Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBGEL:2026:5134

Incidenten. Afwijzing (voorwaardelijke) vorderingen tot voorlopige voorziening (artikel 223 Rv). Geen van de partijen heeft een zodanig belang bij hun vordering dat van hen niet kan worden gevergd dat de afloop van de bodemzaak wordt afgewacht.

Rechtbank Gelderland 3 juli 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2026:5134 text/xml public 2026-07-03T09:54:17 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-06-24 C/05/465702 / HA ZA 26-161 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5134 text/html public 2026-06-30T17:24:11 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:5134 Rechtbank Gelderland , 24-06-2026 / C/05/465702 / HA ZA 26-161
Incidenten. Afwijzing (voorwaardelijke) vorderingen tot voorlopige voorziening (artikel 223 Rv). Geen van de partijen heeft een zodanig belang bij hun vordering dat van hen niet kan worden gevergd dat de afloop van de bodemzaak wordt afgewacht.
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/465702 / HA ZA 26-161

Vonnis in incidenten van 24 juni 2026

in de zaak van

[naam eiser in conventie in de hoofdzaak] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,

eisende partij in het door haar opgeworpen incident,

verwerende partij in het door [de gedaagde] opgeworpen incident,

procederend met een toevoeging (2HC7917),

hierna te noemen: [de eiser] ,

advocaat: mr. M.M.P. Gerrits,

tegen

[naam gedaagde in conventie in de hoofdzaak] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in het door [de eiser] opgeworpen incident,

eisende partij in het door hem opgeworpen incident,

hierna te noemen: [de gedaagde] ,

advocaat: mr. J.A.N. Lap.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met een vordering in incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident, tevens inhoudende een vordering in reconventie en een voorwaardelijke vordering in incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

- de akte niet-dienen verleend aan [de eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.
<nr>2</nr>Het geschil 2.1.
Vanaf mei 2021 hebben [de eiser] en [de gedaagde] een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 13 januari 2024 hebben zij samen een ‘koopstart nieuwbouw’ woning gekocht aan de [adres] in [woonplaats] . In november 2025 zijn zij uit elkaar gegaan. Geen van partijen heeft de woning betrokken.

in de hoofdzaak
2.2.
[de eiser] vordert - samengevat - dat de woning wordt getaxeerd, waarna zij binnen drie maanden vanaf de datum van het taxatierapport het eerste recht heeft om te onderzoeken of zij financieel in staat is om de woning in volledige eigendom toebedeeld te krijgen en wanneer zij daartoe niet in staat blijkt te zijn dat [de gedaagde] dan het tweede recht krijgt om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen.
2.3.
Volgens [de eiser] moet aan haar het eerste recht worden toegekend, omdat zij minder kapitaalkrachtig is dan [de gedaagde] . Hij heeft volgens haar de mogelijkheid een duurdere woning te kopen. Daarnaast stelt [de eiser] dat zij dichtbij de woning werkt en ook haar gehele netwerk in de buurt van de woning woont.
2.4.
[de gedaagde] concludeert dat de vordering van [de eiser] moet worden afgewezen. Hij vordert in reconventie - samengevat - primair dat hij het eerste recht krijgt om te onderzoeken of hij de woning kan financieren en dat wanneer hij daartoe niet in staat is, [de eiser] de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of zij de woning kan overnemen, subsidiair dat beide partijen binnen twee weken na het taxatierapport een bod mogen doen in een gesloten envelop, waarna de partij met het hoogste bod drie maanden de tijd krijgt om voor financiering te zorgen.
2.5.
[de gedaagde] betwist dat hij kapitaalkrachtiger is dan [de eiser] . Ten tijde van de koop van de woning verdiende [de eiser] meer dan hij en dat is nog steeds zo. Dit blijkt uit stukken van de hypotheekadviseur, aldus [de gedaagde] . Volgens [de gedaagde] is hij op dit moment dan ook niet in staat een andere woning te kopen. Daarnaast stelt [de gedaagde] dat hij dichter bij de woning werkt dan [de eiser] . Hij werkt namelijk in [woonplaats] en [de eiser] in Druten. Ook woont hij sinds zijn geboorte in [buurtnaam] en wilde [de eiser] ten tijde van de koop eigenlijk in [buurtnaam 2] wonen, dichter bij haar ouders, aldus [de gedaagde] . Verder wilde [de eiser] volgens [de gedaagde] in eerste instantie de woning samen verkopen en wenste zij pas later de woning toebedeeld te krijgen. Ten slotte stelt [de gedaagde] meer tijd en geld in de woning te hebben gestoken dan [de eiser] . Hij heeft met zijn familie meer dan twee weken in de woning geklust, € 45.241,49 aan eigen geld ingebracht en gezorgd voor een internetabonnement. Daarnaast heeft hij verlichting met tijdschakelaar en camerabewaking geïnstalleerd en de voortuin onderhouden, zodat de woning bewoond lijkt. Volgens [de gedaagde] heeft [de eiser] geen bijdrage geleverd aan deze werkzaamheden.

