Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBOBR:2026:4078

De zaak draait om twee vragen: 1. Wie is de contractuele wederpartij van de koper van een partij plantgoed: een B.V. die een boomkwekerij exploiteert of haar bestuurder in privé? 2. Indien de B.V. wederpartij is: is haar bestuurder jegens de koper van het plantgoed aansprakelijk voor de door deze gestelde schade? De rechtbank oordeelt op basis van de omstandigheden van het geval dat de B.V. de...

Rechtbank Oost-Brabant 16 juni 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOBR:2026:4078 text/xml public 2026-06-16T20:32:13 2026-06-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-06-10 C/01/411029 / HA ZA 24-748 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4078 text/html public 2026-06-16T20:31:45 2026-06-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:4078 Rechtbank Oost-Brabant , 10-06-2026 / C/01/411029 / HA ZA 24-748
De zaak draait om twee vragen:

1. Wie is de contractuele wederpartij van de koper van een partij plantgoed: een B.V. die een boomkwekerij exploiteert of haar bestuurder in privé?

2. Indien de B.V. wederpartij is: is haar bestuurder jegens de koper van het plantgoed aansprakelijk voor de door deze gestelde schade?

De rechtbank oordeelt op basis van de omstandigheden van het geval dat de B.V. de wederpartij is en dat haar bestuurder jegens de koper van het plantgoed niet aansprakelijk is voor de door deze gestelde schade.
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/411029 / HA ZA 24-748

Vonnis van 10 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. C.A.M.H. Vink,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] , gemeente [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. S.H.O. Aben.
<nr>1</nr>De zaak in het kort
De zaak draait om twee vragen:

1. Wie is de contractuele wederpartij van de koper van een partij plantgoed: een B.V. die een boomkwekerij exploiteert of haar bestuurder in privé?

2. Indien de B.V. wederpartij is: is haar bestuurder jegens de koper van het plantgoed aansprakelijk voor de door deze gestelde schade?

De rechtbank oordeelt op basis van de omstandigheden van het geval dat de B.V. de wederpartij is en dat haar bestuurder jegens de koper van het plantgoed niet aansprakelijk is voor de door deze gestelde schade.
<nr>2</nr>De procedure 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 19 producties;- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in voorwaardelijke reconventie met 15 producties;

- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie met producties 20 en 21;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- het op 10 oktober 2025 zijdens [eiser] toegezonden formulier B-8 met productie 22;- de mondelinge behandeling van 5 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Het formulier B-8 met productie 22 zijdens [eiser] is toegevoegd aan de stukken en maakt onderdeel uit van het procesdossier.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>3</nr>De feiten 3.1.
[eiser] is via een aan hem verbonden vennootschap, [bedrijfsnaam 1] B.V. , eigenaar van onder andere twee percelen grond te [plaats] aan de [adres 1] , kadastraal bekend als [plaats] [kadastrale aanduiding 1] en [kadastrale aanduiding 2] (de “percelen”).
3.2.
[gedaagde] is, via de aan hem verbonden vennootschappen [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. , indirect aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 4] B.V. (“Boomkwekerij”). Tevens is hij een van de bestuurders van Haagenzo B.V., die een webshop voor planten exploiteert.
3.3.
[eiser] heeft op of omstreeks 11 oktober 2021 van [gedaagde] een Whatsappbericht ontvangen (het “Whatsappbericht”). Het onderwerp daarvan is de aankoop door [eiser] van 5.000 prunussen en 30.000 stuks klein plantgoed en de latere terugverkoop van het geheel door [eiser] tegen vooraf vastgestelde prijzen, alsmede “Bij komende kosten” en/of “Kosten van het bijhouden zoals onkruid enzo”.
3.4.
[eiser] heeft de in het Whatsappbericht samengevatte overeenkomst (de “overeenkomst”) in kantnummer 5 van de dagvaarding als volgt omschreven:

“a. [gedaagde] plant op het Perceel 5.000 laurierstekken (“Bomen”) en 30.000 stekken planten (“Kleine planten)”;

b. Voor het planten van de Bomen betaalde [eiser] aan [gedaagde] een stukprijs van € 6,00 en voor het klein plantgoed een stukprijs van € 0,50/0,60;

c. [gedaagde] zou de Bomen bijtijds, althans uiterlijk eind 2023, terugkopen tegen een stukprijs van € 9,00 (Bomen);

d. [gedaagde] zou de Kleine bomen bijtijds, althans uiterlijk in het voorjaar van 2024, terugkopen voor een stukprijs van € 1,60- € 2,00.”

[gedaagde] heeft deze omschrijving niet weersproken, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

Ter nadere aanduiding van het verkochte plantgoed zal, in de lijn van deze omschrijving, hierna in dit vonnis worden gesproken over de “bomen” en de “planten”.
3.5.
In het najaar van 2021 zijn de bomen op de percelen aangeplant. Op 25 oktober 2021 heeft Boomkwekerij aan [eiser] een eerste factuur ten bedrage van € 21.800,00 gestuurd voor 2/3 van de te leveren bomen en planten. In het voorjaar van 2022 zijn de planten op de percelen aangeplant, waarna Boomkwekerij ter zake van de overeenkomst aan [eiser] een tweede factuur heeft gestuurd. [eiser] heeft beide facturen van Boomkwekerij betaald. Boomkwekerij heeft [eiser] op 24 februari 2022 ook nog een factuur gestuurd voor werkzaamheden op een ander perceel, dat via [bedrijfsnaam 5] B.V. indirect ook toebehoort aan [eiser] . Deze werkzaamheden en de betreffende factuur staan echter los van de overeenkomst.

Voor dit perceel, gelegen te [plaats] aan de [adres 2] , kadastraal bekend als [plaats] [kadastrale aanduiding 3] , is in april 2022 een pachtovereenkomst tot stand gekomen tussen Boomkwekerij en [bedrijfsnaam 5] B.V.
3.6.
In augustus 2023 waren de bomen gereed voor verkoop. Boomkwekerij heeft medio september 2023 circa 300 tot 400 bomen verkocht aan Coniplant B.V. en deze gerooid.
3.7.
Op of omstreeks 21 september 2023 heeft Boomkwekerij weer 70 bomen aan Coniplant B.V. verkocht. Boomkwekerij wilde deze net als voorheen van het betreffende perceel rooien, maar [eiser] weigerde echter de toegang tot het perceel, omdat de eerste levering bomen nog niet was betaald. [eiser] stelde als voorwaarde dat de eerste levering bomen eerst betaald diende te worden en dat de nog af te nemen bomen vooraf, althans bij afname betaald dienden te worden.

