Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBGEL:2026:4331

Kort geding. Slachtoffers in zedenzaak eisen inzage en verbod op publicatie van door zus en medeslachtoffer geschreven boek. Botsing grondrechten eerbiediging persoonlijke levenssfeer en vrijheid van meningsuiting. Onvoldoende aannemelijk dat publicatie jegens de zussen onrechtmatig zal zijn. Vorderingen worden afgewezen.

Rechtbank Gelderland 1 juni 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 text/xml public 2026-06-01T16:00:31 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-06-01 C/05/467398 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 text/html public 2026-06-01T14:03:41 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 Rechtbank Gelderland , 01-06-2026 / C/05/467398
Kort geding. Slachtoffers in zedenzaak eisen inzage en verbod op publicatie van door zus en medeslachtoffer geschreven boek. Botsing grondrechten eerbiediging persoonlijke levenssfeer en vrijheid van meningsuiting. Onvoldoende aannemelijk dat publicatie jegens de zussen onrechtmatig zal zijn. Vorderingen worden afgewezen.
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/467398 / KG ZA 26-207

Vonnis in kort geding van 1 juni 2026

in de zaak van
<nr>1</nr> [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. X.B. Sijmons te Amersfoort,

2. [vertegenwoordiger 1] ,

3. [vertegenwoordiger 2] ,

in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige

[eiser 2] ,

beide wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. X.B. Sijmons,

4. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J. Visscher,

eisende partijen,

hierna gezamenlijk te noemen ‘de zussen’ en afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ,

tegen
<nr>1</nr> [gedaagde 1] , handelend onder de naam ‘ [gedaagd bedrijf] ’,
gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] , 3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna gezamenlijk te noemen [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,

advocaten: mr. L. Oostinga en mr. E.A.B. Apeldoorn.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15;

- de nagezonden producties 16 tot en met 18 van de zussen;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7;

- de akte wijziging van eis;

- de mondelinge behandeling van 29 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de spreekaantekeningen aan de zijde van de zussen;- de spreekaantekeningen aan de zijde van [gedaagden]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] en [gedaagde 3] zijn zussen van elkaar. Zij zijn opgegroeid in [plaats] bij hun biologische ouders (hierna: de ouders, respectievelijk vader en moeder). Zij zijn allen als slachtoffer betrokken in een ernstige zedenzaak, de zogeheten ‘ [naam] ’.
2.2.
De vader is in deze zaak op [datum] door de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem , ter zake van seksueel misbruik en mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaren. De moeder is bij vonnis van gelijke datum en door dezelfde rechtbank veroordeeld ter zake van mishandeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden. In beide zaken is hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep moet nog worden behandeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Er is nog geen zittingsdatum bekend.
2.3.
De zussen en [gedaagde 3] zijn in de strafzaak van de ouders meermaals als getuige gehoord en hebben intensieve behandelingen ondergaan in de vorm van (onder meer) traumatherapie. Zij ondervinden nog dagelijks de gevolgen van hetgeen hun in de thuissituatie is aangedaan.
2.4.
Een eerdere publicatie van een artikel in [publicatie] , waarbij [gedaagde 3] is geïnterviewd door [gedaagde 2] als journalist, heeft geleid tot verzoeken vanuit de verdediging van de ouders om de zussen en [gedaagde 3] opnieuw te horen als getuigen. Zover is het niet gekomen omdat de verzoeken door de strafkamer van de rechtbank zijn afgewezen.
2.5.
[gedaagde 3] heeft haar levensverhaal opgetekend in een nog te publiceren boek. [gedaagde 2] is de coauteur en [gedaagde 1] is de uitgever van dit boek. De datum van publicatie is vastgesteld op [publicatie datum] .
2.6.
[gedaagde 1] heeft de advocaten van de zussen op 11 mei 2026 geïnformeerd dat [gedaagde 3] onder pseudoniem samen met [gedaagde 2] een boek zal uitbrengen over haar leven en ervaringen, getiteld: “ [titel] ” (hierna: het boek). Zij heeft laten weten dat de in het boek gebruikte namen gefingeerd zijn. Enkele fragmenten van het boek zijn desgevraagd aan de advocaten van de zussen beschikbaar gesteld.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
De zussen vorderen na wijziging van eis, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagden] , in ieder geval [gedaagde 1] , beveelt om aan de zussen binnen vier dagen na dit vonnis, althans ten minste één week vóór [publicatie datum] , het volledige manuscript van het boek ter inzage te verstrekken, althans in ieder geval alle passages die betrekking hebben op het gezin dan wel de jeugd van de zussen en [gedaagde 3] , en/of de strafzaak tegen de ouders, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor ieder(e) dag(deel) dat [gedaagden] in gebreke blijven hieraan te voldoen, tot een maximum van € 100.000,00;

