Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:3769

Kort geding. Beeindiging bankrelatie ogv Wwft onterecht.

Rechtbank Midden-Nederland 3 juli 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:3769 text/xml public 2026-07-03T09:52:47 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-06-19 C/16/609599 / KG ZA 26-181 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3769 text/html public 2026-07-03T09:51:53 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:3769 Rechtbank Midden-Nederland , 19-06-2026 / C/16/609599 / KG ZA 26-181
Kort geding. Beeindiging bankrelatie ogv Wwft onterecht.
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/609599 / KG ZA 26-181

Vonnis in kort geding van 19 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. F.J.H.M. Berndsen en M.M.E.P. van Helmond,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

te Amersfoort,

gedaagde partij,

hierna te noemen: ABN AMRO,

advocaat: mr. J.W. Achterberg en mr. H.S. Mensonides.
<nr>1</nr>De procedure 1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:

- de dagvaarding en producties 1 tot en met 22 van [eiser] ,

- de conclusie van antwoord en producties 1 tot en met 11 van ABN AMRO,

- de spreekaantekeningen van [eiser] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
<nr>2</nr>De kern van de zaak
ABN AMRO heeft de bankrelatie met [eiser] opgezegd, omdat ze bij haar klantonderzoek in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) onbeheersbare integriteitsrisico’s heeft geconstateerd. Daarnaast heeft ze [eiser] opgenomen op de interne CAAML-lijst (Client Acceptance and Anti-Money Laundering). Volgens [eiser] mocht ABN AMRO dat niet doen. Zij vordert daarom voortzetting dan wel herstel van de bankrelatie en verwijdering van de registratie op de CAAML-lijst. Deze vorderingen worden toegewezen.

3 Achtergrond
3.1
[eiser] is een vennootschap waarvan [A] enig bestuurder en enig aandeelhouder is. Omdat in de publiciteit kwam dat zijn broer zich bezig houdt met de georganiseerde handel in drugs is ABN AMRO een klantonderzoek gestart naar [A] en aan hem gelieerde vennootschappen. Naast [eiser] ging het ook om [bedrijf] , waarvan hij ook enig bestuurder en één van de aandeelhouders is. Andere aandeelhouders in die vennootschap zijn [B] (de echtgenote van [A] ), een schoonzus van [A] en Met-In Administratie BV. Omdat er allerlei transacties plaatsvonden tussen de aandeelhouders in [bedrijf] . en enkele andere partijen, heeft ABN AMRO die partijen aangemerkt als een zogenaamd klantcomplex, waarbij alle partijen daarbinnen die bij ABN AMRO bankierden werden onderzocht. Bij dat onderzoek heeft ABN AMRO geen bewijs gevonden voor betrokkenheid bij drugshandel, maar heeft zij wel geconstateerd dat sprake is van een netwerk van vennootschappen en personen dat voornamelijk met elkaar, binnen een gesloten circuit, zaken doet. De bank heeft uiteindelijk de bankrelatie opgezegd met meerdere partijen in het klantcomplex, waaronder [eiser] , [bedrijf] , [bedrijf] . en drie aan [bedrijf] . gelieerde personen in privé ( [C] , [D] en [E] ).
3.2
Sommige klanten uit wat ABN AMRO het klantcomplex noemt hebben in de opzegging berust, maar elf klanten zijn een kort geding gestart bij de rechtbank Midden-Nederland. Vandaag wordt uitspraak gedaan in de zaken van [eiser] en [bedrijf] . In de zaken van [bedrijf] ., [C] , [D] en [E] is een regeling getroffen en wordt geen uitspraak gedaan. Van de overige vijf kort gedingen moet de mondelinge behandeling nog plaatsvinden.
<nr>4</nr>De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt een spoedeisend belang heeft. [eiser] heeft voldoende aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. ABN AMRO heeft de bankrelatie opgezegd. Het gevolg daarvan is dat zij geen gebruik meer zal kunnen maken van haar bankrekeningen.