Omdat [eiser] geen toegang verleende, kon Boomkwekerij de 70 bomen niet leveren aan Coniplant B.V. Deze annuleerde vervolgens de order.
3.8.
Bij brief van 22 september 2023 heeft mr. Aben [eiser] namens Boomkwekerij aansprakelijk gesteld voor de schade die Boomkwekerij zou lijden als gevolg van [eiser] ’s weigering toegang te verschaffen. De eerste levering bomen is later in 2023 alsnog betaald.
3.9.
Eind oktober 2023 hebben [eiser] en Boomkwekerij, deze laatste via mr. Aben, overlegd om nieuwe en/of duidelijker afspraken te maken over de percelen en het gepachte perceel [plaats] [kadastrale aanduiding 3] , met de bedoeling deze nieuwe en/of duidelijker afspraken vast te leggen in een vaststellingsovereenkomst. Hoewel [eiser] en Boomkwekerij op onderdelen wel tot overeenstemming konden komen, is een definitieve, alomvattende vaststellingsovereenkomst uiteindelijk niet tot stand gekomen.
3.10.
Medio november 2023 heeft Boomkwekerij 220 bomen verkocht aan boomkwekerij [A] . Boomkwekerij kon deze 220 bomen echter niet leveren, omdat de percelen onder water stonden. Daardoor konden de bomen niet worden gerooid.
3.11.
Begin februari 2024 was Coniplant B.V. weer geïnteresseerd om bomen van Boomkwekerij af te nemen. Op 9 februari 2024 bleek bij inspectie van de percelen door [gedaagde] en een medewerker van Coniplant B.V. echter dat er vanwege de zware regenval in de periode november 2023 tot februari 2024 nog steeds of weer veel water op de percelen stond. Los van het feit dat de bomen vanwege het water op het betreffende perceel niet konden worden gerooid, bleek ook dat de bomen en een groot deel van de planten vanwege de langdurige wateroverlast ter plaatste inmiddels verkleuringen en andere beschadigingen vertoonden. Coniplant B.V. was daarom niet meer in de bomen geïnteresseerd.
3.12.
In februari 2024 hebben mr. Vink namens [eiser] en mr. Aben namens Boomkwekerij weer gecorrespondeerd over de situatie rond het plantgoed, de uitvoering van de overeenkomst en een mogelijke schikking. Op 13 februari 2024 heeft mr. Aben mr. Vink geschreven:

“Cliënte heeft vorige week vrijdag met een potentiële koper de bomen geïnspecteerd. Beiden hebben vastgesteld dat vrijwel alle bomen op het perceel zwaar zijn beschadigd / zijn afgestorven als gevolg van het feit dat het perceel onder water staat. Ter staving verwijs ik naar bijgaande foto's die afgelopen vrijdag van het perceel zijn gemaakt. Cliënte wil graag bomen afnemen, maar uw cliënt kan niet leveren. De dientengevolge geleden schade van cliënte is substantieel. Cliënte heeft tot dusver € 25.000,00 aan kosten gemaakt in verband met het aanplanten en verzorgen van de bomen. Daarnaast is sprake van winstderving. Cliënte stelt uw cliënt - voor zover nog niet gebeurd - aansprakelijk voor deze schade. In het kader van een minnelijke regeling is cliënte bereid genoegen te nemen met een compensatie van de hiervoor vermelde kosten van € 25.000,00 waarna cliënte afstand doet van al haar rechten met betrekking tot dit perceel en partijen ten aanzien van dit perceel over en weer finaal zijn gekweten.”

Dit voorstel is niet door [eiser] geaccepteerd.
3.13.
Eind februari 2024 heeft [eiser] Boomkwekerij in kort geding gedagvaard en onder andere gevorderd dat Boomkwekerij alle resterende bomen en een deel van de planten binnen drie dagen na het vonnis zou verwijderen, op verbeurte van een dwangsom.Bij kortgedingvonnis van 12 april 2024 is Boomkwekerij, onder andere en voor zover voor dit geding relevant, veroordeeld om de bomen voor of uiterlijk op 1 augustus 2024 af te nemen en te verwijderen van het perceel, bij gebreke waarvan een dwangsom van € 10 per boom per dag zou worden verbeurd voor iedere dag na 1 augustus 2024 dat de bomen niet gerooid en afgevoerdzouden zijn, dit met een maximum van € 50.000. Het kortgedingvonnis is op 6 juni 2024 aan Boomkwekerij betekend, waarbij aan Boomkwekerij bevel is gedaan om aan het kortgedingvonnis te voldoen.
3.14.
Op 17 juli 2024 zijn de aanwezige (restanten van) de bomen en de planten door of namens Boomkwekerij ( [gedaagde] ) met een groot landbouwapparaat verhakseld en grotendeels onder de grond gewerkt.
3.15.
Op 6 augustus 2024 heeft [eiser] bij deurwaardersexploot aan Boomkwekerij bevel laten doen tot betaling van € 50.000 aan verbeurde dwangsommen. Volgens [eiser] had Boomkwekerij niet aan het kortgedingvonnis voldaan, aangezien de op 17 juli 2024 gevolgde werkwijze geen “rooien en afvoeren” zou zijn, zoals in het kortgedingvonnis was bepaald. In de grond waren wortelresten achtergebleven, waardoor [eiser] c.q. de eigenaar van de grond extra kosten moest maken om het perceel geschikt te maken voor akkerbouw, aldus [eiser] .
3.16.
Hoewel Boomkwekerij nog hoger beroep heeft ingesteld van het kortgedingvonnis, is op 13 augustus 2024 het faillissement van Boomkwekerij uitgesproken. [eiser] ’s advocaat heeft namens [eiser] op 21 augustus 2024 bij de curator van Boomkwekerij ter zake van “hoofdsom” een vordering ingediend van € 128.452,96. Dit bedrag bestaat uit:

€ 50.351,06 aan verbeurde dwangsommen met rente; en

voor het overige uit [eiser] ’s positief contractsbelang bij nakoming van de overeenkomst, vermeerderd met rente.
3.17.
Op 9 december 2024 heeft [eiser] ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag laten leggen op aan [gedaagde] toebehorende onroerende en roerende zaken.
<nr>4</nr>Het geschil
in conventie
4.1.
[eiser] vordert, samengevat:

1. Een verklaring voor recht dat [gedaagde] in diens hoedanigheid van oud-bestuurder van Boomkwekerij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] ;

2. Primair:

[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 128.452,96, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag;

Subsidiair:

Voor zover [gedaagde] niet in privé zaken met [eiser] gedaan heeft, [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 128.452,96, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag;

dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en beslagkosten.

