Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBNHO:2026:3992

Verzoekers verzoeken om bij wege van voorlopige voorziening ex art. 223 Rv een tijdelijke bewindvoerder ex art. 1:435 lid 2 BW te benoemen, in afwachting van de definitieve beschikking op het verzoek tot instelling van beschermingsbewind. De kantonrechter wijst het verzoek toe in navolging van de beschikking van de Hoge Raad van 05-12-2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533). Het levenstestament van betrokk...

Rechtbank Noord-Holland 1 juni 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2026:3992 text/xml public 2026-06-01T16:00:01 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-13 12160559 BM VERZ 26-657 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3992 text/html public 2026-04-21T15:27:36 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3992 Rechtbank Noord-Holland , 13-04-2026 / 12160559 BM VERZ 26-657
Verzoekers verzoeken om bij wege van voorlopige voorziening ex art. 223 Rv een tijdelijke bewindvoerder ex art. 1:435 lid 2 BW te benoemen, in afwachting van de definitieve beschikking op het verzoek tot instelling van beschermingsbewind. De kantonrechter wijst het verzoek toe in navolging van de beschikking van de Hoge Raad van 05-12-2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533). Het levenstestament van betrokkene in niet meer werkbaar omdat de drie gevolmachtigden niet in staat zijn samen de financiele belangen van betrokkene te behartigen.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer : 12160559 BM VERZ 26-657 sc

datum : 13 april 2026

beschikking op een verzoek tot onderbewindstelling

op verzoek van:

[verzoeker 1] ,

[adres] ,

gemachtigde mr. D.W.L. Cloots,

en

[verzoeker 2] ,

[adres] ,

gemachtigde mr. D.W.L. Cloots,

hierna gezamenlijk ook te noemen: verzoekers,

met betrekking tot:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

[adres] ,

hierna te noemen: betrokkene,

belanghebbende is:

[belanghebbende] ,

van wie het adres bekend is bij deze rechtbank,

hierna ook te noemen: [belanghebbende] .
<nr>1</nr>procedure 1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

het verzoek met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026;

een aanvulling op het verzoek met de bereidverklaringen van de voorgestelde bewindvoerder(s) om tot bewindvoerder(s) te worden benoemd, ontvangen op 3 april 2026.
1.2.
De kantonrechter heeft afgezien van het houden van een mondelinge behandeling in stand van de procedure waarin deze zich bevindt.
<nr>2</nr>beoordeling 2.1.
Het verzoek strekt tot instelling van bewind over de goederen die aan betrokkene (zullen) toebehoren en verzoekers verzoeken om bij wege van een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een tijdelijke bewindvoerder ex artikel 1:435 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te benoemen

De standpunten
2.2.
Verzoekers, dochters van betrokkene, stellen dat betrokkene lijdt aan dementie en sinds [2023] blijvend woonachtig is in verpleeghuis De Schuttehof te Den Burg, gemeente Texel. Op [datum] is door de rechtbank een machtiging tot opname en verblijf verleend tot en met [datum] en bij beschikking van [datum] is een opvolgende rechterlijke machtiging verleend tot voortzetting van het verblijf tot en met [2030] . Ook is bij het verzoek een verklaring gevoegd van arts [specialist ouderen geneeskunde] , waarin staat dat betrokkene wilsonbekwaam is ten aanzien van het opstellen/aanpassen van notariële akten en inzake financiële aangelegenheden.

Verzoekers achten instelling van een bewind noodzakelijk in de wetenschap dat betrokkene een algemene notariële volmacht heeft laten opstellen waarin zij zowel verzoekers als hun zus [belanghebbende] tot haar algemeen gevolmachtigden heeft benoemd, omdat [belanghebbende] iedere medewerking weigert aan een verantwoord financieel beheer, in het bijzonder aan de verkoop van de woning van betrokkene, die betrokkene niet meer kan bewonen en ook niet meer mag bezoeken. Dit heeft geleid tot een ernstig en acuut financieel tekort aan de zijde van betrokkene en tot een conflict tussen de drie gevolmachtigden over de verkoop van de woning. Het totale saldo op de bankrekeningen van betrokkene bedraagt per 16 maart 2026 € 2.002,45 en betrokkene heeft een maandelijks tekort van meer dan € 400,00 als gevolg van dubbele woonlasten: de hypotheeklasten en de kosten van het verpleeghuis. Verzoekers willen de woning verkopen, in tegenstelling tot [belanghebbende] die volgens verzoekers een persoonlijk financieel belang heeft bij het aanhouden van de woning. Het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden heeft ter zitting van 13 maart 2026 in een lopende hoger beroepsprocedure overwogen dat beschermingsbewind de aangewezen route is om de impasse te doorbreken. Verzoekers geven gevolg aan die aanwijzing door het indienen van het onderhavige verzoek. Medewerking van [belanghebbende] aan het onderhavige verzoek is niet te verwachten, omdat zij in de gehele procedure consequent heeft geweigerd mee te werken aan enige maatregel die de financiële belangen van betrokkene dient, aldus verzoekers.