Toetsingskader
4.2
In een kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat nu alvast een voorlopige voorziening moet worden gegeven. De kernvraag in deze zaak is dus of aannemelijk is dat de bodemrechter zou oordelen dat ABN AMRO de bankrelatie met [eiser] niet had mogen beëindigen, en dus de bankrelatie moet voortzetten. Daarvoor is het volgende toetsingskader van belang.
4.3
Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt of misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun klanten. Het klantonderzoek houdt onder meer in dat de bank een voortdurende controle moet uitoefenen op de zakelijke relatie en op de transacties die tijdens de duur van de relatie worden verricht. De bank moet zich ervan verzekeren dat die transacties overeenkomen met de kennis die zij heeft van de klant en diens risicoprofiel. Een klantonderzoek is intensiever naarmate de risicofactoren hoger zijn. In bepaalde branches zijn die risicofactoren hoger dan in andere.
4.4
Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn bij het doen van het onderzoek afhankelijk van informatie die de bank heeft, informatie uit openbare bronnen en met name informatie van de klant zelf. De klant is daarom op grond van artikel 2, 3 en 7 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de manier waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt.
4.5
Als een bank concludeert dat een klantonderzoek niet met een positief gevolg kan worden afgerond, dan moet de bank de relatie met die klant op grond van artikel 5 lid 3 Wwft beëindigen. De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten.
4.6
Een bank kan om meerdere redenen tot de conclusie komen dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden. Dat kan het geval zijn als de klant geen antwoord geeft op vragen, als de klant slechts gedeeltelijke of gebrekkige antwoorden geeft op vragen, en als de klant geen of te weinig stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen. De bank kan ook tot die conclusie komen als de klant wel duidelijke antwoorden geeft en stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen, maar de antwoorden ofwel de bank niet overtuigen, ofwel bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen.
4.7
De bank moet bij de uitvoering van het klantonderzoek zorgvuldig handelen. Dat volgt onder andere uit de in artikel 2 ABV opgenomen verplichting zorgvuldig te zijn in de dienstverlening. De bank moet, bijvoorbeeld, de klant voldoende tijd geven vragen te beantwoorden, moet enige ruimte laten bestaan voor misverstanden, in het bijzonder als de klant een kleine ondernemer is en/of de Nederlandse taal minder goed machtig is, en moet de antwoorden en de stukken die de klant ter onderbouwing daarvan aanlevert goed bestuderen. Bij het trekken van de conclusie dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden moet de bank temeer zorgvuldig handelen. Als de bank de relatie wil beëindigen omdat de antwoorden bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen, moet de bank de klant in het voortraject, bij het stellen van de vragen, een reële kans hebben geboden zich over de feiten die bij de bank zorgen opleveren uit te laten. En de bank moet de opzegging deugdelijk motiveren. Naarmate de klant uitvoeriger antwoorden geeft op vragen die gaan over door de bank genoemde zorgen of risico’s, zal de opzegging uitvoeriger gemotiveerd moeten zijn.
4.8
Als een bank een relatie met een klant opzegt omdat het klantenonderzoek niet of niet met een positief resultaat kan worden afgerond en de klant betwist dat de bank die conclusie heeft mogen trekken, moet de rechter onderzoeken of de bank juist en zorgvuldig heeft gehandeld. Het ligt dan op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat zij een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en daaruit onvoldoende informatie heeft verkregen om het klantenonderzoek (positief) te kunnen afronden. Het toetsmoment daarbij is het moment van de opzegging (toetsing ‘ex tunc’).
4.9
Als de conclusie is dat de bank na een zorgvuldig onderzoek terecht heeft geconcludeerd het klantonderzoek niet behoorlijk te kunnen afsluiten, zal de rechter de bank in het gelijk stellen. Vragen zoals of de klant elders nog een bankrekening heeft of niet, of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en of de zorgplicht van de bank niet aan de opzegging in de weg staat, komen niet aan de orde. De opzegging vloeit immers voort uit een wettelijke plicht (art. 5 lid 3 Wwft), ook al is de contractuele grondslag van de opzegging gebaseerd op artikel 35 ABV. Een belangenafweging is daarom niet aan de orde. De zorgplicht van de bank en het belang van de klant bij het hebben van een bankrekening komen al aan bod bij de manier (zorgvuldig) waarop de bank het klantenonderzoek moet verrichten. Een bank die een opzegging baseert op artikel 5 lid 3 Wwft kan zich ten slotte niet met succes subsidiair beroepen op haar algemene opzeggingsbevoegdheid en haar contractsvrijheid. Daar is het de bank in zo’n art. 5 lid 3 Wwft zaak immers helemaal niet om te doen.