Hoewel [gedaagde] ’s hoedanigheid niet van belang is voor de gevorderde veroordeling tot betaling van een bedrag, verstaat de rechtbank de primaire vordering onder 2 als gebaseerd op privéaansprakelijkheid van [gedaagde] en de subsidiaire vordering onder 2 als gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid.
4.2.
Aan deze vorderingen legt [eiser] het volgende ten grondslag. Niet, althans onvoldoende staat vast dat [gedaagde] al dan niet geheel of ten dele op persoonlijke titel dan wel geheel of ten dele namens Boomkwekerij de overeenkomst met [eiser] is aangegaan. De rechtbank leest dit betoog als het standpunt dat [gedaagde] het Whatsappbericht namens zichzelf als privépersoon verstuurde en privé partij werd bij de overeenkomst met [eiser] .Indien de rechtbank oordeelt dat [gedaagde] de overeenkomst in het geheel namens Boomkwekerij is aangegaan, heeft [gedaagde] in ieder geval persoonlijk ernstig verwijtbaar gehandeld in zijn hoedanigheid van bestuurder, omdat hij grof nalatig is geweest en ernstig zijn verplichtingen als bestuurder heeft verwaarloosd.

Op de onderbouwing van beide elementen van het betoog van [eiser] wordt hierna ingegaan.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. Hij is de overeenkomst niet als privépersoon aangegaan, maar namens Boomkwekerij. De samenwerking tussen [eiser] en Boomkwekerij heeft weliswaar niet opgeleverd wat beide partijen daarvan verwachtten, maar daarvan kan [gedaagde] gelet op de feiten en omstandigheden van deze zaak geen ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt.

in voorwaardelijke reconventie
4.5.
Onder de voorwaarde dat de vorderingen van [eiser] in conventie worden afgewezen, vordert [gedaagde] dat [eiser] wordt veroordeeld om de ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen, zoals gespecificeerd in kantnummer 44 van de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in voorwaardelijke reconventie, binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom.
4.6.
Aan deze vordering legt [gedaagde] het volgende ten grondslag. Gelet op het door hem in conventie gevoerde verweer, zijn de door [eiser] aan de beslagen ten grondslag gelegde vorderingen ondeugdelijk. Om die reden dienen de gelegde beslagen opgeheven te worden.
4.7.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van [gedaagde] ’s vorderingen. Als grondslag voor zijn verweer verwijst [eiser] naar hetgeen hij in conventie ter onderbouwing van zijn vorderingen heeft betoogd.
<nr>5</nr>De beoordeling
in conventie
5.1.
In deze zaak dienen zich twee vragen ter beantwoording aan:

Wie is [eiser] ’s wederpartij bij de overeenkomst?

Indien en voor zover Boomkwekerij [eiser] ’s wederpartij is, is [gedaagde] dan als bestuurder van Boomkwekerij aansprakelijk jegens [eiser] voor door deze laatste geleden schade?
5.2.
A. Wie is [eiser] ’s wederpartij bij de overeenkomst?
5.2.1.
In gevallen als dit, waarin een meningsverschil bestaat wie optreedt als wederpartij bij een overeenkomst en in het bijzonder of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam (dus als wederpartij van die ander) is opgetreden of als vertegenwoordiger van bijvoorbeeld een door hem bestuurde rechtspersoon, is van belang het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Kribbebijter). De Hoge Raad heeft in dit arrest als richtsnoer gegeven dat het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam (dat wil zeggen als wederpartij van die ander) is opgetreden, afhangt van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Bij de toepassing van deze maatstaf komt niet alleen betekenis toe aan de inhoud van de wederzijdse verklaringen, maar ook aan de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de mede voor de wederpartij kenbare hoedanigheid van de handelende persoon en de context waarin partijen optraden, omdat die medebepalend kunnen zijn voor de wederzijdse verwachtingen en voor de betekenis die partijen aan elkaars verklaringen geven. Ook kunnen van belang zijn verklaringen en gedragingen en andere omstandigheden die plaatsvinden nadat de overeenkomst is gesloten.
5.2.2.
Ter onderbouwing van het standpunt dat [gedaagde] bij het verzenden van het Whatsappbericht als privépersoon en niet namens Boomkwekerij handelde, heeft [eiser] het volgende gesteld:

[eiser] en [gedaagde] hebben op 11 oktober 2021 per Whatsapp een overeenkomst gesloten. Uit het WhatsAppbericht blijkt niet dat de overeenkomst is aangegaan met Boomkwekerij. Daarover is niet gesproken;

[gedaagde] heeft aanvankelijk doen voorkomen dat hij op persoonlijke titel een overeenkomst met aanzienlijke financiële gevolgen was aangegaan met [eiser] ;

[eiser] heeft diverse keren contant geld aan [gedaagde] betaald;

[gedaagde] heeft nooit gesteld dat hij voor 1/3 gedeelte van het plantgoed namens Boomkwekerij zakendeed;

[gedaagde] heeft nagelaten [eiser] voldoende duidelijk te maken of hij zakendeed met de natuurlijk persoon [gedaagde] , Boomkwekerij of HaagEnzo B.V. Naar het oordeel van [eiser] was een en ander onvoldoende overzichtelijk.
5.2.3.
[gedaagde] betwist dat hij zich privé heeft verbonden en betoogt dat Boomkwekerij de wederpartij van [eiser] is. In dat verband wijst [gedaagde] op het navolgende:

Tot deze procedure heeft nooit ter discussie gestaan dat Boomkwekerij [eiser] ’s wederpartij was;

[eiser] heeft de genoemde kortgedingprocedure aangespannen tegen Boomkwekerij en niet tegen [gedaagde] ;

Ook in de hogerberoepsprocedure die naar aanleiding van het kortgedingvonnis is gevoerd, heeft [eiser] niet gesteld dat hij een overeenkomst met [gedaagde] privé had;

De schadevergoeding die in deze procedure wordt gevorderd, bestaat voor een groot gedeelte uit de dwangsommen die in het kortgedingvonnis zijn opgelegd aan Boomkwekerij en die [eiser] van Boomkwekerij heeft gevorderd;

[eiser] heeft dezelfde vordering ook ingediend bij de curator van Boomkwekerij.
5.2.4.
De door partijen vermelde feiten en omstandigheden afzettend tegen het hiervoor geschetste juridische beoordelingskader, oordeelt de rechtbank dat Boomkwekerij [eiser] ’s wederpartij bij de overeenkomst is en niet [gedaagde] privé. De rechtbank legt uit waarop dit oordeel is gebaseerd.

Allereerst merkt de rechtbank op dat zowel [eiser] als [gedaagde] niets concreets heeft gesteld over het kernonderdeel van het Kribbebijterarrest en andere jurisprudentie over de wilsvertrouwenleer: wat hebben [eiser] en [gedaagde] jegens elkaar verklaard, wat hebben ze over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen afgeleid en wat mochten ze daaruit afleiden?