II. indien en voor zover [gedaagden] (delen van) het boek of vooraankondigingen daarvan voorafgaand aan de mondelinge behandeling in dit kort geding zonder toestemming van de zussen openbaar hebben gemaakt, [gedaagden] beveelt om de verkoop en verspreiding van (vooraankondigingen van) het boek in woord, geschrift, luisterboek, althans via welk (social) medium dan ook, met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden totdat vierweken zijn verstreken na het moment waarop zij aan de zussen de volledige inzage hebben verstrekt als bedoeld in de vordering onder I, zulks teneinde hen in de gelegenheid te stellen de rechtmatigheid van de publicatie en de risico’s voor de lopende strafprocedures te beoordelen, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 voor ieder(e) dag(deel) dat [gedaagden] in gebreke blijven daaraan te voldoen, tot een maximum van € 500.000,00;

III. [gedaagden] verbiedt het boek te publiceren of anderszins openbaar te maken zolang de strafzaak in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen de ouders nog niet onherroepelijk is afgedaan, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor ieder(e) dag(deel) dat [gedaagden] in gebreke blijven daaraan te voldoen, tot een maximum van € 100.000,00;

IV. [gedaagden] veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis.
3.2.
De zussen stellen dat publicatie van het boek mogelijk inbreuk maakt op hun persoonlijke levenssfeer en/of privacy in de zin van artikel 8 EVRM en daarom jegens hen onrechtmatig is. Daarnaast vrezen zij dat publicatie van het boek zal leiden tot nieuwe verzoeken van de verdediging van de ouders tot het horen van de zussen als getuige in de strafzaak in hoger beroep. Eerdere verhoren zijn traumatisch verlopen en hebben geleid tot psychische schade bij de zussen. Zij wensen herhaald slachtofferschap te voorkomen. Om zich een oordeel te kunnen vormen omtrent het risico daarop, moeten zij inzage krijgen en moet [gedaagden] worden verboden het boek hangende de strafzaak in hoger beroep te publiceren, dan wel te publiceren binnen vier weken na de dag waarop de zussen inzage krijgen, aldus de zussen. Ter zitting hebben hun advocaten toegelicht dat de vorderingen II. en III. in omgekeerde volgorde moeten worden gelezen en behandeld.
3.3.
[gedaagden] voeren aan dat hun recht op vrijheid van meningsuiting in deze zaak boven het recht op bescherming van de privacy en persoonlijke levenssfeer van de zussen dient te prevaleren. Volgens hen is er geen sprake van onrechtmatige publicatie, is daar ook geen enkele aanwijzing voor en bestaat er daarom geen grond om vooraf in te grijpen en de zussen het recht op inzage te geven. Het boek betreft het levensverhaal van [gedaagde 3] en stelt een onderwerp van publiek belang aan de kaak. Het is met inachtneming van de belangen van betrokkenen, dus ook van de zussen, tot stand gekomen. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de zussen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de (na)kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling in deze zaak is het verzoek van de zussen ex artikel 27 Rv achter gesloten deuren behandeld. De voorzieningenrechter heeft vervolgens na beraadslaging het verzoek afgewezen, behoudens voor zover het de eventuele bespreking van de persoonlijke omstandigheden van de minderjarige [eiser 2] betreft. De mondelinge behandeling heeft voor het overige in het openbaar plaatsgevonden.
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de zussen bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Dat is, gelet op de aard van de vordering, naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. [gedaagden] hebben dat overigens ook niet betwist.
4.3.
De vraag die centraal staat is of [gedaagden] kan worden verplicht om de zussen inzage te geven in het boek en de publicatie daarvan op te schorten. Het gaat in dit kort geding om een botsing van fundamentele rechten. Aan de ene kant is dat het recht van de zussen op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer of privacy zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. Tegenover dit recht staat het recht op vrijheid van meningsuiting in de zin van artikel 10 lid 1 EVRM, waaronder de vrijheid van [gedaagde 3] om haar levensverhaal op te schrijven en zich te kunnen uitlaten over het thema misbruik en haar ervaringen met jeugdzorg en hulpverlening en de vrijheid van [gedaagde 2] als journalist en de uitgever om aan de publicatie hun medewerking te verlenen. Bij een botsing tussen deze rechten moet, om te bepalen welk recht zwaarder weegt, een belangenafweging worden gemaakt, waarbij alle van belang zijnde feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Die belangenafweging moet in één keer gebeuren, waarbij het oordeel dat één van beide rechten zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidtoets van artikel 10 lid 2 EVRM dan wel artikel 8 lid 2 EVRM.