Het toetsmoment is 2 februari 2026
4.10
De opzegging waar het in deze zaak om gaat is de brief van 2 februari 2026. De eerdere brief van 22 september 2025 wordt, zo schrijft ABN AMRO expliciet, ingetrokken. Voor zover ABN AMRO het standpunt inneemt dat de brief van 2 februari 2026 moet worden gezien als nadere toelichting op de brief van 22 september 2025, gaat de rechter daaraan voorbij. Voor zover [eiser] het standpunt inneemt dat met de intrekking van de opzeggingsbrief van 22 september 2025 de aanvullende brief van 2 februari 2026 is komen te vervallen, en er dan geen opzegging meer is, gaat de rechter daar ook aan voorbij. ABN AMRO heeft de bankrelatie meerdere keren opgezegd en vervolgens naar aanleiding van bezwaren van [eiser] een nieuwe beslissing genomen over beëindiging van de bankrelatie. De brief van 2 februari 2026 is simpelweg de meest recente beslissing en is daarom de beslissing waar in dit kort geding van uitgegaan moet worden.
4.11
De ex-tunc toetsing betekent voor deze zaak dus dat ABN AMRO aannemelijk moet maken dat zij op het moment van de opzeggingsbrief van 2 februari 2026 kon concluderen dat zij het klantenonderzoek niet positief kon afronden en dus niet kon voldoen aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 3 Wwft.

ABN AMRO mocht de bankrelatie niet opzeggen
4.12
In de brief van 2 februari 2026 heeft ABN AMRO meegedeeld dat zij de bankrelatie met [eiser] beëindigt, omdat

“… de aangeleverde informatie en documentatie non-conveniërend is, waardoor de geconstateerde integriteitsrisico’s voor de bank niet zijn weggenomen.”

ABN AMRO licht dat als volgt toe:

“Het is de bank bijvoorbeeld onduidelijk waarom uw cliënt enerzijds leningen nodig heeft vanuit [bedrijf] en anderzijds wel weer gelden uitleent. De bank acht dit al met al voor de onderneming onlogisch. Daarbij speelt dat door de hoeveelheid aan leningen die over de rekening gaan, ook van en naar de privérekening van [A] bij ING bank, het voor de bank onvoldoende inzichtelijk wordt waar haar rekening precies voor wordt gebruikt.

Voorts acht de bank de constructie waarbij uw cliënt woningen/studio’s huurt en vervolgens doorverhuurt aan [bedrijf] opmerkelijk. De bank begrijpt dat [bedrijf] woningen/studio’s verhuurt voor cliënten van die bv. Echter merkt de bank ook op dat uw cliënt meer ontvangt aan huurgelden van [bedrijf] dan dat uw cliënt zelf totaal aan huurgelden betaalt, In de onderzochte periode ontvangt uw cliënt in totaal EUR 905.125 vanuit [bedrijf] waarbij uw cliënt volgens onze telling voor in totaal EUR 676.020 huurt (de totale verhuurinkomsten zijn ook hoger dan genoemde EUR 905.125). Dat zou betekenen dat een deel van de winst niet bij [bedrijf] terecht komt, terwijl haar verdienmodel (mede) bestaat uit de verhuur van woningen, maar bij uw cliënt. De bank begrijpt niet waarom [bedrijf] niet direct zelf de panden huurt waar uw cliënt ze nu als tussenpartij huurt. De bank ziet hier ook risico’s omdat de zorg als fraudegevoelige sector bekend staat.”

Dat is alles. ABN AMRO legt in de opzegbrief slechts twee dingen feitelijk ten grondslag: onduidelijkheid rondom leningen van en aan [eiser] en dat de constructie van huur van onroerend goed en verhuur daarvan aan [bedrijf] (hierna [bedrijf] ) opmerkelijk is.
4.13
ABN AMRO verwijst in de opzegbrief naar de vragen die zij op 30 januari 2025 heeft gesteld over onder andere de bedrijfsactiviteiten en het rekeninggebruik van [eiser] , naar haar vragen van 10 april 2025 over onder andere vastgoedobjecten en leningen van [eiser] , en naar de antwoorden, informatie en documentatie die [A] namens [eiser] naar aanleiding daarvan heeft aangeleverd op 2 februari 2025 en 18 mei 2025. Deze vragen en antwoorden zijn te vinden in producties 15 t/m 18 van de dagvaarding. De rechtbank zal deze correspondentie meenemen bij het beoordelen van de opzegging door ABN AMRO.