[eiser] heeft weliswaar in algemene termen gesteld dat [gedaagde] aanvankelijk heeft doen voorkomen dat hij op persoonlijke titel een overeenkomst met aanzienlijke financiële gevolgen was aangegaan met [eiser] , maar [gedaagde] heeft dat gemotiveerd betwist. Gelet op deze betwisting lag het dan ook op de weg van [eiser] om deze in algemene termen verwoorde stelling nader te concretiseren en te onderbouwen, maar dat heeft [eiser] niet gedaan. De rechtbank gaat verder dan ook voorbij aan deze stelling. Aan het opdragen van bewijs van die stelling aan [eiser] wordt niet toegekomen. Het bewijsrecht strekt er immers niet toe om lacunes in de (nadere) stelplicht te repareren.
5.2.5.
De rechtbank moet het bij de beoordeling enkel met het Whatsappbericht doen. Geen van partijen heeft iets gesteld over de voorgeschiedenis die heeft geleid tot het Whatsappbericht, maar dat kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen.

Tijdens de mondelinge behandeling is alleen besproken dat [eiser] en [gedaagde] met elkaar in contact gekomen waren, doordat [gedaagde] met een relatie van [eiser] een soortgelijke overeenkomst was aangegaan als de overeenkomst. Maar niet duidelijk is of die relatie van [eiser] de betreffende overeenkomst was aangegaan met Boomkwekerij of [gedaagde] . De rechtbank kan dus geen richting ontlenen aan dit gegeven.

Bij gebreke van stellingen over hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard, hebben partijen ook weinig tot niets concreets gesteld over hetgeen zij over en weer daaruit hadden afgeleid en mochten afleiden. Evenmin hebben zij iets gesteld over de verdere omstandigheden waaronder de overeenkomst tot stand kwam. Bij de beoordeling is de rechtbank daarom vooral aangewezen op de verklaringen en gedragingen en andere omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten.
5.2.6.
De door [eiser] op dit punt ingenomen stellingen behelzen in essentie niet meer dan dat er volgens [eiser] veel onduidelijkheid was. Onduidelijkheid alleen rechtvaardigt echter, in het licht van r.o. 5.2.7 hierna, niet de conclusie dat [gedaagde] dan maar [eiser] ’s wederpartij zou moeten zijn en niet Boomkwekerij.Ook de gestelde contante betalingen aan [gedaagde] kunnen die conclusie niet dragen. [gedaagde] was immers (indirect) bestuurder van Boomkwekerij en uit dien hoofde de aangewezen persoon om eventueel overeengekomen contante betalingen namens Boomkwekerij in ontvangst te nemen.

Kortom, de door [eiser] genoemde omstandigheden zijn, bezien in samenhang met elkaar en met [gedaagde] ’s betwisting dat hij de overeenkomst privé aanging, onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde] privé handelde en niet namens Boomkwekerij.
5.2.7.
In dit geval leiden met name feiten en omstandigheden na 11 oktober 2021 tot het oordeel dat Boomkwekerij [eiser] ’s wederpartij was. [gedaagde] heeft terecht verwezen naar het feit dat, onder andere in de diverse correspondentie in 2023 en 2024tussen mr. Aben enerzijds en [eiser] en zijn zoon en mr. Vink anderzijds, alle betrokken personen ervan zijn uitgegaan dat de overeenkomst bestond tussen [eiser] en Boomkwekerij.Een bevestiging hiervan kan worden gezien in het aanspannen van de kortgedingprocedure tegen Boomkwekerij, het betekenen en executeren van het kortgedingvonnis tegen Boomkwekerij en het vervolgens zonder enig voorbehoud bij de curator van Boomkwekerij indienen van [eiser] ’s gestelde vordering.

Ten overvloede wijst de rechtbank nog op de volgende omstandigheden:

[gedaagde] was in [eiser] ’s telefoon vermeld als “ [gedaagde] ”, wat een afkorting lijkt van “ [bedrijfsnaam 4] ” (zie het Whatsappbericht);

In ieder geval de eerste factuur voor geleverde bomen en planten en de factuur van 24 februari 2022 voor werkzaamheden op het perceel [plaats] [kadastrale aanduiding 3] waren verzonden op briefpapier van Boomkwekerij, waarover [gedaagde] geen opmerkingen heeft gemaakt;

[eiser] heeft zelf in de dagvaarding bevestigd dat Boomkwekerij aan [eiser] in ieder geval vier betalingen heeft verricht voor afgenomen bomen;

Boomkwekerij was de vennootschap van [gedaagde] voor soortgelijke zakelijke activiteiten; en

Boomkwekerij heeft met [bedrijfsnaam 5] B.V. voor het perceel [plaats] [kadastrale aanduiding 3] een pachtovereenkomst gesloten.

Dat alles wijst erop dat [eiser] met Boomkwekerij zaken deed en niet met [gedaagde] in privé. Zo heeft [gedaagde] de gang van zaken redelijkerwijs mogen opvatten.

Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden gebleken die in de richting van privégebondenheid zouden wijzen, in de zin die partijen daar redelijkerwijs aan hebben mogen geven.
5.2.8.
De conclusie uit het voorgaande is dat [gedaagde] niet [eiser] ’s contractuele wederpartij uit de overeenkomst is en dat [eiser] ’s op privégebondenheid gebaseerde vorderingen moeten worden afgewezen. Dit geldt dus voor het in conventie onder 2 primair gevorderde.
5.3.
B. Indien en voor zover Boomkwekerij [eiser] ’s wederpartij is, is [gedaagde] dan als bestuurder aansprakelijk jegens [eiser] voor door deze laatste gestelde?
5.3.1.
Indien een rechtspersoon partij is bij een overeenkomst, is deze rechtspersoon zelfstandig drager van de rechten en verplichtingen uit de overeenkomst. Bestuurders zijn in beginsel jegens derden niet aansprakelijk voor handelingen van de rechtspersoon, zoals een tekortkoming in de nakoming van verbintenissen of een onrechtmatige daad. Op deze hoofdregel gelden enkele uitzonderingen, die in de loop der tijd als categorieën van externe aansprakelijkheid in de rechtspraak zijn uitgekristalliseerd.

Deze categorieën verschillen al naargelang de aard van de verweten gedraging en de relevante omstandigheden, maar hebben gemeen dat sprake moet zijn van een aan de betreffende bestuurder over zijn handelen te maken persoonlijk ernstig verwijt. Uitzonderingen op het vereiste persoonlijk ernstig verwijt worden gevonden in specifieke wettelijke ‘anti-misbruikbepalingen’, zoals art. 2:248 BW en art 36 van de Invorderingswet 1990.

