Mijnbouwschade. Immateriële schadevergoeding. Gestandaardiseerde methode. Gelijktrekking binnen huishoudens. Minderjarigenregeling. Ongegrond.
Rechtbank Noord-Nederland 5 augustus 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3175
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
26/114
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBNNE:2026:3175text/xmlpublic2026-08-05T18:00:182026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Noord-Nederland2026-07-2926/114UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLGroningenBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:3175text/htmlpublic2026-08-03T13:12:492026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBNNE:2026:3175 Rechtbank Noord-Nederland , 29-07-2026 / 26/114 Mijnbouwschade. Immateriële schadevergoeding. Gestandaardiseerde methode. Gelijktrekking binnen huishoudens. Minderjarigenregeling. Ongegrond.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/114
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres en Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut (gemachtigden: mr. K.A. Emmelkamp en mr. R.L. Gritter). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van het aan eiseres toekomende bedrag ter vergoeding van immateriële schade veroorzaakt door (de schadeafhandeling van) mijnbouwactiviteiten. Eiseres is het niet eens met het toegekende bedrag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er met het bestreden besluit terecht een bedrag van € 1.500,-- aan eiseres is toegekend. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 21 mei 2022 en 7 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor de vergoeding van immateriële schade. Deze aanvragen zijn afgewezen. Hier heeft eiseres geen bezwaar tegen ingediend. 2.1. Op 10 september 2025 heeft eiseres een vervolgaanvraag ingediend voor de vergoeding van immateriële schade. Het Instituut heeft met het besluit van
24 oktober 2025 een bedrag van € 1.500,-- toegekend. Met het bestreden besluit van
19 november 2025 op het bezwaar van eiseres is het Instituut bij deze toekenning gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het Instituut. Wat vindt eiseres in beroep 3. Eiseres is het - kort samengevat - niet eens met het aan haar toegekende bedrag van € 1.500,--, zij meent dat zij recht heeft op € 5.000,--. Haar partner en haar jongste zoon hebben elk € 5.000,-- gekregen en eiseres meent dat haar vergoeding gelijkgetrokken moet worden met deze vergoeding. Daarnaast is de PIA, profiel 4, onvoldoende meegewogen. Dit is bijzonder frustrerend omdat juist eiseres als ouder en ‘sterke’ persoon in het gezin meer leed heeft ervaren en met meer stress te maken heeft gehad. Toetsingskader 4. In beginsel wordt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade behandeld aan de hand van een gestandaardiseerde methode. Een aanvraag wordt door het Instituut getoetst aan vier bouwstenen, te weten de locatie (1), de veiligheidssituatie (2), de omvang van de fysieke schade (3) en de duur van de schadeafhandeling (4). Deze vier bouwstenen worden vervolgens onderverdeeld in situaties waaraan ‘aanwijzingen’ zijn verbonden van geen tot en met vier aanwijzingen (bij locatie is het maximaal aantal aanwijzingen twee). Hoe meer aanwijzingen aan een aanvrager worden toegekend hoe hoger de uitkering wordt per persoon. Er zijn vier vergoedingen mogelijk, namelijk géén vergoeding, € 1.500,-, € 3.000,- of € 5.000,- per persoon. Naast deze bouwstenen kan een aanvrager ervoor kiezen een Persoonlijke Impact Analyse (PIA) in te vullen. In sommige gevallen kan de uitkomst van de PIA het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding corrigeren, waarbij het maximumbedrag € 5.000,- blijft. 4.1. In het geval er binnen een huishouden uit de gestandaardiseerde methode, dus via de bouwstenen en de PIA, verschillende bedragen voor de verschillende leden van het huishouden volgen, kan dit volgens het beleid van het Instituut gelijkgetrokken worden. Er gelden voorwaarden voor het gelijktrekken binnen een huishouden. Daarbij is het zo dat, in het geval een lid van het huishouden eerder deel heeft genomen aan een ander huishouden en op grond van dat huishouden gelijk is getrokken met andere gezinsleden, deze persoon de toekenning niet nogmaals kan doorgeven. Enkel de persoonlijke vergoeding (via de bouwstenen en de PIA) kan worden doorgegeven. 