De leningen van en aan [eiser]
4.14
ABN AMRO legt op geen enkele manier uit wat er non-conveniërend is aan de antwoorden die [eiser] heeft gegeven over de leningen. ABN AMRO heeft daar in de twee brieven met vragen waar zij naar verwijst slechts één enkele vraag over gesteld. In de brief van 30 januari 2025 komt dit onderwerp in het geheel niet aan de orde en in de brief van 10 april 2025 wordt alleen deze vraag gesteld:

“Volgens bijlages 23, 24 en 25 ontving u kortlopende leningen van [B] en [A] , [bedrijf] , en [bedrijf] .

9. Graag ontvangen wij de leenovereenkomsten van de lening van [bedrijf] . en [bedrijf] . Indien u geen leenovereenkomsten heeft, dan willen wij graag de reden hiervan weten.”
4.15
Wat er niet conveniërend is aan het antwoord van [eiser] (er zijn geen schriftelijke overeenkomsten, want het zijn kortlopende leningen met gelieerde partijen, en voor [bedrijf] geldt dat er vertrouwen is, want het is een jeugdvriend) zegt ABN AMRO niet. Zij zegt ook niet waarom het onlogisch is dat [eiser] bij Maxum leent om vastgoed te financieren en tegelijkertijd ook zelf geld uitleent. Dat had wel op de weg van ABN AMRO gelegen. Het is in zijn algemeenheid niet vreemd dat een vastgoedbedrijf zowel geld leent om vastgoed aan te kopen als ook wel eens (kortlopend) geld uitleent. Wat ABN AMRO aanvoert in de conclusie van antwoord onder randnummers 6.15 en 6.16 verklaart, zonder te verwijzen naar enige concrete transactie, onvoldoende waarom de leningen van en aan [eiser] onlogisch en ongebruikelijk zijn. Zeker in het kader van een kort geding, waar nadere bewijslevering niet mogelijk is, is dit te weinig.

De huurconstructie met [bedrijf]
4.16
[eiser] huurt woningen en verhuurt die vervolgens weer door aan [bedrijf] . Dit is een vennootschap van de echtgenote en schoonzus van [A] . [bedrijf] stelt in het kader van de Wet Langdurige Zorg (WLZ) woningen ter beschikking aan zorgbehoevenden met een WLZ indicatie. Vaak gaat het om mensen met een lichte verstandelijke beperking, zo heeft [A] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht. Over deze huurconstructie heeft ABN AMRO in de brief van 10 april 25 vier vragen gesteld (5 t/m 8) en [A] heeft die vragen beantwoord. ABN AMRO heeft in de brief van 10 april 2025 niet gezegd dat zij de huurconstructie opmerkelijk vindt. Daar heeft [eiser] bij de beantwoording van de vragen dus ook niet op kunnen reageren. In het dossier zijn verder geen stukken aanwezig waaruit blijkt dat ABN AMRO op een ander moment of op een andere manier wel aan [eiser] kenbaar heeft gemaakt dat zij de huurconstructie opmerkelijk vindt en waarom zij dat vindt. Nergens blijkt uit dat ABN AMRO [eiser] de mogelijkheid heeft gegeven om specifiek in te gaan op de door haar geconstateerde opmerkelijkheid van de huurconstructie. De voorzieningenrechter begrijpt dat ABN AMRO zich afvraagt waarom [bedrijf] niet direct de panden huurt, dus zonder tussenkomst van [eiser] , maar ook die vraag heeft ABN AMRO nooit gesteld.
4.17
De voorzieningenrechter ziet op zich wel dat de constructie opmerkelijk is. Het is aannemelijk dat [A] door deze constructie met zijn BV en een BV van zijn echtgenote en schoonzus veel verdient aan zorgwoningen. Het lijkt erop dat [bedrijf] meer aan [eiser] betaalt dan wat marktconform is. De opslag is immers zeer hoog: 33 procent (goed voor enkele tonnen op jaarbasis, zoals benoemd door ABN AMRO). Wat [bedrijf] betaalt komt uiteindelijk voor rekening van de collectieve zorgkosten, die door dit soort constructies worden opgedreven, en dat is maatschappelijk zeer onwenselijk. [A] heeft op de zitting gezegd dat hij niet zo veel verdient aan de zorgwoningen omdat de opslag die [eiser] hanteert bedoeld is om het risico op tijdelijke leegstand en schade aan de woningen te dekken. De opslag is echter dermate hoog dat die dat risico meer dan ruimschoots zal dekken.
4.18
ABN AMRO heeft evenwel niet uitgelegd hoe dit relevant is in het kader van haar Wwft-verplichtingen of hoe dit maakt dat [eiser] wordt gebruikt voor witwassen of dat er onbeheersbare risico’s op witwassen bestaan. Als [eiser] profiteert van een huurconstructie waarin zij als een onnodige en kostenverhogende tussenpersoon lijkt te functioneren, is zonder enige toelichting niet duidelijk dat er sprake is van fraude of onbeheersbare risico’s, en die toelichting geeft ABN AMRO niet.