Door het vereiste persoonlijk ernstig verwijt geldt voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder een hoge drempel. Die hoge drempel wordt volgens de Hoge Raad gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de derde in de eerste plaats sprake is van handelingen van de rechtspersoon, en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Bepalend zijn de kennis en inzichten van een geobjectiveerde, voor zijn of haar taak toegeruste en redelijk bekwame bestuurder, de zogenoemde ‘maatman’- bestuurder. Dit is een gemiddelde bestuurder en geen topbestuurder, die een zekere marge heeft om te ondernemen en waarbij het maken van fouten hoort bij de risico’s die ondernemen met zich brengt.
5.3.2.
[eiser] legt aan zijn aanspraak jegens [gedaagde] als bestuurder de als volgt verwoorde varianten van bestuurdersaansprakelijkheid ten grondslag:

Onbehoorlijke taakvervulling, ondeugdelijke financiële en boekhoudkundige administratie;

Misbruik van identiteitsverschil (Rainbow/Ontvanger);

Verhaalsfrustratie (Ontvanger/ Roelofsen ); en

Het aangaan van verplichtingen namens Boomkwekerij in de wetenschap dat deze die verplichtingen niet kan nakomen en geen verhaal zal bieden voor verhaal ( Beklamel en Ontvanger/ Roelofsen ).
5.3.3.
[gedaagde] betwist dat hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarbij betoogt [gedaagde] dat [eiser] in de dagvaarding onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld en dat de dagvaarding hoofdzakelijk een aaneenschakeling is van ongefundeerde beweringen die gemotiveerd zijn betwist.
5.3.4.
De rechtbank zal hierna beoordelen of uit het dossier blijkt van feiten en omstandigheden op grond waarvan sprake kan zijn van bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde] . Daarbij wordt de door [eiser] gemaakte indeling aangehouden.

De overeenkomst, lacunes daarin en de oorzaak van de wateroverlast op de percelen
5.3.5.
Eerst merkt de rechtbank echter het volgende op over de overeenkomst, de lacunes daarin en de oorzaak van de wateroverlast op de percelen. In het kortgedingvonnis van 12 april 2024 heeft de voorzieningenrechter al voorop gesteld dat [eiser] en Boomkwekerij hun afspraken in het Whatsappbericht slechts uiterst summier en gebrekkig hebben vastgelegd. De tekst daarvan laat op zichzelf al veel ruimte voor interpretatie en vertoont bovendien grote leemten, waar het bijvoorbeeld betreft de verdeling van risico’s van schade aan het plantgoed tijdens de overeengekomen looptijd van de overeenkomst vanwege ziekte, bederf en/of (extreme) weersinvloeden (zoals langdurige droogte of wateroverlast).

De rechtbank neemt die overweging over.Betrokkenen lijken zich pas door de langdurige regenval in de periode november 2023 tot februari 2024 en de daardoor ontstane wateroverlast op de percelen gerealiseerd te hebben dat over de verantwoordelijkheid voor het plantgoed en het uitvalrisico geen (duidelijke) afspraken waren gemaakt.
5.3.6.
Niet ter discussie staat dat er in de genoemde periode zeer veel regen is gevallen en dat de percelen regelmatig onder water stonden.Over de directe oorzaak van de wateroverlast verschilden [eiser] en Boomkwekerij tijdens het kort geding echter van mening en verschillen [eiser] en [gedaagde] in dit geding nog steeds van mening.[eiser] stelt dat de percelen niet, althans niet zo ernstig en langdurig, onder water zouden hebben gestaan als Boomkwekerij als onderdeel van het door Boomkwekerij uit te voeren onderhoud van het plantgoed geulen op de percelen had gegraven om het water af te voeren.

Boomkwekerij (in het kort geding) en [gedaagde] (in dit geding) hebben gesteld dat de directe oorzaak lag in het overlopen van een groot naast de percelen gelegen waterreservoir van het landbouwbedrijf van [eiser] ’s buurman. Om te voorkomen dat dit waterreservoir zou overstromen, zou een wateruitlaat ‘overtollig water’ hebben geloosd in de sloot tussen het waterreservoir en de percelen. Het waterniveau in deze sloot stond daardoor zo hoog dat water van de percelen niet meer kon worden afgevoerd, aldus Boomkwekerij en [gedaagde] .

[eiser] heeft het lozen uit de wateroverlaat niet betwist, maar heeft gesteld dat dit zich alleen eind november 2023 heeft voorgedaan.

Geen van partijen heeft zodanig overtuigend bewijs geleverd van de gestelde directe oorzaak dat de rechtbank daar nu gevolgen aan kan verbinden. Zonder nader onderzoek staat de directe oorzaak van de wateroverlast en de schade in dit geding dan ook niet vast. De stellingen van [eiser] op dit punt zijn onvoldoende ter toelichting van deze oorzaak en doen verder voor de beoordeling niet ter zake in het licht van de beoordeling van de verantwoordelijkheid tot handelen bij wateroverlast onder 5.3.7 hieronder.
5.3.7.
Ten aanzien van de verantwoordelijkheid tot handelen bij wateroverlast dienen zich twee vragen aan:

(i) wat bracht de goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke constellatie die uit de overeenkomst voortvloeide met zich?

(ii) wat hield de onderhoudsplicht van Boomkwekerij ten aanzien van het plantgoed in?Om met het laatste te beginnen: het Whatsappbericht zelf vermeldt alleen “Kosten van het bij houden zoals onkruid en zo”.

Uit de stukken blijkt dat gedacht werd aan het besproeien met insecticiden, het verwijderen van onkruid en het eventueel noodzakelijke snoeiwerk.

Viel het graven van geulen in de grond daar ook onder?

Of, en dat raakt de eerste vraag, behoorde dit tot de verantwoordelijkheid van [eiser] ? Deze was in de genoemde periode via [bedrijfsnaam 1] B.V. immers indirect eigenaar van de percelen èn van het plantgoed. Dit was bij afwezigheid van nadere afspraken tussen [bedrijfsnaam 1] B.V. en [eiser] immers door natrekking eigendom geworden van [bedrijfsnaam 1] B.V. , en daarmee indirect van [eiser] . Indien [bedrijfsnaam 1] B.V. en [eiser] wel afspraken hadden gemaakt die aan natrekking in de weg zouden staan, dan was [eiser] ook langs die weg eigenaar van het plantgoed. Dit aspect laat uiteraard de afspraken over verzorging van het plantgoed zelf door Boomkwekerij onverlet, maar is wat betreft de verantwoordelijkheid om wateroverlast op te lossen belangrijk.
5.3.8.
In het door [gedaagde] als productie 6 overgelegde WhatsAppbericht van 18 november 2023 schrijft [eiser] aan [gedaagde] over de wateroverlast

“Er wordt maandag naar het waterschap gebeld hoe op te lossen”

Deze mededeling van [eiser] lijkt minst genomen te suggereren dat de wateroverlast zeer ernstig was. Ook lijkt deze mededeling minst genomen te suggereren dat [eiser] zich verantwoordelijk achtte.

De eveneens als productie 6 overgelegde schermafdruk van WhatsAppberichten van 6 december 2023 toont de volgende conversatie tussen [eiser] en [gedaagde] .