Voor de te benoemen bewindvoerder(s) stellen verzoekers -gemotiveerd en in volgorde van hun voorkeur- het volgende voor:

optie 1: benoeming van verzoekers;

optie 2: benoeming van [de heer] , zijnde de partner van [verzoeker 1] ;

optie 3: benoeming van J. Maka, h.o.d.n. Malzwin Bewindzorg, zijnde een onafhankelijke professionele bewindvoerder.
2.3.
Verzoekers verzoeken om bij wege van een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een tijdelijke bewindvoerder ex artikel 1:435 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te benoemen, bij voorkeur ingaande

14 april 2026, in afwachting van de definitieve beschikking op het verzoek tot instelling van beschermingsbewind, teneinde de continuïteit van beheer te waarborgen en verdere verarming van het vermogen van betrokkene te voorkomen. Het spoedeisende belang bestaat uit de huidige financiële situatie van betrokkene: betrokkene zal op korte termijn niet meer in staat zijn haar vaste lasten en de eigen bijdrage voor het verpleeghuis te voldoen. Daarnaast bestaat het risico dat [belanghebbende] de woning opnieuw in gebruik neemt, met verdere waardedaling en wanbeheer als voorzienbaar gevolg. Iedere maand vertraging vergroot het financiële nadeel voor betrokkene. Want het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden zal op 14 april 2026 arrest wijzen in de hoger beroepsprocedure over de machtiging tot verkoop van de woning op grond van artikel 3:174 BW. Verzoekers hebben het vermoeden dat het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden vernietigd, waardoor de impasse in het beheer van het vermogen van betrokkene herleeft. [belanghebbende] kan dan opnieuw onbeperkte toegang tot de woning proberen te verkrijgen en hier haar intrek nemen. Bovendien vervalt ook de mogelijkheid om de woning in de verkoop te houden en te gelde te mogen maken. Op dat moment zal elk instrument ontbreken om adequaat vermogensbeheer te voeren.

De gevraagde voorlopige voorziening wordt toegewezen
2.4.
De kantonrechter dient eerst een beslissing te nemen over de verzochte voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv en de benoeming van een tijdelijk bewindvoerder ex artikel 1:435 lid 2 BW. Hoewel artikel 223 Rv alleen is geschreven voor de dagvaardingsprocedure en een vergelijkbare wettelijke bepaling ontbreekt voor de verzoekschriftprocedure, bepaalt de kantonrechter in navolging van de beschikking van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 e.v. Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv op verzoekschriftprocedures. Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen (artikel 821-826 Rv), daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. Derhalve kan ook in andere gevallen in een verzoekschriftprocedure een incidenteel verzoek gedaan worden tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding, overeenkomstig hetgeen art. 223 Rv bepaalt voor de dagvaardingsprocedure.
2.5.
Bovendien overweegt de kantonrechter het volgende. In artikel 1:380 BW is geregeld dat de kantonrechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling ex artikel 1:378 BW aanhangig is of laatstelijk aanhangig was, desverzocht of ambtshalve, een provisionele bewindvoerder kan benoemen. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat ook wanneer een verzoek slechts betrekking heeft op een onderbewindstelling, een voorlopige voorziening mogelijk moet zijn.
2.6.
De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het verzoek, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige en voortvarende procesvoering, het verzoek aanstonds moet worden behandeld en beslist. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat een spoedige en tijdelijke beslissing noodzakelijk is voor een adequate behartiging van de financiële belangen van betrokkene. De kantonrechter wijst daarom het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening toe.
2.7.
Vervolgens dient de kantonrechter een beslissing te nemen over de noodzaak van de instelling van de maatregel. Gelet op de stukken acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat betrokkene als gevolg van haar geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

