Vovo n-o. Omdat verzoeker geen eigenaar meer is van het hoofdperceel en van het mandelige perceel is het belang van verzoeker niet rechtstreeks bij het besluit betrokken en is verzoeker geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.
Rechtbank Noord-Holland 8 september 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:11814
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-09-2026
Datum publicatie
08-09-2026
Zaaknummer
HAA 26/3283
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBNHO:2026:11814text/xmlpublic2026-09-08T16:01:162026-09-07Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Noord-Holland2026-09-01HAA 26/3283UitspraakVoorlopige voorzieningNLHaarlemBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:11814text/htmlpublic2026-09-08T16:00:482026-09-08Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBNHO:2026:11814 Rechtbank Noord-Holland , 01-09-2026 / HAA 26/3283 Vovo n-o. Omdat verzoeker geen eigenaar meer is van het hoofdperceel en van het mandelige perceel is het belang van verzoeker niet rechtstreeks bij het besluit betrokken en is verzoeker geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/3283
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Veenhuizen, verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, het college. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] uit Heerhugowaard, vergunninghouders. Inleiding 1. Met het besluit van 21 mei 2026 heeft het college aan vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een nieuwbouwwoning op het adres [adres 1] in Alkmaar (perceel [nummer 1] ). Verzoeker heeft op 25 juni 2026 hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling beroep betalingsonmacht griffierecht 3. Verzoeker is voor het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorziening € 200,- aan griffierecht verschuldigd. De rechtbank heeft op 27 juni 2026 en op 29 juli 2026 aan verzoeker een nota van het verschuldigde griffierecht gestuurd. Beide nota’s zijn onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd. Bij brief van 11 augustus 2026, ontvangen 13 augustus 2026, heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) aan de rechtbank een verklaring van betalingsonmacht verstrekt en de rechtbank bericht dat verzoeker sinds 30 juni 2026 gedetineerd is. Verder heeft verzoeker op 27 augustus 2026 een verklaring overgelegd waarin hij verklaart dat zijn vrijheid is ontnomen, dat hij geen inkomen meer heeft en geen vermogen heeft. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Omdat verzoeker zich in detentie bevindt, is voldoende aannemelijk dat verzoeker geen inkomen verwerft. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wijst de voorzieningenrechter daarom toe. Beoordeling door de voorzieningenrechter 4. De voorzieningenrechter is ambtshalve gehouden om vast te stellen of verzoeker belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de verleende omgevingsvergunning, omdat daartegen voor verzoeker op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb alleen dan bezwaar (en beroep) openstaat. Alleen als verzoeker belanghebbende is, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. 5. Volgens artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In het omgevingsrecht wordt als belanghebbende bij een ruimtelijk besluit aangemerkt degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat. Daarbij geldt het criterium “gevolgen van enige betekenis” als correctie: als er geen gevolgen zijn of de gevolgen voor de woon- en leefsituatie van de betrokkene zeer gering zijn, is men geen belanghebbende. Factoren die bij een besluit als het onderhavige een rol kunnen spelen zijn onder andere de afstand tot, mogelijk zicht op en de planologische uitstraling van de vergunde activiteit op het eigen perceel. 