[gedaagde] : “Weetje al iets van de verzekering”

[eiser] : “Nee kan lang duren”

[gedaagde] : “Hoe komt dat”

[eiser] : Verzekering tegen verzekering duurt altijd lang”

Ook deze mededeling lijkt minst genomen te suggereren dat [eiser] zich ‘(probleem)eigenaar’ achtte. Anders zou hij immers geen reden hebben gezien om contact op te nemen met zijn verzekeraar.
5.3.9.
Voor wat betreft de over en weer uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten heeft mr. Aben er in het in r.o. 3.12 aangehaalde e-mailbericht op gewezen dat [eiser] niet alleen plantgoed van Boomkwekerij had gekocht maar zelf ook een leverplicht had ten aanzien van gezonde bomen en dat [eiser] die verplichting als gevolg van de wateroverlast en de zwaar beschadigde/afgestorven bomen niet kon nakomen. Voor de als gevolg daarvan door Boomkwekerij geleden schade werd [eiser] in dat e-mailbericht aansprakelijk gesteld.
5.3.10.
Partijen zijn in het partijdebat weinig tot niet ingegaan op de hiervoor in r.o. 5.3.7-5.3.9 vermelde aspecten en hebben zich vooral op het element van de bestuurdersaansprakelijkheid geconcentreerd.[eiser] heeft onvoldoende toegelicht dat Boomkwekerij een taak of zorgplicht had op dit gebied en daarin tekort is geschoten en dat [eiser] daardoor schade heeft geleden. Bij gebreke van een nadere toelichting moet de rechtbank het ervoor houden dat Boomkwekerij niet verantwoordelijk was voor oplossingen op dit gebied.

De hierin gelegen onduidelijkheid weegt ook mee bij de beoordeling van de door [eiser] aan [gedaagde] gemaakte verwijten.

Duidelijke en strak omlijnde verplichtingen van Boomkwekerij met een duidelijke inkadering van de verantwoordelijkheden over en weer, vragen immers om een strengere toets dan vaagheid en onduidelijkheid, die bijna vanzelf leiden tot een ruimere interpretatie- en beleidsruimte voor een bestuurder, die keuzes maakt in het belang van de onderneming.
5.4.
a. Onbehoorlijke taakvervulling, ondeugdelijke financiële en boekhoudkundige administratie :
5.4.1.
Ter onderbouwing van het standpunt dat [gedaagde] als bestuurder van Boomkwekerij jegens [eiser] aansprakelijk is, heeft [eiser] het volgende gesteld:

De jaarrekening van Boomkwekerij over 2022 is niet tijdig gepubliceerd; en

De financiële huishouding en administratie van Boomkwekerij waren niet op orde;

Wegens overtreding van de artikelen 2:10 lid 2 en 2:394 lid 3 BW staat aldus volgens [eiser] op grond van art. 2:248 BW [gedaagde] ’s onbehoorlijk bestuur vast en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Volgens [eiser] is sprake van een onweerlegbaar bewijsvermoeden van onbehoorlijke taakvervulling.
5.4.2.
[gedaagde] voert op dit punt verweer en betoogt dat de wettelijke regeling van art. 2:248 BW alleen jegens de curator van Boomkwekerij geldt en dat [eiser] geen vorderingsrecht op grond van dat wetsartikel heeft.
5.4.3.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] als schuldeiser inderdaad geen rechten kan ontlenen aan of anderszins baat heeft bij deze wettelijke bepalingen. Hoewel juist is dat de jaarrekening 2022 van Boomkwekerij blijkens het faillissementsverslag van de curator te laat is gedeponeerd en hoewel [gedaagde] ’s onbehoorlijk bestuur als bedoeld in deze wettelijke bepaling mag vaststaan, spelen die omstandigheden in de verhouding tussen [eiser] als schuldeiser van Boomkwekerij en [gedaagde] als bestuurder geen rol. De aansprakelijkheid die uit artikel 2:248 BW voortvloeit, geldt enkel jegens de boedel en niet jegens [eiser] .

Zonder toelichting valt ook niet in te zien hoe de door [eiser] genoemde omstandigheden zouden hebben geleid tot de door hem gestelde schade of het faillissement.
5.5.
b. Misbruik van identiteitsverschil (Rainbow/Ontvanger);
5.5.1.
Ter onderbouwing van het standpunt dat [gedaagde] als bestuurder van Boomkwekerij jegens [eiser] aansprakelijk is, heeft [eiser] verder betoogd dat [gedaagde] op onrechtmatige wijze misbruik heeft gemaakt van het identiteitsverschil van verschillende aan hem verbonden rechtspersonen. [eiser] heeft verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad Rainbow/Ontvanger en heeft in dat kader het volgende gesteld:

[gedaagde] heeft naast Boomkwekerij nog andere commerciële activiteiten. Hij is dga van Haagenzo B.V., [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. ;

[eiser] weet niet hoe [gedaagde] diverse geldstromen al dan niet voor eigen privégebruik en al dan niet tussen diverse vennootschappen heeft laten lopen;

Het gedeeltelijk zaken doen vanuit privé en Haagenzo B.V. om te voorkomen dat de overeenkomst is gesloten met Boomkwekerij is een voorbeeld van onbehoorlijk bestuur.
5.5.2.
[gedaagde] voert op dit vlak aan dat onduidelijk is hoe misbruik van identiteitsverschil tussen twee rechtspersonen zou zijn gemaakt en hoe dit eventuele identiteitsverschil verband houdt met de ingestelde vordering. [gedaagde] betwist dat hij privé zakelijke activiteiten uitvoert en dat privé en zakelijke geldstromen door elkaar lopen.
5.5.3.
De Hoge Raad heeft in het arrest Rainbow/Ontvanger voorop gesteld dat door degene die volledige of overheersende zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen en dat hetgeen met dit misbruik wordt beoogd, niet in rechte behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht.
5.5.4.
De rechtbank is, mede gelet op [gedaagde] ’s betwisting, van oordeel dat hetgeen [eiser] op dit vlak heeft aangevoerd onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd is om de vordering te kunnen dragen. Partijen zijn het in wezen met elkaar eens dat ondernemers bij de structurering van hun activiteiten en de compartimentering van de daaraan verbonden risico’s veelal gebruik maken van verschillende rechtspersonen. [eiser] doet dit zelf ook. Het hebben van zo’n structuur sec betekent dus niets.[eiser] heeft enkel verwezen naar het bestaan van diverse vennootschappen aan de zijde van [gedaagde] , maar hij heeft niet aangegeven op welk moment hij op welk punt door het bestaan van deze meerdere vennootschappen redelijkerwijze in verwarring is gebracht of is geschaad.

