Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:4469

Rechtbank Midden-Nederland 27 juli 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:4469 text/xml public 2026-07-27T11:39:15 2026-07-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-28 UTR 25/4666 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4469 text/html public 2026-07-27T11:38:46 2026-07-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4469 Rechtbank Midden-Nederland , 28-05-2026 / UTR 25/4666
Het Commissariaat voor de Media heeft aan AVROTROS een last onder dwangsom opgelegd tot het overleggen van twee onderzoeksrapporten. De rechtbank komt tot het oordeel dat de last terecht is opgelegd voor het rapport van bedrijf dat betrekking heeft op de governance van AVROTROS. Het Commissariaat is echter niet bevoegd om het rapport van bedrijf te vorderen, omdat dit rapport betrekking heeft op de sociale veiligheid van de werknemers van AVROTROS en het Commissariaat in zoverre geen toezichthoudende bevoegdheid heeft.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/4666
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen de raad van toezicht van de vereniging AVROTROS, uit Hilversum, eiseres
(gemachtigden: mr. J.R. van Angeren, mr. F.E. Stewart en mr. J.A. Hofman),

en
het Commissariaat voor de Media, het Commissariaat
(gemachtigden: mr. A.J. Boorsma en mr. W.J. Poot).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom tot het verstrekken van twee interne onderzoeksrapporten. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe aan dat het Commissariaat niet bevoegd is deze rapporten te vorderen, dat goed werkgeverschap en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in de weg staan aan verstrekking en dat het Commissariaat de rapporten ook niet nodig heeft om goed toezicht te kunnen houden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde last onder dwangsom.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Commissariaat niet bevoegd is tot het vorderen van het onderzoeksrapport van [deskundige 1] , maar wel tot het vorderen van het onderzoeksrapport van [deskundige 2] . De last onder dwangsom blijft gedeeltelijk in stand. Eiseres krijgt dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
<?linebreak?>Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2025 heeft het Commissariaat aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd en besloten tot openbaarmaking van dit besluit. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Partijen hebben de rechtbank verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft het bezwaar in behandeling genomen als beroep.

Het Commissariaat heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van het Commissariaat. Namens het Commissariaat waren verder aanwezig [A] , [B] en [C] .Beoordeling door de rechtbankWat ging er aan het besluit vooraf?

Op 1 februari 2024 bracht de Onderzoekscommissie Gedrag en Cultuur Omroepen (OGCO/de commissie Van Rijn) een rapport uit over grensoverschrijdend gedrag bij de omroepen. Door de NPO is een overkoepelend plan van aanpak opgesteld voor de opvolging van het rapport van de OGCO. Op basis daarvan hebben alle omroepen, waaronder AVROTROS, een plan van aanpak opgesteld waaruit blijkt op welke manier invulling wordt gegeven aan de bevindingen van de OGCO.

Eiseres heeft dit ‘plan van aanpak sociale veiligheid’ op 5 september 2024 aangeleverd bij het Commissariaat in het kader van de toezichthoudende taak van het Commissariaat. In dit plan van aanpak wordt verwezen naar een ‘Verkennende inventarisatie AVROTROS’ van maart 2024, uitgevoerd door [deskundige 1] . Verder heeft eiseres Onderzoeksbureau [deskundige 2] opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de werking van de governance bij AVROTROS. Dit onderzoeksrapport is op 29 november 2024 opgeleverd aan eiseres. Het Commissariaat heeft eiseres verzocht om deze twee onderzoeksrapporten over te leggen. Eiseres heeft de aanbevelingen uit beide rapporten met het Commissariaat gedeeld, maar weigert de volledige rapporten aan het Commissariaat over te leggen. Omdat eiseres de twee rapporten niet wil overleggen, heeft het Commissariaat op 19 februari 2025 een formele informatievordering gedaan. Toen eiseres daaraan niet voldeed heeft het Commissariaat een last onder dwangsom opgelegd en daarnaast beslist tot openbaarmaking daarvan.

Waar gaan de rapporten over?