in de incidenten
2.6.
[de eiser] vordert bij wijze van voorlopige voorziening dat de rechtbank bepaalt dat zij in afwachting van de definitieve uitspraak van de rechtbank dan wel in afwachting van de feitelijke en juridische verdeling van de woning op grond van artikel 223 Rv met uitsluiting van [de gedaagde] gerechtigd is tot het gebruik en genot van de woning met dien verstande dat [de gedaagde] , voor zover nodig, de woning dient te verlaten en niet meer mag betreden.
2.7.
Aan haar vordering in het incident legt [de eiser] het volgende ten grondslag. Zij stelt dat zij haar zinnen op de woning had gezet, maar [de gedaagde] de relatie uiteindelijk heeft beëindigd. Zij wenst de woning in ieder geval tijdelijk te kunnen gebruiken. Daar komt volgens [de eiser] bij dat telkens als zij in de woning is, [de gedaagde] en zijn familie binnen de kortste keren op de stoep staan en er fikse woordenwisselingen volgen. Daarnaast heeft [de gedaagde] een camera in de woning opgehangen die volgens [de eiser] inbreuk maakt op haar privacyrecht. Ten slotte heeft [de gedaagde] nog geen aanstalten gemaakt om de woning te betrekken.
2.8.
[de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering van [de eiser] , omdat voor de behandeling hiervan in deze procedure volgens hem geen ruimte is. Het betrekken van de woning is immers niet van tijdelijke aard, aangezien de woning voor bewoning volledig ingericht moet worden, aldus [de gedaagde] . Daarbij verwacht hij dat er binnen drie maanden na dit vonnis in incident een vonnis in de hoofdzaak is gewezen. In dat geval zou een partij voor slechts drie maanden verhuizen, terwijl het niet zeker is of aan die partij de woning wordt toebedeeld. [de gedaagde] ziet de incidentele vordering van [de eiser] daarom als een poging om binnenkort te kunnen zeggen dat zij al in de woning zit en er daarom niet meer moet worden uitgezet. Volgens hem zijn er geen redenen om op korte termijn in de woning te trekken. Sinds oktober 2025 is de woning namelijk beschikbaar en sindsdien is er tussen partijen niet gesproken over het tijdelijk gaan bewonen ervan.
2.9.
Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wel ruimte is voor de incidentele vordering van [de eiser] , dan vordert [de gedaagde] bij wijze van een voorwaardelijke incidentele vordering dat hij in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak dan wel in afwachting van de feitelijke verdeling van de woning op grond van artikel 223 Rv met uitsluiting van [de eiser] gerechtigd is tot het gebruik en genot van de woning met dien verstande dat [de eiser] , voor zover nodig, de woning dient te verlaten en niet meer mag betreden. [de gedaagde] stelt dat hij het meeste aan de woning heeft gedaan en dat hij zo snel mogelijk de woning wil betrekken.
<nr>3</nr>De beoordeling
in de incidenten
3.1.
De rechtbank volgt [de gedaagde] niet in zijn standpunt dat er in deze procedure geen ruimte bestaat voor beoordeling van de door [de eiser] ingestelde incidentele vordering. Het betrekken van een woning kan namelijk - anders dan [de gedaagde] betoogt - van tijdelijke aard zijn. Dat een woning hiervoor moet worden ingericht, maakt dit niet anders.
3.2.
De rechtbank zal de vorderingen van [de eiser] en [de gedaagde] daarom hierna beoordelen.
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat een voorwaarde voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 223 Rv is dat de eiser een zodanig belang bij de vordering heeft dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.
3.4.
De vraag die voorligt is of een van beide partijen voldoende en meer belang heeft dan de andere partij om de woning in afwachting van de uitkomst van de hoofdzaak, met uitsluiting van de andere partij, te betrekken.
3.5.
De stelling dat [de eiser] haar zinnen op de woning had gezet, maar hier nu niet in kan wonen vanwege de beëindiging van de relatie door [de gedaagde] , betekent niet dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht. Ten aanzien van de stelling dat [de gedaagde] (en zijn familie) [de eiser] opzoekt als zij in de woning is, kan dit eveneens niet gezegd worden. Immers woont [de eiser] op dit moment op een ander adres in [woonplaats] en zij heeft niet gesteld dat zij op dat adres niet kan (blijven) wonen. Ook uitgaande van haar andere stellingen, kan de rechtbank niet oordelen dat zij een zodanig belang heeft dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht.
3.6.
De stelling van [de gedaagde] dat hij meer aan de woning zou hebben geklust dan [de eiser] , betekent niet dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Ook uitgaande van zijn andere stellingen, kan de rechtbank niet oordelen dat hij een zodanig belang heeft dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.
3.7.
Nu niet gesteld of gebleken is dat er een noodzaak bestaat voor een van de partijen om de woning op korte termijn te kunnen betrekken en evenmin is gebleken van een belang van een van partijen dat zwaarder weegt dat het belang van de ander, zullen de incidentele vorderingen van zowel [de eiser] als [de gedaagde] worden afgewezen.
3.8.
Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil daaruit voortvloeit, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de hoofdzaak
3.9.
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
3.10.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
3.11.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.
3.12.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
3.13.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
<nr>4</nr>De beslissing
De rechtbank

in het incident opgeworpen door [de eiser]
4.1.
wijst de vordering van [de eiser] af,
4.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in het incident opgeworpen door [de gedaagde]
4.3.
wijst de vordering van [de gedaagde] af,
4.4.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak
4.5.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
4.6.
bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,
4.7.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van [datum] 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november en december 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
4.8.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgaven de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
4.9.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
4.10.
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 120 minuten zal worden uitgetrokken,
4.11.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

2075

Artikel delen