4.4.
Vast staat dat het boek door [gedaagden] tot nog toe niet is gepubliceerd en dat (delen van) de inhoud ervan ook nog niet (via sociale media of anderszins) met het publiek is/zijn gedeeld. De vordering onder I. strekt tot inzage in het volledige boek c.q. manuscript vóór publicatie daarvan. Gelet op het bepaalde in artikel 7 van de Grondwet, dat gaat over de vrijheid van meningsuiting, dient de toetsing van de eventuele onrechtmatigheid van een publicatie in beginsel pas plaats te vinden nádat deze ter kennis van het publiek is gebracht. Een voorafgaande inzage is in wezen een vordering tot preventieve censuur en dit staat op gespannen voet met artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Alleen als voldoende bekend is over de voorgenomen publicatie om de onrechtmatigheid hiervan te kunnen vaststellen, kán uit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming een verbod/gebod vooraf worden uitgesproken. Daarvoor is, zoals ook volgt uit het Mosley-arrest van het EHRM, slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden plaats. Van dergelijk preventief ingrijpen kan slechts sprake zijn indien de publicatie voor de betrokkene(n) tot onherstelbare schade zal leiden en, in het geval de publicatie pas achteraf onrechtmatig zou worden geacht, de nadelige gevolgen van de openbaarmaking niet meer kunnen worden hersteld door middel van een op dat moment uit te spreken veroordeling.
4.5.
Voorop staat dat de zussen, gelet op het hierboven genoemde kader, niet in algemene zin aanspraak kunnen maken op inzage in (delen van) het boek van [gedaagde 3] vóór publicatie met als enkele reden dat er personages in dat boek op hen zijn gebaseerd. Het (enkel) gebruikmaken van (herleidbare) personages die gebaseerd zijn op personen uit het leven van de auteur is, volgens vaste rechtspraak, nog niet per definitie onrechtmatig jegens die personen. De vraag is of om een andere reden (passages uit) het nog te publiceren boek onrechtmatig is jegens de zussen, bijvoorbeeld omdat daarin zeer privacygevoelige informatie of strafrechtelijk relevante details over de zussen worden prijsgegeven, of omdat de (inhoud van) het boek zal leiden tot nieuwe verzoeken om de zussen als getuige te horen in de strafzaken in hoger beroep dan wel onderwerp van die vraagstelling zal zijn, wat voor hen een zodanige psychische belasting zal betekenen dat dit feit ook onrechtmatigheid oplevert, zoals de zussen betogen.
4.6.
Zoals in r.o. 4.4 is genoemd moet, om te kunnen vaststellen of het aannemelijk is dat publicatie van het boek onrechtmatig is jegens de zussen, er voldoende bekend zijn over de inhoud van de publicatie. Dat is hier niet het geval. Het boek bevat 288 pagina’s en de volledige inhoud daarvan is in deze procedure niet bekend. Enkel de fragmenten die eerder aan de zussen ter beschikking zijn gesteld zijn bekend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat de publicatie jegens de zussen onrechtmatig is. Ook de overig aangevoerde gronden leiden er niet toe dat in dit kort geding aannemelijk is geworden dat van een onrechtmatige publicatie sprake is. De voorzieningenrechter zal dat hierna toelichten.
4.7.
[gedaagden] hebben verklaard dat het boek de persoonlijke beleving van [gedaagde 3] betreft van haar jeugd, haar ervaringen met jeugdzorg en hulpverlening en de strafzaak tegen de ouders. [gedaagde 2] heeft (delen van) die belevingen journalistieke duiding gegeven. [gedaagden] hebben toegelicht dat in het boek slechts in algemene zin uitlatingen over de zussen voorkomen, waarbij hun namen zijn gefingeerd en enkel geboortejaren worden genoemd, die in de gepubliceerde strafzaak reeds zijn geopenbaard. Zo beschrijft [gedaagde 3] dat ze broers en zussen heeft en met een zus op zolder slaapt, dat ze met een zus melding maakt van het misbruik bij het AMK en hoe het was om de zussen weer te zien bij de behandeling van de strafzaak. Ten aanzien van het misbruik komt in het boek enkel in algemene zin naar voren dat [gedaagde 3] weet dat haar zussen ook worden misbruikt en hoe zij zich daarover voelt. Verder wordt over het misbruik van de zussen niets geschreven, en wordt ook anderszins geen gevoelige of strafrechtelijk relevante informatie over de zussen gedeeld, aldus [gedaagden] Zij hebben uitvoerig betwist dat ten aanzien van de zussen zaken in het boek worden beschreven die niet (geheel) stroken met de vonnissen in de strafzaken van de ouders. Ter illustratie van al het voorgaande hebben [gedaagden] verschillende fragmenten uit het boek gedeeld met de (advocaten van) de zussen en als productie in het geding gebracht.
