Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBNNE:2026:2118

Sluiting schuur o.g.v. 13b Opiumwet. Het gaat om een professionele hennepkwekerij die is geïnstalleerd door of met hulp van derden uit het criminele circuit. Voor het overige doen zich echter geen omstandigheden voor die de sluiting noodzakelijk maken. De voorzieningenrechter schorst daarom het sluitingsbesluit.

Rechtbank Noord-Nederland 1 juni 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNNE:2026:2118 text/xml public 2026-06-01T15:56:02 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-09 LEE 26/939 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2118 text/html public 2026-06-01T15:52:34 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:2118 Rechtbank Noord-Nederland , 09-04-2026 / LEE 26/939
Sluiting schuur o.g.v. 13b Opiumwet. Het gaat om een professionele hennepkwekerij die is geïnstalleerd door of met hulp van derden uit het criminele circuit. Voor het overige doen zich echter geen omstandigheden voor die de sluiting noodzakelijk maken. De voorzieningenrechter schorst daarom het sluitingsbesluit.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/939
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen [naam 1] en [naam 2] , uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. F.H. Kappelhof),

en
de burgemeester van de gemeente Groningen, verweerder
(gemachtigde: H. Krul).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de schuur bij de woning van verzoekers op het [adres] (schuur). Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe omdat de noodzaak van sluiting niet is gebleken. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop 2.1.
Blijkens een bestuurlijke rapportage van de politie van 18 december 2025 constateerde energiemaatschappij Enexis in de omgeving van de woning van verzoekers onregelmatigheden in stroomverbruik die duidden op de cyclus van een hennepkwekerij. Met behulp van dronebeelden bracht de politie het aantal verdachte woningen terug tot de woning van verzoekers. Op 17 december 2025 hebben de politie en Enexis het perceel van de woning betreden en in de schuur achter op het perceel een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In een afgesloten deel van de schuur van 12 m² waren 102 hennepplanten, 12 assimilatielampen 600 watt, een schakelbord, 3 snelheidsregelaars, 12 transformatoren, een koolstoffilter, een slakkenhuis, 2 ventilatoren, 2 kachels, een temperatuurregelaar, 2 dompelpompen, 2 hydrometers en knipbenodigdheden.

Een fraude-inspecteur van Enexis constateerde dat de elektriciteit voor de schuur buiten de meter om werd afgenomen. De inspecteur stelde dat de aangelegde installatie gevaar opleverde voor personen en/of goederen. Daarnaast was de originele gasmeter vervangen door een andere waardoor het gasverbruik niet correct werd gemeten.
2.2.
Verweerder heeft aan verzoekers het voornemen kenbaar gemaakt de schuur te sluiten. Verzoekers hebben hierop hun zienswijze gegeven. Bij besluit van 13 februari 2026 heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de schuur vanaf gesloten wordt voor een periode van drie maanden. Op 19 maart 2026 heeft de sluiting plaatsgevonden.
2.3.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker Bos, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
3.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
3.2.
Het toetsingskader bestaat voorts uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), in het bijzonder de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 en de andere uitspraken van die datum.

Bevoegdheid

4. Niet is in geschil dat verweerder bevoegd is tot sluiting van de schuur over te gaan op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Evenredigheid

5. Verzoekers betwist de evenredigheid van de sluiting van de schuur wat betreft noodzakelijkheid en evenwichtigheid. De geschiktheid is niet in geschil.
5.1.
Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. De bestuursrechter toetst aan de hand van de verzoeksgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing bij woningsluitingen doorgaans indringend zijn. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.

Noodzakelijk
6.1.
Over de noodzakelijkheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel, als een last onder dwangsom of een waarschuwing, had kunnen en moeten volstaan. De burgemeester betrekt de effecten op de omgeving van de overtredingen van de Opiumwet. Verschillende omstandigheden zijn van belang, waaronder de aard en de hoeveelheid van de aangetroffen drugs, de risico’s daarvan op verdere criminaliteit, of het gaat om hard- of softdrugs, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld (bijvoorbeeld blijkend uit verklaringen van buurtbewoners en het aantreffen van attributen), de feitelijke bekendheid als drugspand, de toeloop, overlast en (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, of er in de nabije omgeving recent al vaker drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit hebben voorgedaan, of aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel (bijvoorbeeld als opslaglocatie voor handel elders) en of de woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Ten slotte dient de burgemeester, net als bij de geschiktheid, ook bij de beoordeling van de noodzakelijkheid het tijdsverloop te betrekken.
6.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de rechtspraak van de AbRS niet blijkt dat de noodzakelijkheid van de sluiting anders beoordeeld dient te worden bij sluiting van gebouwen zonder woonfunctie, zoals de schuur in deze zaak, dan bij sluiting van woningen.
6.3.
Op grond van de stukken en hetgeen op zitting is besproken, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter de kwekerij aangemerkt worden als een professionele hennepkwekerij die is geïnstalleerd door of met hulp van derden uit het criminele circuit. Dit betekent dat de schuur een rol heeft vervuld binnen de keten van drugshandel.
6.4.
Relevant is dat softdrugs zijn aangetroffen, maar harddrugs niet. Verder is niet gebleken dat de drugs feitelijk in of vanuit de schuur werden verhandeld, dat de schuur bekend stond als drugspand en evenmin dat er sprake was van toeloop of van overlast of van (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving.
6.5.
Wat betreft de door de Enexis-inspecteur geconstateerde brandgevaarlijkheid door het buiten de meter om afnemen van stroom overweegt de voorzieningenrechter dat dit geen zelfstandig element is voor de noodzaak van sluiting. Er is namelijk geen rechtstreeks verband met de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet. Dit argument kan slechts ondersteunend zijn als de noodzaak zich om andere redenen al voordoet.
6.6.
Het voorgaande betekent dat zich alleen de omstandigheden genoemd in 6.3. voordoen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit onvoldoende om de sluiting als noodzakelijk aan te merken, zeker nu aan de overtreding al een einde is gemaakt. De maatregel van sluiting is dus onevenredig. Het bezwaar tegen de last onder bestuursdwang heeft een goede kans van slagen.
Conclusie en gevolgen 7.1.
Gezien de onevenredigheid van sluiting wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat het besluit van 13 februari 2026 is geschorst. De sluiting van de schuur dient dus te worden opgeheven.
7.2.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: regelgeving
Opiumwet

Artikel 13b

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

ECLI:NL:RVS:2025:2922.

Artikel delen