5. Eiseres beschrijft de (inhoud van de) rapporten als volgt. Onderzoeksbureau [deskundige 1] heeft een verkennende inventarisatie gedaan naar de organisatie van AVROTROS. Het onderzoek is gedaan naar aanleiding van specifieke meldingen bij de vertrouwenspersonen van AVROTROS over de psychosociale veiligheid binnen de organisatie. De inventarisatie is een optekening van door de melders afgelegde verklaringen. Het betreft nadrukkelijk geen feitenonderzoek. Er wordt door de onderzoekers geen uitspraak gedaan over de juistheid of het waarheidsgehalte van de meldingen. Het gaat enkel om hoe melders bepaalde bejegeningen, gedragingen of situaties hebben ervaren. De inventarisatie betreft dus geen onderzoek naar de feitelijke grondslag van de meldingen.Onderzoeksbureau [deskundige 2] heeft onderzoek gedaan naar de werking van de governance van AVROTROS aan de hand van verschillende gebeurtenissen, namelijk (i) de erkenning als één publieke omroepinstelling van AVROTROS en PowNed gezamenlijk, (ii) het vaststellen en goedkeuren van de jaarrekening 2022 van de Stichting Samenwerkingsomroep, (iii) het vertrek van de voormalige algemeen directeur en de herbenoemingsprocedure van drie leden van de raad van toezicht. In het kader van het onderzoek heeft onderzoeksbureau [deskundige 2] onder meer interviews afgenomen. Het onderzoeksrapport bestaat uit optekeningen van deze verklaringen.

6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het Commissariaat niet bevoegd is om de onderzoeksrapporten te vorderen, omdat hij – kort samengevat – niet bevoegd is om toezicht te houden op “gedrag en cultuur” en “governance” binnen de organisatie van AVROTROS. Hierdoor ontbreekt een wettelijke grondslag voor de inlichtingenvordering.

7. Het Commissariaat stelt zich op het standpunt dat hij wel bevoegd is om tot vordering van de onderzoeksrapporten over te gaan. Deze bevoegdheid volgt uit de artikelen 7:11, eerste lid, in combinatie met artikel 2.3, vijfde lid, van de Mediawet voor het toezicht op de naleving van de Gedragscode Integriteit Publieke Omroep 2021 en uit de artikelen 2.142a en 2.178 van de Mediawet voor het toezicht op de naleving van de inrichting van de organisatie (governance). Omdat het Commissariaat op grond van deze bepalingen bevoegd is tot het houden van toezicht op de onderwerpen, is hij op grond van artikelen 5:16 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd tot het vorderen van inlichtingen daarover.

8. Omdat de rapporten betrekking hebben op twee verschillende onderwerpen, bespreekt en beoordeelt de rechtbank de bevoegdheid van het Commissariaat om het overleggen van de rapporten van eiseres te vorderen voor beide rapporten afzonderlijk. Het onderzoeksrapport van [deskundige 1] over sociale veiligheid

9. Het rapport van Decoz heeft betrekking op de psychosociale veiligheid van de medewerkers binnen de organisatie AVROTROS. Dit is tussen partijen niet in geschil. De bevoegdheid van het Commissariaat om hierop toezicht te houden volgt volgens het Commissariaat uit de artikelen 7:11, eerste lid, juncto artikel 2.3, vijfde lid, van de Mediawet, waarin is bepaald dat het Commissariaat toezicht houdt op de naleving van de Gedragscode. Dat het Commissariaat sinds 1 juli 2021 bevoegd is om toezicht te houden op de naleving van de Gedragscode, daar zijn partijen het ook over eens. Waar partijen het niet met elkaar over eens zijn, is de vraag of de Gedragscode ook betrekking heeft op de psychosociale veiligheid van de werknemers. Eiseres stelt dat dit niet het geval is en de rechtbank is het daar mee eens. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt.

10. De rechtbank merkt allereerst op dat het enkele feit dat er een link te leggen is tussen de sociale cultuur op de werkvloer en de publieke taak van een publieke omroep, wat naar het oordeel van de rechtbank goed mogelijk is, nog niet maakt dat het Commissariaat ook een bevoegdheid heeft om hierop toe te zien. Daarvoor is meer nodig en de rechtbank heeft daarvoor geen aanwijzingen gevonden.

