Proceskosten toegewezen, tegemoetkoming door verweerder.
Rechtbank Gelderland 1 juni 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:4230
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-05-2026
Datum publicatie
01-06-2026
Zaaknummer
AWB-26_1629
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBGEL:2026:4230text/xmlpublic2026-06-01T17:00:082026-05-27Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-05-27AWB-26_1629UitspraakVoorlopige voorzieningNLBestuursrecht; BestuursprocesrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4230text/htmlpublic2026-06-01T10:13:302026-06-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:4230 Rechtbank Gelderland , 27-05-2026 / AWB-26_1629 Proceskosten toegewezen, tegemoetkoming door verweerder.
RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 26/1629
uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats 1], verzoekster (gemachtigde: mr. L.A. Fischer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe (gemachtigde: S. van Oeveren). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college om haar opvang te bieden aan de [locatie] in [plaats 1]. Verzoekster heeft hier bezwaar tegen gemaakt. 1.1. Zij heeft het verzoek ingetrokken omdat het college verzoekster op 15 april 2026 een kamer in de opvanglocatie in [plaats 2] heeft aangeboden. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om een veroordeling in de proceskosten. Het college heeft niet gereageerd. 1.3. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de voorzieningenrechter Is de voorzieningenrechter bevoegd?
2. De voorzieningenrechter is op grond van artikel 8:81 van de Awb bevoegd te beslissen op een verzoek, als de bestuursrechter bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak. 2.1. Verzoekster heeft op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet bezwaar gemaakt tegen de feitelijke handeling van het overplaatsen naar de opvanglocatie in [plaats 1] op 20 februari 2026. Op de zitting heeft verzoekster aangegeven dat het bezwaar mede gericht is tegen het besluit van 24 december 2025, indien de overplaatsing geen feitelijke handeling is waartegen bezwaar kan worden gemaakt. 2.2. Omdat het bezwaar van verzoekster ook gericht is tegen het besluit van 24 december 2025 is de bestuursrechter van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland bevoegd in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter is daarom bevoegd te beslissen op het verzoek. 3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen. Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
4. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. 4.1. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
5. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift de voorzieningenrechter gevraagd om een voorziening te treffen, inhoudende dat aan verzoekster en haar dochter medisch passende (alternatieve) opvang wordt geboden, totdat op het bezwaar is beslist. Het college heeft op 15 april 2026 aan verzoekster aangeboden om haar, samen met haar dochter, opvang te bieden op een locatie in [plaats 2] waar zij beschikking zullen krijgen over een tweepersoonskamer. Hiermee heeft het college een maatregel genomen die de strekking van het verzoek om een voorlopige voorziening dekt en is dus tegemoet gekomen aan verzoekster. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft de kosten voor het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs moeten maken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. De voorzieningenrechter is niet gebleken van een bijzondere omstandigheid. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe. Welke kosten dient het college te vergoeden?
6. De voorzieningenrechter stelt de vergoeding voor de proceskosten als volgt vast. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend (1 punt), is verschenen op de zitting van 9 april 2026 (1 punt) en woonde het onderzoek ter plaatse bij in [plaats 1] op 15 april 2026 (0,5 punt). Bij een waarde van € 934 per punt bij wegingsfactor 1 bedraagt de door het college te betalen vergoeding in totaal € 2.335. De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200 aan verzoeker vergoedt. Conclusie en gevolgen 7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Beslissing De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan verzoekster; bepaalt dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200 aan verzoekster vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier. Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263. Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.