6. Verzoeker voert in zijn bezwaarschrift aan dat het besluit hem rechtstreeks in zijn rechten en belangen raakt. De aanvraag en de verleende omgevingsvergunning hebben betrekking op het voormalige projectperceel [adres 2] , oorspronkelijk kadastraal bekend als gemeente Oudorp, sectie C, nummer [nummer 2] . Dit perceel is later gesplitst in de percelen [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 1] en het mandelige perceel [nummer 5] . Het oorspronkelijke adres [adres 2] is na de splitsing verbonden gebleven aan het mandelige erf [nummer 5] . De afzonderlijke woonpercelen zijn aangeduid als [straat] 1A ( [nummer 4] ), 1B ( [nummer 3] ) en 1C ( [nummer 1] ). Verzoeker was eigenaar van perceel [nummer 1] / [adres 1] en was en is rechtstreeks betrokken bij de bestuurlijke, zakelijke, financiële en mandelige structuur rond perceel [nummer 5] . Daarnaast vervult verzoeker een bestuurspositie binnen de rond het mandelige erf ingerichte structuur. Ter onderbouwing heeft verzoeker onder meer een akte van levering van 28 december 2020 overgelegd en een besluit van het bestuur van de mandelige gemeenschap van 29 december 2020. 7. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning. 8. Ook vergunninghouders hebben zich op het standpunt gesteld dat verzoeker geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning, omdat zij de rechtmatige eigenaren zijn van het perceel [nummer 1] waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben vergunninghouders een akte van levering van 22 mei 2025 overgelegd en een vonnis in kort geding van 1 augustus 2024 en een verkort vonnis in kort geding van 14 mei 2025. 9. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat verzoeker geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. 10. Uit de door vergunninghouders overgelegde akte van levering en de onherroepelijke vonnissen in kort geding blijkt dat verzoeker geen eigenaar meer is van het perceel [nummer 1] en ook geen eigenaar meer is van het mandelige perceel [nummer 5] . Uit de leveringsakte van 22 mei 2025 volgt immers dat verzoeker en [naam] , als verkoper, en vergunninghouders, als koper, op 15 maart 2025 een koopovereenkomst hebben gesloten en dat ter uitvoering van de koopovereenkomst aan vergunninghouders de volgende registergoederen worden geleverd: een perceel grond gelegen te [postcode] Alkmaar, [adres 2] C, kadastraal bekend gemeente Oudorp, sectie C, nummer [nummer 1] waaraan door het kadaster een voorlopige kadastrale grens en -oppervlakte is toegekend, ter grootte van ongeveer tweeduizend achthonderdzevenenzeventig vierkante meter (2.877 m2), het een/derde (1/3) onverdeeld aandeel in perceel grond gelegen nabij [postcode] Alkmaar, [adres 2] C, kadastraal bekend gemeente Oudorp, sectie C, nummer [nummer 5] , waaraan door het kadaster een voorlopige kadastrale grens en -oppervlakte is toegekend, ter grootte van ongeveer vijfhonderdvijfenvijftig vierkante meter (555 m2) met bestemming mandeligheid.
Bovendien volgt uit deze akte van levering dat ter uitvoering van de koopovereenkomst de mandelige zaak (kadastraal bekend als gemeente Oudorp, sectie C nummer [nummer 5] ) bestemd wordt tot gemeenschappelijk nut van de (hoofd)percelen [straat] 1A, 1B en 1C te [postcode] Alkmaar, kadastraal bekend als gemeente Oudorp, sectie C nummers [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 1] en dit recht mitsdien mandelig gemaakt wordt als bedoeld in artikel 5:60 van het Burgerlijk Wetboek. Met betrekking tot deze mandeligheid geldt: De eigendom van de mandelige zaak kan niet worden gescheiden van de eigendom van de hiervoor gemelde hoofdpercelen, tot gemeenschappelijk nut waarvan de mandelige zaak is bestemd en een vordering tot verdeling van de eigendom van de mandelige zaak is uitgesloten, evenals het bepaalde in artikel 5:66 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. (…) De vervreemding van de eigendom van elk hiervoor gemeld perceel tot gemeenschappelijk nut waarvan de mandelige zaak is bestemd, dient steeds gepaard te gaan met de vervreemding van het een derde onverdeelde aandeel in de mede-eigendom van de mandelige zaak. (…)”
Omdat verzoeker geen eigenaar meer is van het hoofdperceel [nummer 1] en van het mandelige perceel [nummer 5] is het belang van verzoeker niet rechtstreeks bij het besluit betrokken en is verzoeker geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Aan de door verzoeker overgelegde akte van levering van 28 december 2020 en het besluit van het bestuur van de mandelige gemeenschap van 29 december 2020 kan de voorzieningenrechter niet de waarde hechten die verzoeker daaraan hecht, omdat die dateren van vóór de akte van levering die vergunninghouders hebben overgelegd. Conclusie en gevolgen 11. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zaaknummer: C/15/353590 / KG ZA 24-323. Zaaknummer: C/15/365093 / KG ZA 25-274.