Allereerst biedt de Mediawet zelf geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd ook de sociale veiligheid van werknemers in de Gedragscode te borgen. Artikel 2.3, tweede lid, van de Mediawet bepaalt dat de NPO een Gedragscode opstelt ter bevordering van goed bestuur en integriteit bij de NPO, de landelijke media-instellingen en de Ster. Op grond van het derde lid moet de Gedragscode in elk geval aanbevelingen omvatten voor de bestuurlijke organisatie, waaronder bestuurlijk toezicht, een beloningskader, gedragsregels voor integer handelen van bestuurders en medewerkers, gedragsregels voor publieke en transparante verantwoording en verslaglegging en procedures voor de behandeling van meldingen en vermoedens over mogelijke misstanden. ‘Sociale veiligheid’ wordt niet expliciet genoemd en naar het oordeel van de rechtbank valt ‘sociale veiligheid’ ook niet evident onder één van de wel genoemde onderdelen.

Ook de wetsgeschiedenis biedt deze aanknopingspunten niet. In de Memorie van Toelichting bij artikel 2.3 van de Mediawet merkt de regering op dat de Gedragscode betrekking heeft op de governance van omroeporganisaties, maar wordt verder niet ingegaan op de reikwijdte van de Gedragscode.

11. De Gedragscode is opgebouwd rond zeven principes: cultuur, integer handelen, relatie bestuur en raad van toezicht, bestuur, raad van toezicht, risicobeheersing en verantwoording. Het Commissariaat stelt zich op het standpunt dat de principes 1 (cultuur) en 6 (risicobeheersing) ook de sociale veiligheid voor werknemers omvatten. De rechtbank ziet dit anders.

Principe 1 luidt als volgt: “Het bestuur creëert een organisatiecultuur die bijdraagt aan de onafhankelijkheid en integriteit van de mediaorganisatie en die erop is gericht de publieke mediaopdracht te vervullen, ook op de lange termijn.” Principe 6 luidt als volgt: “Het bestuur is verantwoordelijk voor een goed systeem van risicobeheersing, maakt de risico’s die aan de activiteiten zijn verbonden kenbaar en draagt zorg voor sluitende interne processen, procedures en externe verslaggeving, voorzien van een controleverklaring door een externe accountant. De raad van toezicht heeft hierbij een toezichthoudende taak.” De sociale veiligheid van werknemers wordt in de code zelf dus ook niet met zoveel woorden genoemd, wat naar het oordeel van de rechtbank wel voor de hand had gelegen als ook daarop werd gedoeld.

Het Commissariaat wijst op de woorden ‘organisatiecultuur’ en ‘voorbeeldgedrag’ in de Gedragscode en stelt dat deze ook sociale veiligheid omvatten. Deze woorden op zichzelf hebben naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie (ook) betrekking op de sociale veiligheid van medewerkers en moeten in dit geval ook niet zo worden begrepen. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze woorden gelezen worden in de sleutel van goed bestuur en integriteit en maken zij op zichzelf niet dat de Gedragscode ook betrekking heeft op de sociale veiligheid van werknemers.

12. Dit wordt ondersteund door de door eiseres overgelegde verklaring van 22 december 2025 van het Hoofd Juridische Zaken van de NPO, die destijds betrokken is geweest bij het opstellen van de Gedragscode. Hij verklaart over de achtergrond en ontstaansgeschiedenis van de Gedragscode, gelegen in mogelijke integriteitskwesties bij de publieke omroep. Hij verklaart dat sociale veiligheid nooit een onderdeel van de Gedragscode is geweest, niet ten tijde van het opstellen daarvan en ook niet bij wijzigingen daarna. Alle genomen initiatieven op het gebied van de sociale veiligheid, zoals bijvoorbeeld het Mediapact Respectvol Samenwerken en het plan van aanpak sociale veiligheid, staan los van de Gedragscode. Sociale veiligheid is als onderwerp wel ter sprake gekomen bij de nu voorgenomen wijziging van de Gedragscode, maar alleen in de zin dat het bestuur van iedere omroep een eigen code met betrekking tot dat onderwerp opstelt. De door eiseres overgelegde verklaring van de adviseur van de raad van bestuur van de NPO, die ook verklaart dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat sociale veiligheid nu wel onder de code zou gaan vallen, sluit hierop aan. Deze beide verklaringen leggen veel gewicht in de schaal, omdat de NPO de code opstelt en de inhoud bepaalt. Het Commissariaat is niet betrokken bij het opstellen van de Gedragscode, en de wetgever heeft expliciet aangegeven dat betrokkenheid van het Commissariaat bij het vaststellen van de Gedragscode ook niet wenselijk is. De verwijzing door het Commissariaat naar de beleidsreactie van de staatssecretaris op het rapport van de Commissie van Rijn, waarin wordt opgemerkt dat vanuit de wettelijke systematiek een externe toezichtstaak voor het Commissariaat (voor de toekomst) logisch is met betrekking tot het waarborgen van sociale veiligheid binnen de publieke omroep, maakt dit niet anders.