4.8.
De voorzieningenrechter overweegt dat de zussen daartegen onvoldoende hebben ingebracht waaruit kan worden afgeleid dat sprake zal zijn van een disproportionele schending van hun privacy. De reeds voorafgaand aan deze kortgedingprocedure met de zussen gedeelde fragmenten uit het boek geven daar in ieder geval geen aanwijzingen voor, ook niet ter zake van een specifiek door de advocaten van de zussen aangehaald voorbeeld. Voor zover de inhoud van het boek al voor het bredere publiek zou zijn te herleiden naar de zussen, moet worden meegewogen dat in de gepubliceerde vonnissen in de strafzaken van de ouders zeer gedetailleerde en privacygevoelige informatie over de zussen en [gedaagde 3] naar voren is gekomen en de zaak ook in de media veel aandacht heeft gekregen. De vrees van de zussen dat zij, ondanks het gebruik van pseudoniemen, met de personages in het boek in verband zullen worden gebracht en dat met publicatie van het boek alle gebeurtenissen opnieuw worden opgerakeld, is zonder meer voorstelbaar. Maar op basis van wat nu bekend is over de inhoud van het boek kan in dit kort geding niet worden vastgesteld dat publicatie jegens de zussen onrechtmatig is en tot onherstelbare schade zal leiden, zodat dit geen grond oplevert om de vordering tot inzage en/of uitstel van publicatie toe te wijzen. De omstandigheid dat eiseres [eiser 2] ten tijde van dit vonnis nog (net) minderjarig is, kan het voorgaande niet anders maken. Dit levert, zonder nadere toelichting, geen bijzondere omstandigheid op in de hiervoor bedoelde zin.
4.9.
Ook de mogelijkheid dat publicatie van het boek leidt tot nieuwe verzoeken om de zussen als getuige te horen in de strafzaken in hoger beroep kan er niet toe leiden dat de publicatie naar verwachting als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd. Ter zitting is gebleken dat er al verzoeken tot het opnieuw horen van de zussen (inclusief [gedaagde 3] ) door de verdediging van de ouders zijn of zullen worden gedaan. Dat dit veel impact zal hebben op de zussen begrijpt de voorzieningenrechter, maar niet is gebleken dat juist de inhoud van het boek doorslaggevend zal zijn voor het indienen van dergelijke verzoeken en de toewijzing daarvan door het gerechtshof. Het risico daarop lijkt beperkt nu uit het beschikbaar gestelde voorwoord van het boek blijkt dat het gaat om het verhaal van [gedaagde 3] , dat niet beoogt tot in detail waarheidsgetrouw te zijn, maar vooral tot doel heeft inzicht te geven in de gevaren van gesloten geloofsgemeenschappen en de soms falende hulpverlening en mensen die in vergelijkbare omstandigheden opgroeien tot steun te zijn. Ook de omstandigheid dat er (enig) risico is dat de zussen specifiek naar aanleiding van (publicatie van) het boek zullen worden bevraagd, is, hoe vervelend en mentaal belastend ook, onvoldoende om nu te oordelen dat het aannemelijk is dat de publicatie om die reden jegens de zussen (naar verwachting) onrechtmatig is. Deze omstandigheid is niet zwaarwegend genoeg om de vergaande inbreuk op het recht van vrijheid van meningsuiting van [gedaagden] te rechtvaardigen.
4.10.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er dus geen sprake van de in r.o. 4.4 genoemde zeer uitzonderlijke omstandigheden die vereist zijn voor het vooraf ingrijpen bij een voorgenomen publicatie. Dat betekent dat de vorderingen tot inzage, en daarmee ook de vorderingen tot staking van de verspreiding van vooraankondigingen en opschorting van de publicatie, moeten worden afgewezen. De gevorderde dwangsommen worden daarmee ook afgewezen.
4.11.
De zussen zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht



341,00

- salaris advocaat



1.177,00

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.707,00
4.12.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van de zussen af,
5.2.
veroordeelt de zussen hoofdelijk in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de zussen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.

498

Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens 10 mei 2011, EHRC 2011/108.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8420.

Dat voorbeeld wordt hier om privacyredenen van alle betrokken zussen (ook [gedaagde 3] ) niet geduid nu het voor partijen en hun advocaten wel duidelijk is waarop wordt gedoeld.

Artikel delen