Uit hetgeen eerder in dit vonnis is overwogen, blijkt dat alleen ter discussie staat of [gedaagde] namens Boomkwekerij handelde of privé maar geenszins kwam de vraag aan de orde namens welke entiteit [gedaagde] zou hebben gehandeld. [eiser] heeft ook niets concreets gesteld over geldstromen die aan Boomkwekerij zouden toekomen maar via andere vennootschappen zijn omgeleid of aan hen ten goede zijn gekomen.

Van de door [eiser] genoemde vennootschappen is alleen Haagenzo B.V., die een webshop in planten exploiteert, mogelijk ooit bij [eiser] in beeld geweest, maar dat was op een heel ander vlak, dat in dit geding niet aan de orde is. Het bestaan van Haagenzo en de andere door [eiser] genoemde aan [gedaagde] verbonden vennootschappen is noch op of omstreeks 11 oktober 2021 (de datum van het Whatsappbericht) noch naderhand aantoonbaar van invloed geweest op het sluiten of uitvoeren van de overeenkomst.
5.6.
c. Verhaalsfrustratie (Ontvanger/ Roelofsen ).
5.6.1.
Ter onderbouwing van het standpunt dat [gedaagde] als bestuurder van Boomkwekerij jegens [eiser] aansprakelijk is, heeft [eiser] eveneens betoogd dat [gedaagde] ten onrechte mogelijkheden tot verhaal gefrustreerd heeft. [eiser] heeft verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad Ontvanger/ Roelofsen en heeft op dit vlak het volgende gesteld:

[gedaagde] heeft niet goed voor de planten gezorgd;

[gedaagde] heeft het plantgoed niet goed onderhouden. Hij heeft geen insecticiden gebruikt;

[gedaagde] heeft toen het land drassig werd verzuimd geulen te graven om overtollig water af te voeren;

[gedaagde] heeft het plantgoed niet tijdig op goede wijze gerooid en verwijderd;

[gedaagde] heeft in juli 2024 nog planten met waarde 'onder de grond geschoffeld'.
5.6.2.
[gedaagde] betwist dat sprake is van verhaalsfrustratie. Hij betoogt dat de dagvaarding niet duidelijk maakt waaruit deze zou hebben bestaan en wat het causaal verband zou zijn met de gevorderde schadevergoeding. [gedaagde] betwist dat hij de planten niet goed heeft verzorgd. Hij had er zelf belang bij om ze goed te verzorgen, opdat hij ze vervolgens zou kunnen verkopen. Hij heeft ze blijkens de orders van Coniplant B.V. en boomkwekerij [A] ook kunnen verkopen, ware het niet dat de waterschade daaraan in de weg stond.
5.6.3.
In de uitspraak Ontvanger/ Roelofsen heeft de Hoge Raad geoordeeld over een geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

Veelvoorkomende verschijningsvormen van dit type bestuurdersaansprakelijkheid zijn het bewust en opzettelijk onbetaald laten van één schuldeiser of het verrichten van ongeoorloofde selectieve betalingen en het zonder adequate reden onttrekken van vermogensbestanddelen aan de vennootschap. De vennootschap wordt met andere woorden “leeggehaald”, waardoor de schuldeisers geen verhaal meer kunnen zoeken op het vermogen van de vennootschap.

Met absolute zekerheid weten of behoren te begrijpen dat iets in de toekomst zal gebeuren, namelijk dat een of meer schuldeisers schade zullen lijden, is meestal onmogelijk. Op grond van de omstandigheden van het geval moet kunnen worden vastgesteld dat de bestuurder vanaf een bepaald moment kon of redelijkerwijze moest verwachten dat de rechtspersoon niet zou nakomen.
5.6.4.
De rechtbank beoordeelt eerst de stellingen van [eiser] wat betreft categorie (ii). De door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden afzettend tegen het hiervoor geschetste juridische beoordelingskader, oordeelt de rechtbank dat hetgeen [eiser] op dit vlak heeft aangevoerd ook onvoldoende is om te concluderen tot aansprakelijkheid van [gedaagde] als bestuurder. De rechtbank legt uit waarop dit oordeel is gebaseerd.
5.6.5.
In essentie komen de verwijten die [eiser] [gedaagde] op dit punt maakt erop neer dat Boomkwekerij haar verplichtingen uit de overeenkomst en de veroordelingen uit het kortgedingvonnis van 12 april 2024 niet is nagekomen.

Zoals hiervoor in r.o. 5.3.5 tot en met 5.3.10 al is overwogen, bestaat er veel onduidelijkheid over hetgeen de overeenkomst met zich bracht, wat voor verbintenissen daaruit voortvloeiden voor Boomkwekerij en de directe oorzaak van de wateroverlast. Bijgevolg valt op basis van de uit het dossier blijkende feiten niet althans onvoldoende vast te stellen dat Boomkwekerij haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen toerekenbaar niet is nagekomen en in welke mate. Deze onduidelijkheid geldt ook voor een aan Boomkwekerij eventueel verweten onrechtmatige daad.

Omdat [eiser] hierover te weinig heeft gesteld en aldus niet kan worden vastgesteld dat Boomkwekerij haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen, moet de rechtbank het ervoor houden dat niet is voldaan aan de in Ontvanger/ Roelofsen voor bestuurdersaansprakelijkheid opgenomen voorwaarde dat sprake is van aansprakelijkheid van de vennootschap.
5.6.6.
Daarbij komt dat het element van het ‘frustreren’ van verhaal van de eventueel uit een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad voortvloeiende schade niet, althans ruim onvoldoende, wordt toegelicht door [eiser] .

De enige stelling die [eiser] aan dat element heeft gewijd, is de niet met concrete gegevens onderbouwde stelling dat [gedaagde] medio 2024 alle aanwezige bomen en planten machinaal heeft geruimd, terwijl daar nog te verkopen bomen en planten tussen zouden zitten. Niet gesteld is om hoeveel bomen of planten het zou gaan, wat de staat en waarde ervan was en dat er daadwerkelijk ook kopers zouden zijn voor een waarschijnlijk beperkte restantpartij.

[gedaagde] heeft dit verwijt voldoende ontkracht met de stelling dat de planten door de langdurige wateroverlast echt onverkoopbaar waren, wat blijkt uit het feit dat Coniplant B.V. niet meer geïnteresseerd was.

Het door partijen in het geding gebrachte beeldmateriaal laat grote hoeveelheden verkleurd plantgoed zien. Door [eiser] is onvoldoende toegelicht dat daar veel nog te verkopen bomen en planten tussen zouden zitten, die ook nog op een rendabele wijze door Boomkwekerij of [eiser] geoogst en verkocht zouden kunnen worden.