13. Het Commissariaat is dus niet bevoegd om het rapport van [deskundige 1] van eiseres te vorderen. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit voor zover dat betrekking heeft op het rapport van [deskundige 1] . De beroepsgronden van eiseres over goed werkgeverschap, de AVG en het evenredigheidsbeginsel hoeven daarom in het kader van dit rapport niet meer besproken te worden.Het onderzoeksrapport van [deskundige 2] over de werking van de governance

13. Eiseres is van mening dat de toezichtsbevoegdheid van het Commissariaat op grond van de artikelen 2.142a en 2.178 van de Mediawet zich alleen uitstrekt tot de financiën van de AVROTROS. Eiseres voert aan dat het doel van artikel 2.142a van de Mediawet is om een heldere organisatiestructuur te creëren voor de publieke omroep, zodat onduidelijkheid over de besteding van publieke middelen zo veel als mogelijk wordt beperkt. Daar gaat het rapport niet over; het geeft geen inzicht in de sobere, doelmatige en evenwichtige inrichting van AVROTROS en ook niet in het onderscheid tussen het bestuur en de raad van toezicht, en het bevat geen onderzoek naar de manier waarop AVROTROS publieke middelen besteedt. Verder is de achtergrond van artikel 2.178 van de Mediawet de financiële verantwoording van de algemene middelen waaruit de publieke omroep wordt gefinancierd en het mogelijk maken van rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven. De verwijzing door het Commissariaat naar Kamerstukken helpt volgens eiseres niet, omdat uit niets blijkt dat de wetgever heeft bedoeld de reikwijdte van de bepalingen te vergroten.

13. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De artikelen 2.142a en 2.178 van de Mediawet schrijven voor hoe de NPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen hun bestuurlijke organisatie moeten inrichten. De doelmatige besteding van publieke middelen is weliswaar de achtergrond waartegen deze artikelen gelezen moeten worden, maar deze artikelen schrijven ook voor wat daarvoor nodig is wat betreft de inrichting van de bestuurlijke organisatie. De artikelen strekken dan ook verder dan enkel de doelmatige besteding van publieke middelen. Uit artikel 7.11 van de Mediawet volgt dat het Commissariaat is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde in deze artikelen. Het Commissariaat heeft dus een toezichthoudende bevoegdheid in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht als het gaat om de governance van AVROTROS. Dit betekent dat het Commissariaat op grond van artikelen 5:16 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd is om inlichtingen en inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden. Aangezien het rapport van [deskundige 2] betrekking heeft op de werking van de governance binnen AVROTROS, is het Commissariaat bevoegd om inzage te vorderen in dit rapport. Dat in het rapport mogelijk passages staan die niet gaan over de governance van AVROTROS, maakt dit niet anders. Verzet goed werkgeverschap zich tegen het delen van het rapport van [deskundige 2] ?

13. Eiseres voert aan dat de verplichtingen die zij heeft ten opzichte van haar werknemers zich verzetten tegen het verstrekken van het integrale onderzoeksrapport. Het rapport bestaat uit verklaringen van (oud-)werknemers, aan wie vertrouwelijkheid is toegezegd. In het kader van goed werkgeverschap van AVROTROS is het van groot belang dat het gewekte vertrouwen wordt waargemaakt. Door de rapporten te verstrekken zou eiseres ook in strijd handelen met artikel 3, derde lid, van de geldende Cao Omroeppersoneel.

