Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:6498

De burgemeester van de gemeente Wijk bij Duurstede heeft aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, omdat hij inbrekerswerktuigen vervoerde binnen de gemeente. Eiser vindt dat de voorwerpen die zijn gevonden niet aan te merken zijn als inbrekerswerktuigen. Daarnaast had de burgemeester een looptijd moeten opnemen bij het opleggen van de last onder dwangsom. De rechtbank komt in deze uitspraak ...

Rechtbank Midden-Nederland 24 september 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:6498 text/xml public 2026-09-24T12:54:12 2026-09-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-09-01 UTR 25/4662 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6498 text/html public 2026-09-24T12:52:15 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:6498 Rechtbank Midden-Nederland , 01-09-2026 / UTR 25/4662
De burgemeester van de gemeente Wijk bij Duurstede heeft aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, omdat hij inbrekerswerktuigen vervoerde binnen de gemeente. Eiser vindt dat de voorwerpen die zijn gevonden niet aan te merken zijn als inbrekerswerktuigen. Daarnaast had de burgemeester een looptijd moeten opnemen bij het opleggen van de last onder dwangsom. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de gevonden voorwerpen mocht aanmerken als inbrekerswerktuigen. De last onder dwangsom kon om deze reden dus worden opgelegd en de hoogte daarvan is in dit geval niet onevenredig. Het beroep is wel gegrond, omdat de burgemeester niet heeft gemotiveerd waarom van het advies van de bezwaarschriftencommissie is afgeweken wat betreft het opnemen van een looptijd voor de last onder dwangsom. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de last onder dwangsom om deze reden niet overeind kan blijven, omdat de burgemeester dit gebrek in het verweerschrift heeft hersteld. De rechtsge
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/4662
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.E.M.C. Koudijs),

en
de burgemeester van de gemeente Wijk bij Duurstede
(gemachtigden: mr. L.C.G. Broos en L.D. van der Bosch).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom mocht opleggen, omdat hij inbrekerswerktuigen vervoerde in de gemeente Wijk bij Duurstede. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom in stand kan blijven. Het beroep is wel gegrond, omdat de burgemeester niet in het besluit heeft vermeld waarom hij het advies van de bezwaarschriftencommissie over de looptijd niet heeft gevolgd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De burgemeester heeft op 27 januari 2025 een last onder dwangsom aan eiser opgelegd. Met het bestreden besluit van 11 juli 2025 op het bezwaar van eiser heeft de burgemeester de last in stand gelaten, maar wel de dwangsom gematigd.

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. De rechter bij deze zitting was mr. A.M. den Dulk. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester. Eiser was niet aanwezig.

6. De rechtbank heeft partijen na de zitting bericht dat mr. A.M. den Dulk niet in de gelegenheid is om uitspraak te doen en het beroep zal worden behandeld door mr. M. van der Knijff. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om opnieuw op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten

7. De politie heeft eiser op 13 september 2024 aangehouden in de gemeente Wijk bij Duurstede. Er is op 18 september 2024 een bestuurlijke rapportage opgemaakt waaruit blijkt dat eiser de volgende voorwerpen bij zich had:

een aantal lange schroevendraaiers

een baco

een waterpomptang

een fileermes

een schilmesje

een zaklamp

meerdere steeksleutels en tangen

het kenteken dat bij de scooter van eiser hoort.

Het bestreden besluit

8. De burgemeester heeft aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, omdat eiser inbrekerswerktuigen bij zich had binnen de gemeente Wijk bij Duurstede. Volgens de burgemeester heeft eiser daarmee artikel 2.44 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) overtreden. De burgemeester heeft de hoogte van de dwangsom in het bestreden besluit gematigd naar € 2.500,- per overtreding met een maximum van € 10.000,-.

Het standpunt van eiser

9. Eiser vindt dat het bestreden besluit niet door de bevoegde persoon is genomen. Het bestreden besluit is namelijk ondertekend door de locoburgemeester en niet door de burgemeester zelf. Verder vindt eiser dat het gereedschap dat hij bij zich had op de scooter niet kan worden aangemerkt als inbrekerswerktuigen, omdat hij dit gereedschap gebruikt om zijn scooter te repareren. Dat de kentekenplaat niet aan zijn scooter vastzat kwam volgens eiser omdat de kentekenplaat eerder tijdens de rit van zijn scooter was gevallen. Eiser vindt ook dat de burgemeester in het bestreden besluit had moeten opnemen tot wanneer de last onder dwangsom geldt (de looptijd). Eiser wijst erop dat de bezwaarschriftencommissie de burgemeester heeft geadviseerd om een looptijd op te nemen, maar dat die dit toch niet heeft gedaan. Omdat de last onder dwangsom niet tijdgebonden is, vindt eiser dat het bestreden besluit vernietigd moet worden. Verder vindt eiser dat de hoogte van de dwangsom onevenredig is. Eiser heeft namelijk een beperkte financiële draagkracht. De burgemeester heeft daar volgens hem ten onrechte geen rekening mee gehouden. Een eventuele vordering en inning van de dwangsom na een overtreding zouden onevenredige financiële gevolgen hebben voor eiser.