Verder weegt de rechtbank mee dat [eiser] zelf via betekening van het kortgedingvonnis ontruiming van de percelen heeft afgedwongen en dat Boomkwekerij vanaf 1 augustus 2024 een dwangsom zou verbeuren indien de percelen dan niet ontruimd zouden zijn. In het licht van die tijdsdruk en de financiële gevolgen van overschrijding van de gestelde datum, zou begrip opgebracht kunnen worden voor de beslissing van ( [gedaagde] als bestuurder van) Boomkwekerij om de waarschijnlijk weinige eventueel nog verkoopbare bomen en struiken als het ware op te offeren. De opbrengst zou waarschijnlijk niet opwegen tegen de kosten van de te verbeuren dwangsom (daar moet de rechtbank het bij gebreke van een onderbouwing voor houden). Die beslissing zou de maatman-bestuurder ook genomen kunnen hebben en is in ieder geval niet zo onbegrijpelijk, dat [gedaagde] daarover een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
5.7.
d. Het aangaan van verplichtingen namens Boomkwekerij in de wetenschap dat deze die verplichtingen niet kan nakomen en geen verhaal zal bieden voor verhaal ( Beklamel en Ontvanger/ Roelofsen categorie (i)).
5.7.1.
Ter onderbouwing van het standpunt dat [gedaagde] als bestuurder van Boomkwekerij jegens [eiser] aansprakelijk is, heeft [eiser] tenslotte betoogd dat [gedaagde] de overeenkomst is aangegaan namens Boomkwekerij, hoewel hij op dat moment al wist of behoorde te weten dat Boomkwekerij haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor verhaal door [eiser] . [eiser] heeft op dit vlak het volgende gesteld:

[gedaagde] heeft van meet af aan verzuimd het plantgoed goed te onderhouden, door bijvoorbeeld geen insecticiden te gebruiken;

Tevens heeft hij verzuimd tijdig het plantgoed op een goede wijze te rooien en te verwijderen;

Toen het land drassig werd, heeft hij ten onrechte nagelaten om geulen te graven om het overtollig water af te voeren zoals een redelijk handelend bestuurder wél zou hebben gehandeld;

Het heeft er dus alle schijn van dat de bestuurder [gedaagde] nimmer de intentie had om terug te kopen.
5.7.2.
[gedaagde] heeft, onder andere verwijzend naar de verkoop van bomen aan Coniplant B.V. en boomkwekerij [A] , gemotiveerd betwist dat het plantgoed niet goed werd verzorgd. Ook blijkt uit deze verkopen volgens [gedaagde] dat het wel degelijk de bedoeling was dat Boomkwekerij bomen en planten van [eiser] zou afnemen en dat ook heeft gedaan.
5.7.3.
Ook voor dit verwijt biedt het in r.o. 5.6.3 aangehaalde arrest van de Hoge Raad Ontvanger/ Roelofsen (en Beklamel ) het juridische beoordelingskader. De door partijen genoemde feiten en omstandigheden afzettend tegen dat beoordelingskader, oordeelt de rechtbank dat hetgeen [eiser] op dit vlak heeft aangevoerd ook onvoldoende is om te concluderen tot aansprakelijkheid van [gedaagde] als bestuurder. De rechtbank legt uit waarop dit oordeel is gebaseerd.
5.7.4.
Verwezen wordt naar r.o. 5.3.10 en 5.6.5 hiervoor: niet voldoende toegelicht is de stelling van [eiser] dat Boomkwekerij relevante verbintenissen had (zoals het oplossen van de wateroverlast) en in de nakoming daarvan tekort is geschoten. [eiser] heeft in het geheel geen feiten of omstandigheden gesteld die zich op of omstreeks 11 oktober 2021, de datum waarop de overeenkomst werd gesloten, hebben voorgedaan. Die datum is echter wel de peildatum voor de bij [gedaagde] aanwezige of aanwezig te achten kennis.

De rechtbank memoreert op dit punt tenslotte nogmaals dat [eiser] zelf ook heeft bevestigd dat Boomkwekerij een aantal malen bomen van hem heeft afgenomen. Dat valt niet te rijmen met de vereiste kennis dat Boomkwekerij haar verplichtingen uit de overeenkomst niet zou kunnen nakomen.

Hetgeen [eiser] verder heeft aangevoerd is door [gedaagde] gemotiveerd betwist. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het vervolgens op de weg van [eiser] gelegen om zijn standpunt en stellingen feitelijk en concreet (nader) te onderbouwen. Nu dat is nagelaten, wordt ook op dit punt aan het opdragen van bewijs aan [eiser] niet toegekomen.
5.8.
De slotconclusie van het voorgaande is dat uit het dossier niet blijkt van feiten en omstandigheden op grond waarvan [gedaagde] als bestuurder van Boomkwekerij aansprakelijk is jegens [eiser] voor eventueel door hem ter zake van de overeenkomst geleden schade. De vorderingen van [eiser] worden dan ook alle afgewezen.
5.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht



2.626,00

- salaris advocaat



3.858,00

(2 punten × € 1.929,00)

- nakosten



178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



6.662,00

in voorwaardelijke reconventie:
5.10.
Nu de vorderingen van [eiser] in conventie worden afgewezen, is de voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen van [gedaagde] zijn ingesteld vervuld. De rechtbank zal deze vorderingen en hetgeen [eiser] en [gedaagde] dienaangaande hebben aangevoerd dan ook beoordelen.
5.11.
Uit hetgeen in conventie is overwogen en geoordeeld, blijkt dat [eiser] ’s aan de gelegde conservatoire beslagen ten grondslag gelegde vorderingen worden afgewezen en in beslagrechtelijke termen ondeugdelijk zijn. Daarmee is voldaan aan een van de in artikel 705 lid 2 Rv. voor opheffing van conservatoire beslagen vermelde imperatief geformuleerde opheffingsgronden. De rechtbank zal daarom die beslagen opheffen (tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de vordering hierop neerkomt), een en ander als hieronder uitgewerkt in de beslissing.
5.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris advocaat



964,50

(0,5 punt × € 1.929,00)

- nakosten



100,00

Totaal



1.064,50
<nr>6</nr>De beslissing
De rechtbank

in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 6.662,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 vermelde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

in voorwaardelijke reconventie

heft op het ten laste van [gedaagde] gelegde beslag op:

een personenauto, merk Opel, met kenteken: [kenteken 1] ;

een bedrijfsauto, merk Mercedes, met kenteken: [kenteken 2] ;

een bedrijfsauto, merk Mercedes, met kenteken: [kenteken 3] ;

een landbouw- of bostrekker, merk Fendt, met kenteken: [kenteken 4] ;

het aan [gedaagde] toebehorende aandeel in de onverdeelde onroerende zaak, zijnde de woning, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres 3] , kadastraal bekend als [plaats] [kadastrale aanduiding 4] ,
6.5.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.064,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.4 en 6.5 vermelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9284.

HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034.

Zie hierboven r.o. 3.8, 3.9 en 3.12.

HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758.

Artikel delen