4.2. Tot slot geldt voor minderjarige kinderen volgens het beleid van het Instituut, kortgezegd, dat zij hetzelfde bedrag krijgen als één van de wettelijk vertegenwoordiger(s). Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het hoogst toegekende bedrag. De situatie van eiseres 5. Eiseres woonde van 16 augustus 2012 tot 10 juni 2021 aan [adres 1] te [woonplaats]. Vanaf 10 juni 2021 tot heden woont eiseres samen met haar echtgenoot en twee kinderen in de woning aan [adres 2], [postcode], te [woonplaats] (de woning). Haar oudste zoon is uit een eerdere relatie, haar jongste zoon heeft zij samen met haar huidige echtgenoot. De woning is vanaf 10 juni 2020 onderdeel geweest van de versterkingsoperatie. Op 27 februari 2025 is de woning door de NCG ‘op norm’ verklaard, dit houdt in dat de woning aan de Nederlandse veiligheidsnorm voldoet. Er is verschillende keren een schadevergoeding toegekend voor schade aan de woning. Ten tijde van het nemen van het besluit was er een bedrag aan schadevergoeding voor fysieke schade van € 7.402,79 toegekend. Eiseres en haar oudste zoon hebben een vergoeding voor immateriële schade van € 1.500,-- toegekend gekregen. De echtgenoot van eiseres en haar jongste zoon hebben een vergoeding voor immateriële schade gekregen van € 5.000,--. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank stelt vast dat de gestandaardiseerde methode zoals deze is opgenomen in de Procedure en Werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (de Werkwijze) niet door eiseres wordt betwist. Daarbij heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank met de uitspraak van 20 april 2023 geoordeeld dat het systeem met aanwijzingen per bouwsteen dat het Instituut hanteert, in beginsel passend is om in een groot aantal zaken de immateriële schade te beoordelen. Ook is niet in geschil dat eiseres in een woning heeft gewoond die onderdeel heeft uitgemaakt van de versterkingsoperatie van de NCG, zodat een aanwijzing voor veiligheid is toegekend. De noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen, waar twee aanwijzingen voor worden toegekend, is niet vastgesteld. Verder constateert de rechtbank dat uit de stukken volgt en ook ter zitting is toegelicht dat het voor eiseres vooral belangrijk is dat zij met haar gezin één en hetzelfde leed heeft ervaren. Binnen het gezin worden er echter wel verschillende bedragen toegekend ter compensatie. Dit voelt niet rechtvaardig. De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op de gestandaardiseerde methode en het bedrag dat aan eiseres is toegekend. Daarna zal de rechtbank ingaan op het verschil in toegekende bedragen binnen het gezin van eiseres. Gestandaardiseerde methode (bouwstenen en PIA)
7. Toepassing van de gestandaardiseerde methode op de situatie van eiseres levert de volgende uitkomst op. De locatie van de woning van eiseres, de veiligheid en de omvang van de schade leveren allen een aanwijzing op. Voor de doorlooptijd zijn geen aanwijzingen aangewezen. In totaal krijgt eiseres in haar situatie dus drie aanwijzingen. Dit betekent dat er, afhankelijk van de uitkomst van de PIA, € 0,-- of € 1.500,-- wordt toegekend. Dit geldt voor zowel eiseres als haar echtgenoot. 7.1. Eiseres stelt dat er bij de bouwsteen omvang van de schade geen rekening is gehouden met het feit dat er toen het besluit werd genomen in plaats van € 2.027,--, al € 7.402,79 was toegekend. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In het beleid is opgenomen dat voor een toekenning van fysieke schade tussen de € 1.000,-- en € 10.001,-- één aanwijzing wordt toegekend. Nu de bedragen die eiseres benoemt beide binnen deze bandbreedte vallen en er ook één aanwijzing voor ‘omvang van de schade’ is toegekend is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met het toegekende bedrag aan schadevergoeding. Dat eiseres stelt dat er ook rekening moet worden gehouden met eventuele toekomstige schade aan de woning volgt de rechtbank evenmin. Het Instituut is bevoegd immateriële schade veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten te vergoeden. Er moet dan ook een zogenaamd causaal verband tussen de mijnbouwactiviteiten en de immateriële schade zijn. Eventuele toekomstige gebeurtenissen kunnen niet worden meegenomen. Dit omdat deze gebeurtenissen onzeker zijn en niet kan worden getoetst of er sprake is van causaal verband. Deze grond slaagt daarom evenmin. De rechtbank stelt vast dat de mogelijkheid blijft bestaan om een vervolgaanvraag in te dienen in het geval er nieuwe schade is ontstaan door een beving. Eventuele aanvullende schadevergoeding en doorlooptijd zal dan worden meegewogen door het Instituut. 