13. De rechtbank volgt het standpunt van het Commissariaat dat eiseres de door haar aan haar (oud-)werknemers toegezegde vertrouwelijkheid niet kan inroepen om het verstekken van het rapport te weigeren. Artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een ieder verplicht is aan een toezichthouder alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Het tweede lid maakt een uitzondering voor hen die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding. De wetgever heeft hierbij aansluiting gezocht bij de geheimhoudingsbepaling van artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee in het bijzonder artsen, advocaten, notarissen en geestelijken van de medewerkingsplicht ontheven. Deze uitzondering geldt dus niet voor eiseres.

Ook de Cao-bepaling waar eiseres naar verwijst, kan de inlichtingenplicht van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet opzijzetten. Het Commissariaat verwijst daarbij terecht naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 april 2013, waarin is overwogen dat een overeengekomen geheimhoudingsplicht geen afbreuk doet aan de medewerkingsplicht. Overigens kan eiseres aan de toegezegde vertrouwelijkheid tot op zekere hoogte tegemoetkomen door het rapport geanonimiseerd aan het Commissariaat te verstrekken, waarmee het Commissariaat al heeft ingestemd.

Verzet de AVG zich tegen het delen van het rapport van [deskundige 2] ?

18. Eiseres voert verder aan dat de AVG het delen van het volledige onderzoeksrapport niet toestaat. Artikel 6 van de AVG biedt eiseres geen grondslag voor het delen van de persoonsgegevens in de rapporten met het Commissariaat. Daarbij is niet relevant of het Commissariaat al dan niet een wettelijke grondslag heeft voor de inlichtingenvordering, omdat er een expliciete grondslag moet zijn voor het delen van de persoonsgegevens.

18. Het Commissariaat stelt zich hierover op het standpunt dat op eiseres een wettelijke verplichting rust om de onderzoeksrapporten te verstrekken. Het verwerken van de persoonsgegevens, die al dan niet in de onderzoeksrapporten zijn opgenomen, is noodzakelijk om te voldoen aan deze wettelijke verplichting die op eiseres rust. Daarom beschikt eiseres op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG over een wettelijke grondslag voor de gegevensverwerking. De rechtbank sluit zich hierbij aan. De AVG verzet zich dus niet tegen het delen van het volledige onderzoeksrapport met het Commissariaat als toezichthouder. Is de vordering in strijd met het evenredigheidsbeginsel?

18. Eiseres voert aan dat de inlichtingenvordering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor zover het Commissariaat al een toezichthoudende bevoegdheid heeft, kan hij die ook op een minder verstrekkende manier uitoefenen. Het Commissariaat heeft de integrale onderzoeksrapporten niet nodig voor de vervulling van de toezichthoudende taak en het belang van de werknemers moet prevaleren. Het is voor het toezicht voldoende dat eiseres de aanbevelingen uit de onderzoeksrapporten heeft gedeeld.

18. Het Commissariaat stelt zich hierover allereerst op het standpunt dat het aan de toezichthouder is om te bepalen welke gegevens en bescheiden noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het toezicht. Het vorderen van het onderzoeksrapport is geschikt en passend. Het verstrekken van het rapport is noodzakelijk voor de toezichttaak van het Commissariaat, omdat uit de gedeelde aanbevelingen en het plan van aanpak van AVROTROS niet blijkt wat precies is onderzocht en op welke manier, wat de precieze bevindingen waren en welke rol het leiderschap van AVROTROS (de directie en raad van toezicht) hierin heeft gespeeld. Om de maatregelen van AVROTROS op waarde te kunnen schatten is van cruciaal belang om een goed beeld te hebben van het onderliggende probleem.