Op [datum] heeft betrokkene een levenstestament laten opstellen waarin haar drie dochters de bevoegdheid hebben gekregen om in naam en voor rekening van betrokkene alle vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen, en waarin staat dat de volmacht uitdrukkelijk niet eindigt wanneer betrokkene vanwege een slechte fysieke of geestelijke gezondheid niet langer in staat is haar wil te bepalen. Zij kunnen hun taken als algemeen gevolmachtigden ieder afzonderlijk uitoefenen, maar zij kunnen slechts samen over de eigen woning beschikken. De volmacht is bedoeld om te voorkomen dat betrokkene onder curatele wordt gesteld, dat over haar goederen een beschermingsbewind wordt ingesteld of dat ten behoeve van haar een mentorschap wordt ingesteld. Door deze volmacht is er in beginsel geen reden om een bewind uit te spreken. Inmiddels is echter duidelijk geworden dat het levenstestament niet meer werkbaar is omdat de drie gevolmachtigde dochters niet in staat zijn samen de financiële belangen van betrokkene te behartigen. Door het conflict is het beheer over het vermogen van betrokkene feitelijk geblokkeerd, hetgeen onwenselijk is. De kantonrechter is daarom van oordeel dat in het belang van betrokkene een bewind ingesteld dient te worden. Hiermee komt er ook toezicht op de (rechts)handelingen die in naam van betrokkene worden verricht. De bepalingen in het levenstestament over de bankzaken en de overige financiële zaken zullen niet meer van kracht zijn vanaf de datum van deze beschikking waarbij een bewind wordt uitgesproken over de (toekomstige) goederen van de betrokkene.
2.8.
Aansluitend dient de kantonrechter een beslissing te nemen wie tot bewindvoerder dient te worden benoemd. Ingevolge artikel 1:435 lid 1 BW benoemt de rechter die het bewind instelt bij de instelling of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. Hij vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon. Ingevolge lid 3 van genoemd artikel volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
2.9.
De kantonrechter ziet aanleiding om af te wijken van de uitdrukkelijke voorkeur van betrokkene zoals verwoord in het levenstestament. De kantonrechter zal geen van de drie gevolmachtigde dochters benoemen tot bewindvoerder omdat zij zijn verwikkeld in een gerechtelijke procedure over de (tegeldemaking van de) woning van betrokkene, waarbij verzoekers enerzijds en [belanghebbende] anderzijds duidelijk verschillen van mening. Ook zal de kantonrechter [de heer] niet benoemen, aangezien hij de partner is van [verzoeker 1] en daardoor vermoedelijk niet (geheel) onpartijdig zal zijn in de behartiging van de belangen van betrokkene.

Bovenal blijkt uit het verzoek dat het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden ter zitting van 13 maart 2026 in de lopende hoger beroepsprocedure heeft aangegeven dat beschermingsbewind de aangewezen route is om de impasse te doorbreken, waarbij een professionele neutrale bewindvoerder over het vermogen van betrokkene wordt aangesteld.

De kantonrechter zal daarom en om de hiervoor genoemde redenen de voorgestelde professionele bewindvoerder J. Maka, h.o.d.n. Malzwin Bewindzorg, tot bewindvoerder benoemen.
2.10.
Betrokkene is op dit moment niet in staat om de rekening en verantwoording te beoordelen en zij is op dit moment niet in staat om toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek.

Hoe verder?
2.11.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen en geldt voor de duur van de behandeling van het (hoofd)verzoek. Het verzoek zal verder worden behandeld, waarbij [belanghebbende] en betrokkene in de gelegenheid worden gesteld om, eerst, schriftelijk, te reageren op het verzoek.
<nr>3</nr>beslissing
De kantonrechter:

op het incidentele verzoek ex artikel 223 Rv:
3.1.
wijst het verzoek toe;
3.2.
stelt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking een

bewind in over de goederen die [betrokkene] (zullen) toebehoren

vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand;
3.3.
benoemt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking

tot tijdelijke bewindvoerder: J. Maka h.o.d.n. Malzwin Bewindzorg, Kvkno. 87824469,

gevestigd te 1780 EB Den Helder, postbus 1070;
3.4.
bepaalt dat de bewindvoerder voor de (aanvangs)werkzaamheden en voor de met het bewind gemoeide kosten de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire tarieven, ten laste van het vermogen van betrokkene mag brengen.

in de hoofdzaak:
3.5.
houdt de behandeling van deze zaak aan tot uiterlijk 4 mei 2026 teneinde betrokkene en [belanghebbende] in de gelegenheid te stellen om zich schriftelijk uit te laten over het verzoek.
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Gisolf, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Artikel delen