Was de locoburgemeester bevoegd om het bestreden besluit te nemen?

10. Uit artikel 77, eerste lid, van de Gemeentewet blijkt dat bij verhindering van de burgemeester, hij wordt waargenomen door een door het college aan te wijzen wethouder (de locoburgemeester). Niet in geschil is dat de burgemeester verhinderd was. De rechtbank is daarom van oordeel dat de locoburgemeester bevoegd was om het bestreden besluit te nemen en te ondertekenen.

Is het gereedschap aan te merken als inbrekerswerktuigen?

11. De rechtbank overweegt dat de burgemeester mag uitgaan van de feiten die de politie in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal heeft opgenomen. Dit is anders als eiser tegenbewijs levert waaruit blijkt dat niet van de juistheid van het proces-verbaal kan worden uitgegaan. Bij de beoordeling of sprake is van inbrekerswerktuigen is het geheel van feiten en omstandigheden van belang. In dit geval heeft de burgemeester de volgende omstandigheden van belang gevonden: het was middernacht, er was een melding gedaan van heterdaad braak rond de plaats waar eiser is aangehouden, eiser had geen kentekenplaat op zijn scooter en het gereedschap dat eiser bij zich had is op zichzelf geschikt voor het vergemakkelijken van diefstal door middel van braak.

12. Gelet op die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester het gereedschap van eiser heeft kunnen aanmerken als inbrekerswerktuigen. De burgemeester heeft in eisers verklaring dat hij het gereedschap gebruikt voor reparatie van de scooter en dat zijn kentekenplaat eraf was gevallen geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat geen sprake is van inbrekerswerktuigen. Deze stellingen doen namelijk niet af aan het geheel van feiten en omstandigheden die de burgemeester aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd.

Had de burgemeester een looptijd moeten opnemen voor de last onder dwangsom?

13. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester niet verplicht was om een looptijd op te nemen bij het opleggen van de last onder dwangsom. De burgemeester heeft in het verweerschrift terecht op artikel 5:34 van de Algemene wet bestuursrecht gewezen. Hieruit volgt dat een dwangsom van kracht blijft tot deze ambtshalve of op verzoek wordt opgeheven. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat dit pas kan nadat de beschikking een jaar van kracht is geweest. De Algemene wet bestuursrecht bevat geen bepaling op grond waarvan is vereist dat een last alleen kan worden opgelegd als de last in tijd is beperkt. Evenmin is de burgemeester verplicht om het advies van de bezwaarschriftencommissie over te nemen.

14. Als de beslissing op bezwaar afwijkt van het advies, moet de burgemeester op grond van artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht wel in de beslissing de reden voor die afwijking vermelden. De commissie heeft gewezen op het ontbreken van een looptijd zonder nadere motivering, en heeft geadviseerd dit in de beslissing op bezwaar te herstellen. Dat heeft de burgemeester niet gedaan, hij is pas in het verweerschrift op de looptijd ingegaan. Vanwege dit gebrek vernietigt de rechtbank de beslissing op bezwaar, maar het gebrek is in het verweer inmiddels wel hersteld. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar daarom wel in stand. Dat betekent dat de last onder dwangsom overeind blijft.

Is de last onder dwangsom in dit geval onevenredig?

15. De rechtbank overweegt dat de bedragen van een last onder dwangsom evenredig moeten zijn ten opzichte van de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. De burgemeester heeft in het bestreden besluit de hoogte van de dwangsom per overtreding verlaagd van € 10.000,- naar € 2.500,- per overtreding met een maximum van € 10.000.-. Eiser heeft zijn slechte financiële positie onderbouwd door erop te wijzen dat hij onder bewind staat. Uit het bewindregister volgt inderdaad dat eiser onder bewind staat, maar dat zegt op zichzelf nog niets over zijn financiële draagkracht en het betekent ook niet dat de hoogte van de dwangsom onevenredig is. De burgemeester heeft er terecht op gewezen dat van de dwangsom wel een afschrikwekkende werking moet uitgaan. De burgemeester heeft in wat eiser heeft aangevoerd dan ook geen omstandigheden hoeven zien om de hoogte van de dwangsom nog meer te matigen.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond omdat de burgemeester in strijd met artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht niet in de beslissing op bezwaar heeft vermeld waarom hij afwijkt van het advies van de bezwaarschriftencommissie over de looptijd. Maar omdat dit gebrek in het verweerschrift is hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit wel in stand. Dat betekent dat de last onder dwangsom wel overeind blijft.

17. Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit van 11 juli 2025;- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2228, overweging 3.1.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4148, overweging 3.1 en van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:961, overweging 3.2.

Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5007 en van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:209, overweging 7.1.

Dit volgt uit artikel 5:32b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:638, overwegingen 4.1 tot en met 4.3.

Artikel delen