Treintje rijden. Tenaamstelling niet komen vast te staan. Vordering afgewezen.
Rechtbank Limburg 1 juni 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2025:12524
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-12-2025
Datum publicatie
01-06-2026
Zaaknummer
11859679 CV EXPL 25-3650
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBLIM:2025:12524text/xmlpublic2026-06-01T16:30:382025-12-16Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2025-12-1711859679 CV EXPL 25-3650UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigOp tegenspraakNLRoermondCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:12524text/htmlpublic2026-06-01T16:29:332026-06-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2025:12524 Rechtbank Limburg , 17-12-2025 / 11859679 CV EXPL 25-3650 Treintje rijden. Tenaamstelling niet komen vast te staan. Vordering afgewezen.
RECHTBANK LIMBURG Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11859679 CV EXPL 25-3650 Vonnis van 17 december 2025 in de zaak van Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Q-Park
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel, tegen
[gedaagde] v.h.o.d.n. [bedrijfsnaam],
wonende te [plaatsnaam] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten2.1. Q-Park exploiteert en beheert parkeeraccommodaties. Op 28 oktober 2023 om 02.33 uur is door camera’s van Q-park geregistreerd dat het voertuig met het kenteken [X] is uitgereden door direct achter een voorganger langs de slagboom te rijden (het zogenaamde ‘treintje rijden’). Dit gebeurde zonder gebruik te maken van een geldige parkeerkaart. 3Het geschil3.1. Q-Park vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 419,12, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag bestaat enerzijds uit een bedrag van € 17,50 aan misgelopen parkeergeld. Anderzijds vordert Q-Park aanvullende schade voor een bedrag van € 346,95. Daarbij doet zij een beroep op artikel 5.8 van haar algemene voorwaarden. 3.2.
[gedaagde] betwist de vordering. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van Q-Park. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling4.1. De kantonrechter wijst de vordering van Q-park af. Hij overweegt daartoe het volgende. Het is niet vast komen te staan dat de gebruikte auto op naam van [gedaagde] stond 4.2. Q-Park heeft primair aan haar vordering wanprestatie ten grondslag gelegd. Voor toewijzing op deze grond is nodig dat er schade is ontstaan door een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit een overeenkomst (artikel 6:74 BW). Q-Park heeft subsidiair gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door te parkeren en uit te rijden zonder daarvoor te betalen. Voor beide grondslagen stelt Q-Park dat zij [gedaagde] aanspreekt, omdat de auto op zijn naam stond. 4.3. Q-Park stelt dat de auto op naam van [gedaagde] staat en dat dit het enige objectieve aanknopingspunt is om vast te stellen tot wie de vordering gericht moet worden. [gedaagde] betwist dat de auto met kenteken [X] op zijn naam staat. [gedaagde] voert namelijk aan dat de auto niet van hem is en gekoppeld is aan een adres waar hij 10 jaar geleden een zaak heeft gehad. [gedaagde] overlegt een uitdraai van de RDW van de afgelopen 9 jaar waaruit blijkt dat de auto met het betreffende kenteken in ieder geval in die tijd niet op zijn naam heeft gestaan. [gedaagde] betwist daarmee (impliciet) dat er een parkeerovereenkomst tussen hem en Q-Park tot stand is gekomen. 4.4. Omdat Q-Park stelt dat de auto op naam van [gedaagde] staat en hij daarom verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat met de auto gebeurt, rust op Q-Park de bewijslast van de tenaamstelling (artikel 150 Rv). Q-Park heeft die stelling echter niet kunnen onderbouwen. Bij conclusie van repliek overlegt zij namelijk een RDW-registratie waaruit volgt dat het voertuig met het kenteken [X] op naam staat van “ [bedrijfsnaam] t.a.v. [3 letters] ”. De auto stond dus niet op naam van [gedaagde] of zijn onderneming. Q-Park heeft ook niet uitgelegd hoe “ [3 letters] ” aan [gedaagde] is te koppelen. Uit die drie letters kan de kantonrechter in ieder geval, zonder nadere onderbouwing, helemaal niets halen wat lijkt op de naam van [gedaagde] of zijn onderneming. Het enkele feit dat het adres dat gekoppeld is aan de tenaamstelling overeenkomt met het adres waar [gedaagde] ongeveer tien jaar geleden een onderneming exploiteerde, is eveneens geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de auto op naam van [gedaagde] staat. Enerzijds is de onderneming van [gedaagde] al bijna tien jaar geleden uitgeschreven van dat adres. Anderzijds is het bij de RDW geregistreerde adres het adres van het NAVO hoofdkwartier, waar zoals [gedaagde] ook heeft aangevoerd meer bedrijven zijn of waren gehuisvest. De conclusie is daarom dat dat Q-Park er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de auto op naam van [gedaagde] stond. 4.5. Zowel de primaire grondslag (nakoming van een overeenkomst) als de subsidiaire grondslag (onrechtmatige daad) zijn gebaseerd op het standpunt dat de auto op naam van [gedaagde] stond. Nu dat niet is komen vast te staan, slagen beide grondslagen niet en worden de vorderingen van Q-Park afgewezen.
[gedaagde] hoeft niets te betalen 4.6. Omdat de kantonrechter de door Q-Park gevorderde hoofdsom afwijst, bestaat er geen aanleiding voor toewijzing van de daaraan gekoppelde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Ook die vorderingen worden daarom afgewezen. 4.7. Q-Park krijgt ongelijk en moet daarom proceskosten betalen. Deze worden begroot op nihil, omdat [gedaagde] zonder gemachtigde procedeert en geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. 4.8. De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt afgewezen, omdat de vordering van Q-Park wordt afgewezen. 5De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van Q-Park af, 5.2. veroordeelt Q-Park in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. T. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025. JvB