18. Gelet op artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht maakt een toezichthouder slechts van zijn bevoegdheden gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Het Commissariaat kan dus geen inzage vorderen van andere informatie dan informatie die verband houdt met de wettelijke voorschriften waarop het toezicht in het concrete geval betrekking heeft. Daarnaast moet hij motiveren waarom de gevraagde informatie noodzakelijk is voor het uitoefenen van het toezicht.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Commissariaat deugdelijk gemotiveerd waarom de gevorderde informatie relevant kan zijn. Het rapport heeft betrekking op de manier waarop de directie en de raad van toezicht hun taak hebben ingevuld en doet aanbevelingen ter versterking van de governance van AVROTROS. Om te kunnen beoordelen of deze aanbevelingen voldoen, moet het Commissariaat inzage hebben in het verrichte onderzoek en de bevindingen daaruit. Alleen op die manier kan het Commissariaat beoordelen of de aanbevelingen volstaan om verder te komen bij het deugdelijk inrichten van de organisatie met het oog op het vervullen van de publieke mediaopdracht.

18. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd voor zover die betrekking heeft op het rapport van [deskundige 2] .

Mag het Commissariaat overgaan tot publicatie van het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom?

25. Tot slot voert eiseres aan dat het openbaarmakingsbesluit moet worden vernietigd omdat de last onder dwangsom niet in stand kan blijven. Als de last onder dwangsom wel in stand blijft, dan stelt eiseres zich op het standpunt dat het openbaarmakingsbesluit niet valt onder de reikwijdte van artikel 3.1 van de Wet open overheid en dat met de openbaarmaking geen redelijk belang wordt gediend. Eiseres vindt daarnaast dat de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Wet open overheid in de weg staat aan openbaarmaking, omdat openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan AVROTROS.

25. Conform paragraaf 3 van zijn “Werkwijze Communicatie Commissariaat voor de Media” heeft het Commissariaat besloten tot openbaarmaking van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom. Uitgangspunt voor het Commissariaat is dat hij zo transparant mogelijk is bij de uitvoering van zijn taken, met inachtneming van de Wet open overheid. Dit is ook het uitgangspunt van de Wet open overheid, zoals neergelegd in artikel 3.1. Niet valt in te zien waarom het openbaarmakingsbesluit niet valt onder de reikwijdte van artikel 3.1 van de Wet open overheid, zoals eiseres stelt. De Wet open overheid zelf biedt daarvoor geen aanknopingspunten, en de wetsgeschiedenis ook niet. Openbaarmaking van dwangsombesluiten past hierin, omdat hiermee bekendheid wordt gegeven aan de wijze van uitvoering van de toezichthoudende taak van het Commissariaat. Dit is ook het redelijke belang dat wordt gediend met de openbaarmaking. De belangen van eiseres wegen hier niet tegenop. Zij wordt naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig benadeeld door openbaarmaking van het besluit.

25. De rechtbank merkt hierbij voor alle duidelijkheid op dat wat zij hiervoor heeft overwogen geldt voor het besluit voor zover dat in stand blijft. Publicatie van het deel van het besluit dat bij deze uitspraak wordt vernietigd is uiteraard niet aan de orde.
Conclusie en gevolgen
28. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit gedeeltelijk in strijd is met artikelen 5:16 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de vordering tot het overleggen van het onderzoeksrapport van [deskundige 1] . Dit betekent dat eiseres dit rapport niet aan het Commissariaat hoeft te verstrekken. Het rapport van Ebbens Partners moet eiseres wel aan het Commissariaat verstrekken. Het Commissariaat kan tot publicatie van het besluit overgaan, voor zover het besluit betrekking heeft op de vordering tot het overleggen van het rapport van Ebbens Partners.

28. Omdat het beroep gegrond is, moet het Commissariaat het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het Commissariaat moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 1 april 2025, voor zover de last onder dwangsom betrekking heeft op de vordering tot het overleggen van het rapport van [deskundige 1] en tot publicatie van het besluit in zoverre;

- bepaalt dat het Commissariaat het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt het Commissariaat tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzitter, en mr. G. Schnitzler en mr. J.A.C.M. Nielen, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tweede Kamer 2019-2020, 35554, nr. 3, p. 13.

Tweede Kamer 2019-2020, 35554, nr. 3, p. 15.

Tweede Kamer, 2023-2024, 32827, nr. 297, p. 5.

Tweede Kamer 1993-1994, 23700, nr. 3 , pag. 148.

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA3041.

Artikel delen