Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:6248

AOW, de herziening en terugvordering van de AOW-toeslag blijft in stand, beroep ongegrond.

Rechtbank Midden-Nederland 24 september 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:6248 text/xml public 2026-09-24T12:39:41 2026-09-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-09-10 UTR 25/7477 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6248 text/html public 2026-09-24T12:38:52 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:6248 Rechtbank Midden-Nederland , 10-09-2026 / UTR 25/7477
AOW, de herziening en terugvordering van de AOW-toeslag blijft in stand, beroep ongegrond.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/7477
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Velthorst),

en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank
(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de SVB tot herziening en terugvordering van de toeslag van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering van de AOW-toeslag van eiser.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de AOW-toeslag van eiser heeft mogen herzien en terugvorderen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de SVB (gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser ontvangt vanaf 22 februari 2014 pensioen op grond van de AOW. Daarbij ontvangt hij een AOW-toeslag, gebaseerd op de inkomensgegevens van zijn partner (geboren op [geboortedatum] 1958). De AOW-toeslag is in de loop der jaren meermaals aangepast aan de hand van gewijzigde inkomensgegevens van de partner van eiser.

4. Zijn partner heeft op [datum] 2025 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. In verband hiermee heeft de SVB de AOW-toeslag van eiser per [datum] 2025 beëindigd en zijn partner per [datum] 2025 AOW-pensioen toegekend.

5. De SVB heeft eiser ook gevraagd om de inkomensgegevens van zijn partner over de periode van januari 2023 tot en met december 2024 om te verifiëren of de AOW-toeslag over deze periode op de juiste gegevens is gebaseerd.

6. Eiser heeft hierop een jaaropgave over 2023 van zijn partner en een bericht van de werkgever van zijn partner van 1 augustus 2022 opgestuurd. Uit deze gegevens blijkt dat zijn partner per [geboortedatum] 2023 een uitkering van de RAS ontvangt in plaats van inkomen uit arbeid.

7. Op basis van deze informatie heeft de SVB op 13 december 2024 het AOW-pensioen van eiser over de periode van mei 2022 tot en met 1 november 2024 herzien en de over die periode te veel ontvangen toeslag van € 6.557,54 van eiser teruggevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit een gedeeltelijke herziening en terugvordering over de periode van mei 2022 tot en met december 2022 (vanwege gewijzigde inkomensgegevens) en een gehele herziening en terugvordering over de periode van januari 2023 tot en met november 2024 (vanwege de ontvangen RAS-uitkering). De RAS-uitkering wordt namelijk geheel op de AOW-toeslag in mindering gebracht.

8. Met het bestreden besluit van 11 november 2025 op het bezwaar van eiser heeft de SVB de herziening op grond van de evenredigheidstoets gematigd, in die zin dat over de periode van januari 2024 tot en met november 2024 de AOW-toeslag niet wordt herzien en teruggevorderd. De SVB betrekt hierbij dat eiser de wijziging van het inkomen van zijn partner weliswaar niet tijdig heeft doorgegeven, maar dat de SVB het inkomen van zijn partner ook niet tijdig heeft verwerkt waardoor de schuld onnodig is opgelopen. De SVB handhaaft de herziening en terugvordering van de AOW-toeslag over de periode van mei 2022 tot en met december 2023 ten bedrage van € 3.119,82.

9. Eiser is het niet eens met de hoogte van de terugvordering en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

10. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

11. De rechtbank heeft de termijn van zes weken om uitspraak te doen niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
12. Eiser stelt in beroep dat de SVB op grond van het evenredigheidsbeginsel volledig had moeten afzien van volledige terugvordering.

13. De SVB stelt zich op het standpunt dat bij het bestreden besluit toereikend is gemotiveerd dat de matiging van de herziening en de terugvordering naar 20 maanden (in plaats van 31 maanden) voldoende evenredig is. De SVB heeft zich hierbij gebaseerd op zijn eigen beleidsregels.

14. Het beroep slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de beroepsgrond van eiser, zonder nadere motivering of toelichting op de zitting, geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de herziening en terugvordering van de AOW-toeslag van eiser over 20 maanden (te weten de periode van mei 2022 tot en met december 2023) onevenredig is. Dat legt de rechtbank hieronder uit.

15. Niet in geschil is dat eiser de wijziging in de inkomensgegevens van zijn partner niet (tijdig) aan de SVB heeft gemeld. Dit is in strijd met zijn inlichtingenplicht. Als gevolg daarvan heeft hij te veel AOW-toeslag ontvangen. De SVB is gehouden de AOW-toeslag te herzien en de te veel betaalde AOW-toeslag van eiser terug te vorderen.

16. De SVB kan (gedeeltelijk) van herziening of terugvordering af zien, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De SVB heeft beleidsregels SB1407 en SB1429 opgesteld ter invulling van deze bevoegdheid. De Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, heeft geoordeeld dat dit beleid van de SVB in beginsel strookt met de manier waarop de CRvB dringende redenen beoordeelt.

17. De SVB heeft bij het bestreden besluit overwogen dat een matiging van de herziening van 31 maanden naar de eerste 20 maanden evenredig is. Daarbij heeft de SVB de mate waarin eiser en de SVB een verwijt kan worden gemaakt conform beleidsregels SB1407 betrokken. De SVB ziet een eigen aandeel, omdat zij de inkomenswijziging van de partner van eiser niet tijdig heeft verwerkt en de teveelbetaling daardoor onnodig is opgelopen. De SVB ziet ook een aandeel bij eiser, omdat de teveelbetaling is ontstaan doordat eiser de inkomenswijziging niet (tijdig) heeft gemeld bij de SVB en hij had kunnen weten dat hij, als gevolg van de inkomenswijziging van zijn partner, te veel AOW-toeslag ontving. De rechtbank stelt vast dat eiser deze uitgangspunten en de afweging in beroep niet met specifieke argumenten heeft betwist. De rechtbank ziet dan geen aanknopingspunt om de matiging van de herziening naar 20 maanden onevenredig te achten.

18. De rechtbank ziet in de stelling van eiser, zonder nadere motivering of toelichting ter zitting, ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de SVB de terugvordering wegens dringende redenen verder had moeten matigen. De omstandigheden die zijn meegewogen bij de matiging van de herziening kunnen volgens de beleidsregels SB1429 niet leiden tot een verdere matiging van de terugvordering. Dat er een grond is om de terugvordering te matigen, is niet gesteld of gebleken.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de herziening en terugvordering van de AOW-toeslag over de periode van mei 2022 tot en met december 2023 ten bedrage van

€ 3.119,82 in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 17a, eerste lid, van de AOW.

Artikel 24, eerste lid, van de AOW.

Gebaseerd op een regeling die valt onder de voor de partner geldende CAO om maximaal 2 jaar voor de AOW-gerechtigde leeftijd volledig te stoppen met werken.

Artikel 49 van de AOW.

Artikel 17a, eerste lid, van de AOW.

Artikel 24, eerste lid, van de AOW.

Artikel 17a, tweede lid, en artikel 24, vijfde lid, van de AOW.

Zie de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:123, onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2298.

Artikel delen