7.2. Eiseres heeft een PIA ingevuld, hieruit komt naar voren dat zij bijzonder ernstig leed heeft ervaren (profiel 4). Wanneer iemand drie aanwijzingen heeft op basis van de bouwstenen, dan kan de uitkomst van de PIA volgens het beleid van het Instituut, het toe te kennen bedrag corrigeren. Bij drie aanwijzingen, in combinatie met een profiel 1 uit de PIA wordt géén vergoeding toegekend, bij een profiel 2, 3 of 4 uit de PIA, wordt € 1.500,- toegekend. Nu eiseres drie aanwijzingen heeft in combinatie met een profiel 4 uit de PIA is aan eiseres € 1.500,- toegekend. Afhankelijk van de uitkomst van een eventuele door eiseres haar echtgenoot ingevulde PIA heeft eiseres haar echtgenoot op basis van de gestandaardiseerde methode (bouwstenen + PIA) ook recht op € 0,-- of € 1.500,--. Eiseres heeft in haar gronden aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met de uitkomst van de PIA. Dit volgt de rechtbank niet. Op grond van enkel de bouwstenen zou eiseres volgens de gestandaardiseerde methode immers geen vergoeding hebben gekregen. Nu de PIA van eiseres uitkomt op een profiel 4 is het toe te kennen bedrag gecorrigeerd naar € 1.500,--. De PIA is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende meegewogen. 7.3. De rechtbank komt concluderend tot het oordeel dat het Instituut de gestandaardiseerde methode correct heeft toegepast en dat eiseres op grond van de bouwstenen en de PIA recht heeft op € 1.500,--. Dit geldt, afhankelijk van de uitkomst van de PIA van haar echtgenoot, ook voor hem. Hieronder zal de rechtbank ingaan op het gelijktrekken van de vergoeding binnen huishoudens. Gelijktrekken van de vergoeding
8. De immateriële schaderegeling is per 3 oktober 2023 verruimd. Dit betekent dat er na vaststelling van de uitkomst van de gestandaardiseerde methode (bouwstenen + PIA) wordt gekeken of er sprake is van een huishouden waar de aanvrager onderdeel van is geweest, waardoor het toe te kennen bedrag gelijkgetrokken, dus verhoogd, moet worden. De verruiming is opgenomen in de Werkwijze in artikel 4.7 lid 3 tot en met 6. In lid vier staat dat in het geval er bij toepassing van de gestandaardiseerde methode (bouwstenen + PIA) binnen één huishouden uiteenlopende uitkomsten zijn voor toe te kennen bedragen aan immateriële schadevergoeding ieder lid van het huishouden de hoogste vergoeding krijgt. De persoon die op persoonlijke titel een lagere vergoeding zou krijgen krijgt dan niet een vergoeding op grond van artikel 4.7, tweede lid, van de Werkwijze, maar op grond van artikel 4.7, vierde lid, van de Werkwijze. In de toelichting bij de totstandkoming van de verruiming is opgenomen dat een vergoeding die is toegekend op grond van artikel 4.7, vierde lid, van de Werkwijze niet doorgegeven kan worden. Kortgezegd houdt dit dus in dat alleen de vergoeding die is toegekend op basis van de bouwstenen in combinatie met de PIA doorgegeven kan worden. 8.1. Nadat het Instituut had vastgesteld waar eiseres (en haar echtgenoot) via de bouwstenen en de PIA recht op hadden heeft het Intituut beoordeeld of zij onderdeel zijn geweest van een huishouden waarbinnen een hoger bedrag is toegekend. Voor eiseres was dit niet het geval, zodat het aan haar toe te kennen bedrag € 1.500,- is gebleven. Voor haar echtgenoot bleek er wel sprake te zijn van iemand in zijn (vroegere) huishouden met een hogere vergoeding. Om die reden is het aan hem toe te kennen bedrag op grond van artikel 4.7, vierde lid, van de Werkwijze, verhoogd naar € 5.000,--. Dit bedrag heeft hij dus niet ontvangen op basis van zijn eigen bouwstenen en PIA, dit was immers gelijk aan dat van eiseres, maar naar aanleiding van het leed van zijn ex huisgenoot die wel in een huis heeft gewoond dat versterkt moest worden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan enkel een toekenning op basis van de eigen bouwstenen en PIA worden doorgegeven. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut dan ook terecht heeft geoordeeld dat de afgeleide vergoeding van eiseres haar echtgenoot niet kan worden doorgegeven aan haar. Het bedrag dat eiseres haar echtgenoot heeft ontvangen, heeft hij ontvangen omdat er afgeleid leed van zijn ex huisgenoot wordt aangenomen. Op basis van de gestandaardiseerde methode is het schadebedrag voor eiseres terecht vastgesteld op € 1.500,--. 8.2. Tot slot voert eiseres aan dat ook haar jongste zoon € 5.000,- heeft gekregen. Voor minderjarigen gelden andere regels voor de toekenning van immateriële schadevergoeding. Kortgezegd krijgen kinderen hetzelfde bedrag als hun wettelijk vertegenwoordiger, meestal de ouders. Eiseres valt niet onder deze regeling nu zij niet minderjarig is. Het Instituut heeft dan ook terecht de vergoeding van de jongste zoon niet aan eiseres doorgegeven. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en het aan eiseres toegekende bedrag € 1.500,-- blijft. Eiseres krijgt daarom ook het griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: relevante artikelen uit de Procedure en Werkwijze van het Instituut Artikel 4.1a Methode tot begroting immateriële schade Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade aan de hand van de gestandaardiseerde methode, zoals beschreven in deze paragraaf. In afwijking van het eerste lid, beoordeelt het Instituut een aanvraag aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, indien de aanvrager in zijn aanvraag of anderszins voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag stelt dat een correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot onvoldoende schadevergoeding zou leiden. In het geval, bedoeld in het tweede lid, stelt het Instituut de aanvrager schriftelijk of mondeling in de gelegenheid, om de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die onderbouwen dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Het Instituut zal deze aanvraag vervolgens individueel beoordelen. Artikel 4.3 De locatie van de woning(en)
1. Voor wat betreft de locatie van de woning(en) van de aanvrager maakt het Instituut onderscheid tussen de volgende situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting: Gebied Aanwijzing Persoonsaantasting Het effectgebied als bedoeld in artikel 4.2, niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. 0 Geen aanwijzing Het gebied waarbinnen op grond van de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in artikel 3.3 bedoelde peildatum op enig moment tot 10% waardedaling is opgetreden. 1 Lichte aanwijzing Het gebied waar ingevolge de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in artikel 3.3 bedoelde peildatum op enig moment minimaal 10% waardedaling is opgetreden. 2 Aanwijzing Artikel 4.4 De veiligheidssituatie van de woning(en)
1. Voor wat betreft de veiligheidssituatie van de woning(en) van de aanvrager onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting: Situatie Aanwijzing Persoonsaantasting Geen sprake van een objectieve indicator voor onveiligheid in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. 0 Geen aanwijzing De woning(en) van de aanvrager maakt naar weten van de aanvrager onderdeel uit of heeft onderdeel uitgemaakt van de versterkingsoperatie van de Nationaal Coördinator Groningen in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. 1 Lichte aanwijzing Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. 2 Aanwijzing Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een acuut onveilige situatie door mijnbouwschade vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. 3 Sterke aanwijzing De woning(en) van de aanvrager konden naar het oordeel van het bevoegd gezag tijdelijk niet meer bewoond worden of zijn door het bevoegd gezag onbewoonbaar verklaard in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was, als gevolg van een door het bevoegd gezag vastgestelde acuut onveilige situatie door mijnbouwschade dan wel als gevolg van de noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen. 4 Zeer sterke aanwijzing Artikel 4.5 De omvang van de fysieke schade aan de woning(en)
Voor wat betreft de omvang van de fysieke schade aan de woning(en) betrekt het Instituut de som van alle uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade op de adressen waarop de aanvrager op enig moment gedurende de procedure tot afhandeling van die fysieke schade woonachtig was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting: Som vergoedingen fysieke schade Aanwijzing persoonsaantasting € 0 tot € 1.000 0 Geen aanwijzing € 1.000 tot € 10.001 1 Lichte aanwijzing € 10.001 tot € 25.000 2 Aanwijzing € 25.000 tot € 45.000 3 Sterke aanwijzing € 45.000 en meer 4 Zeer sterke aanwijzing Artikel 4.7 Weging en vaste bedragen
1. Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6, af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk: Cumulatieve gewicht aanwijzingen/Persoonsaantasting Vergoeding 0 t/m 3 | Geen persoonsaantasting - 4 t/m 6 | persoonsaantasting 1.500 7 t/m 9 | Ernstige persoonsaantasting 3.000 10 t/m 14 | Bijzonder ernstige persoonsaantasting 5.000 2. Behoudens het bepaalde in artikel 4.8, kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe. 3. Het Instituut kent, in afwijking van het tweede lid, aan de aanvrager een vergoeding van € 5.000 toe, indien het Instituut een aanwijzing (2) of een zeer sterke aanwijzing (4), als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, heeft aangenomen. 4. Indien op grond van artikel 4.1a, tweede lid, of het tweede of derde lid van dit artikel of artikel 4.8, aan een lid van het huishouden van de aanvrager een hogere vergoeding voor immateriële schade is toegekend dan waarvoor de aanvrager in aanmerking komt of zou komen op grond van artikel 4.1a, tweede lid, het tweede of derde lid van dit artikel, of artikel 4.8, wordt aan die aanvrager krachtens dit lid eveneens die hogere vergoeding toegekend. 5. In afwijking van het vierde lid, wordt de aan de aanvrager toe te kennen vergoeding niet gelijk getrokken met de in het vierde lid eerstgenoemde hogere vergoeding, indien: o a. geen aanwijzing voor een persoonsaantasting voor de aanvrager of het andere lid van het huishouden is aangenomen voor de veiligheidssituatie van de woning, als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of in verband met de omvang van de fysieke schade van de woning als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, of
o b. op grond van artikel 4.1a, tweede lid, een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een lid van het huishouden verstaan de meerderjarige natuurlijke persoon die een besluit op de aanvraag tot vergoeding van immateriële schade van het Instituut heeft ontvangen en met wie de aanvrager minimaal zes maanden heeft samengewoond op een in artikel 4.2, tweede lid, bedoeld adres. Artikel 4.8, vierde lid
1. Indien de aanvrager de persoonlijke impact analyse, bedoeld in het eerste lid, heeft ingevuld, acht het Instituut aan de hand van het cumulatieve gewicht van de aanwijzingen voor een persoonsaantasting in combinatie met het profiel vanuit de persoonlijke impact analyse, als volgt het bestaan en de mate van persoonsaantasting aannemelijk: Cumulatieve gewicht aanwijzingen Profiel Persoonlijke Impact Analyse Persoonsaantasting Vergoeding 0 t/m 2 1, 2, 3 of 4 A Geen persoonsaantasting - 3 1 A Geen persoonsaantasting - 3 2, 3 of 4 B Persoonsaantasting 1.500 4 1, 2, 3 of 4 B Persoonsaantasting 1.500 5 t/m 6 1 of 2 B Persoonsaantasting 1.500 5 t/m 6 3 of 4 C Ernstige persoonsaantasting 3.000 7 1, 2, 3 of 4 C Ernstige persoonsaantasting 3.000 8 t/m 9 1, 2 of 3 C Ernstige persoonsaantasting 3.000 8 t/m 9 4 D Bijzonder ernstige persoonsaantasting 5.000 10 t/m 14 1, 2, 3 of 4 D Bijzonder ernstige persoonsaantasting 5.000
Artikel 4.11 Gestandaardiseerde methode en vaste bedragen Voor de gestandaardiseerde methode komen natuurlijke personen in aanmerking die op de dag van ontvangst van de aanvraag minderjarig zijn als bedoeld in artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek en waarvan een wettelijke vertegenwoordiger van die minderjarige een schadebedrag als bedoeld in dit hoofdstuk is toegekend. Bij de gestandaardiseerde methode kent het Instituut aan de minderjarige de schadevergoeding toe die aan diens wettelijke vertegenwoordiger is toegekend. Artikel 4.1a, eerste lid, van de Procedure en Werkwijze van het IMG. Artikel 4.7, vierde lid, van de Procedure en Werkwijze van het IMG. Artikel 4.11, tweede lid, van de Procedure en Werkwijze van het IMG. Nationaal Coördinator Groningen. ECLI:NL:RNNE:2023:1585. Zie artikel 4.4, eerste lid, van de Werkwijze. Zie artikel 4.3 van de Werkwijze. Zie artikel 4.4 van de Werkwijze. Zie artikel 4.5 van de Werkwijze. Zie artikel 4.7, eerste lid en 4.8, vierde lid, van de Werkwijze. Zie hiervoor ook artikelen 4.7 en 4.8 van de Werkwijze. Staatscourant 2024 nr. 11808, pagina 8 en 9.