters q.q. heeft na de dagvaarding pas bij akte van 27 november 2024 een uittreksel uit het handelsregister overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde 1] enig bestuurder is van [A] . Doordat Dexters q.q. het bestuurderschap van [gedaagde 1] van [A] niet in de dagvaarding aan de orde heeft gesteld, heeft de rechtbank hiervan pas kennisgenomen bij de voorbereiding van de mondelinge behandeling. Hierdoor bestond onvoldoende tijd om vóór de mondelinge behandeling langs schriftelijke weg nog uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 106c lid 2 Fw, welke bepaling overigens niet voorschrijft hoe het proces van de zienswijze zou dienen te verlopen.

De rechtbank heeft in de op 17 oktober 2025 verzonden zittingsagenda voorgesteld hier pragmatisch mee om te gaan en verwezen naar het gegeven dat namens [gedaagde 1] in kantnummer 3.1 van de conclusie van antwoord onder verwijzing naar zijn bestuurderschap van [A] al verweer is gevoerd tegen de vordering tot oplegging van het bestuursverbod.

Gelet op het feit dat [gedaagde 1] blijkens het overgelegde uittreksel uit het handelsregister enig aandeelhouder en enig bestuurder van [A] is, heeft de rechtbank deze passage uit de conclusie van antwoord aangemerkt als de zienswijze van [A] als bedoeld in artikel 106c lid 2 Fw. Als zodanig is dit punt tijdens de mondelinge behandeling ook besproken. Daarbij heeft mr. Kemps namens [gedaagde 1] en [A] verklaard:

- dat er voor [A] voldoende gelegenheid is geweest voor het geven van haar zienswijze; en

- dat er oplossingen denkbaar zijn indien aan [gedaagde 1] een bestuursverbod zou worden opgelegd.

Op dit punt is verder tijdens de mondelinge behandeling besproken dat het bestuurderschap van [A] niet vereist is voor [gedaagde 1] om inkomen te verwerven. Hij kan ook in loondienst treden bij een derde.

Namens [gedaagde 2] is geen verweer gevoerd tegen de vordering tot oplegging van een bestuursverbod.
5.5.4.
Zoals hierboven is overwogen, zijn [gedaagden] op grond van artikel 2:248 lid 1 BW aansprakelijk voor het faillissementstekort van [gefailleerde] . Op grond hiervan kan aan hen een bestuursverbod van maximaal vijf jaar worden opgelegd vanaf het moment dat de uitspraak hierover onherroepelijk is geworden (artikel 106b Fw).

Het door Dexters c.s. gevorderde bestuursverbod is dus toewijsbaar en de rechtbank zal het gevorderde bestuursverbod opleggen.

De rechtbank verwijst op dit punt naar het achterliggende belang bij een bestuursverbod (naast de enkele bestrijding van faillissementsfraude, tevens bestrijding van faillissementsrecidive en benadeling van crediteuren voorafgaand aan een faillissement) en het gegeven dat [A] en [B] in ieder geval per 25 november 2024 diverse jaarrekeningen niet tijdig hebben gedeponeerd. Dat schept in combinatie met de schending van de boekhoudplicht en de publicatieplicht bij [gefailleerde] het beeld dat [gedaagden] het niet zo nauw nemen met de verplichtingen en verantwoordelijkheden die het bestuurderschap van een rechtspersoon met zich brengt. Een bestuursverbod is daarom opportuun.

Het bestuursverbod zal conform de wet worden opgelegd vanaf het moment dat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

Omstandigheden die zouden moeten leiden tot een verkorting van de duur van het gevorderde bestuursverbod of tot matiging van de dwangsommen zijn niet gesteld of gebleken.
5.5.5.
De rechtbank zal de griffier conform artikel 106b lid 3 Fw opdragen om dit vonnis, zodra dit onherroepelijk is geworden, met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel aan te bieden, zodat die kan overgaan tot uitschrijving van gedaagde als bestuurder uit het handelsregister en tot registratie van het bestuursverbod voor de duur waarvoor het verbod is opgelegd.De rechtbank merkt daarbij op dat, hoewel het hier niet gaat om een verstekzaak, het moment van onherroepelijk worden van dit vonnis in deze zaak op tegenspraak niet zonder nadere informatie van (een van) partijen zal kunnen worden vastgesteld door de griffier. Niet ongebruikelijk is dat een appeldagvaarding wel binnen of zelfs aan het eind van de appeltermijn wordt uitgebracht, waarbij op lange termijn is gedagvaard en de eerst dienende dag bijvoorbeeld drie of zes maanden later ligt. De appeldagvaarding zal in die gevallen ook pas veel later ter inschrijving aangeboden hoeven te worden aan de griffie van het gerechtshof. Gedurende die tijd is het vonnis niet onherroepelijk maar de griffies van de rechtbank en het gerechtshof zijn daarmee niet bekend.

Om de griffier in staat te stellen aan zijn verplichtingen op grond van artikel 106b lid 3 Fw te voldoen, ligt het op de weg van de curator, als partij die het bestuursverbod heeft gevorderd, de rechtbank op de hoogte te stellen van relevante gebeurtenissen in het kader van de tenuitvoerlegging van dit vonnis.
5.6.
Dexters q.q. vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 448,92 voor kosten deurwaardersexploten, € 735,00 voor griffierecht en € 1.214,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 1.214,00), totaal € 2.397,92.
5.7.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Dexters q.q. worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



382,37

- griffierecht



1.005,00

- salaris advocaat



2.428,00

(2 punten × € 1.214,00)

- nakosten



178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



3.993,37
<nr>6</nr>De beslissing
De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan Dexters q.q. van het bedrag van de schulden in het faillissement van [gefailleerde] , voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;
6.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Dexters q.q. € 75.000 te betalen ten titel van voorschot op het vast te stellen bedrag van de schulden in het faillissement van [gefailleerde] die niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan,
6.3.
veroordeelt [gedaagden] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.397,92,
6.4.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 3.993,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
legt aan [gedaagde 1] en aan [gedaagde 2] ieder afzonderlijk een bestuursverbod op zoals bedoeld in artikel 106a Fw voor de duur van vijf jaar na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis,
6.7.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding door hen afzonderlijk van de hiervoor in 6.6 vermelde beslissing, met een maximum van € 100.000, te voldoen aan Dexters q.q. of, indien het faillissement van [gefailleerde] is afgewikkeld of opgeheven, conform het bepaalde in artikel 106b lid 5 Fw aan de staat,
6.8.
wijst Dexters q.q. op zijn verantwoordelijkheid zoals vermeld in r.o. 5.5.5 en gelast hem daar uitvoering aan te geven.
6.9.
Bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van dit vonnis zodra het onherroepelijk geworden is met bekwame spoed toezendt aan de Kamer van Koophandel, zodat die kan overgaan tot uitschrijving van [gedaagden] als bestuurder uit het Handelsregister en tot registratie van het bestuursverbod gedurende de duur waarvoor het is opgelegd,
6.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking) / Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures, PbEU 2015, L 141, zoals laatstelijk gewijzigd op 15 december 2021, PbEU 2021, I 455

Zie het criterium in Hof van Justitie 6 februari 2019 in zaak C-537, ECLI: EU:C:2019:96 N.K./BNP Paribas Fortis N.V.

Artikel delen