Conclusie
4.19
ABN AMRO heeft niet goed uitgelegd waarom de omstandigheden die zij in de opzegbrief noemt tot onbeheersbare risico’s leiden. Zij heeft er niet of nauwelijks vragen over gesteld aan [eiser] en door het gebrek aan uitleg heeft zij [eiser] ook niet voldoende gelegenheid gegeven om een verklaring te geven voor het bestaan van de omstandigheden die zij als risicovol heeft gesignaleerd. Dat betekent dat het ABN AMRO niet voldoende zorgvuldig is geweest bij haar onderzoek naar [eiser] en dat zij dus ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat ze het onderzoek niet met een positief resultaat kon afronden. Zij mocht de bankrelatie daarom niet opzeggen. De vordering tot herstel dan wel voortzetting van de relatie wordt dan ook toegewezen.

Vermelding op de CAAML-lijst moet verwijderd worden
4.20
[eiser] vordert dat ABN AMRO haar gegevens van de CAAML-lijst verwijdert. Dit is een interne lijst die alleen zichtbaar is voor ABN AMRO (en de met haar verbonden rechtspersonen). ABN AMRO stelt dat zij er recht en belang bij heeft om de gegevens van [eiser] in die lijst op te nemen. Het doel van opname op de CAAML-lijst is (zo blijkt uit de conclusie van antwoord) dat zij met de registratie van [eiser] op de CAAML-lijst (slechts) wil voorkomen dat [eiser] na het beëindigen van de bancaire relatie een nieuwe aanvraag doet tot het aangaan van een relatie en dat de afdeling die deze nieuwe aanvraag behandelt daarin toestemt zonder te weten dat de relatie met [eiser] kortgeleden is beëindigd. Voor opname op de CAAML-lijst is dus essentieel dat de bankrelatie is beëindigd. Omdat hiervoor is geoordeeld dat ABN AMRO de bankrelatie niet mocht beëindigen, is de reden en het belang van ABN AMRO om [eiser] op de CAAML-lijst op te nemen komen te vervallen. Daarom wordt de vordering toegewezen en moet ABN AMRO de vermelding van de gegevens van [eiser] op de CAAML-lijst verwijderen.

Er wordt geen dwangsom opgelegd
4.21
Het is niet aannemelijk geworden dat ABN AMRO zich niet zal houden aan de uit te spreken veroordeling. In de conclusie van antwoord verklaart ABN AMRO uitdrukkelijk dat zij zich altijd houdt aan veroordelingen uit een vonnis en dat zij zich ook aan dit vonnis zal houden. De voorzieningenrechter weegt mee dat ABN AMRO er met het oog op haar integriteit als financiële instelling ook belang bij heeft dat te doen. Er is daarom geen reden om een dwangsom op te leggen.

ABN AMRO moet de proceskosten betalen
4.22
[eiser] is grotendeels in het gelijk gesteld. ABN AMRO moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. Die kosten worden begroot op:

- dagvaarding

€ 125,57

- griffierecht

€ 735,00

- salaris advocaat

€ 1.177,00

(gemiddeld tarief )

- nakosten

€ 189,00

(plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€ 2.226,57
4.23
De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
veroordeelt ABN AMRO om de bankrelatie met [eiser] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te continueren dan wel te herstellen en de betreffende bankrekening te heropenen,
5.2
veroordeelt ABN AMRO om de vermeldingen op de CAAML-lijst binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te verwijderen,
5.3
veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten van € 2.226,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als ABN AMRO niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4
veroordeelt ABN AMRO tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. C.A.J. van Yperen op 19 juni 2026.

Art. 3 lid 2 onder d Wwft

ECLI:NL:GHARL:2025:3542 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHARL:2025:3542), rov. 3.7

Artikel delen