Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBGEL:2026:3673

Het beroep van eiser tegen de weigering van een WAO-uitkering is ongegrond. Er is geen sprake van een novum. Ook is geen sprake van duuraanspraak.

Rechtbank Gelderland 13 mei 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2026:3673 text/xml public 2026-05-13T17:00:28 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-08 AWB-25_1463 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zutphen Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3673 text/html public 2026-05-12T13:59:23 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3673 Rechtbank Gelderland , 08-05-2026 / AWB-25_1463
Het beroep van eiser tegen de weigering van een WAO-uitkering is ongegrond. Er is geen sprake van een novum. Ook is geen sprake van duuraanspraak.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/1463
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats], eiser
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: J. van Dalfsen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de weigering van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Eiser is het niet eens met deze weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de WAO-uitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 19 oktober 2023 heeft eiser een formulier ‘opnieuw WAO aanvragen binnen vijf jaar na stopzetten van de WAO-uitkering’ ingediend. Met het besluit van 15 juli 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiser voor een WAO-uitkering afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, vergezeld door zijn partner en ambulant begeleider, en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek tijdens de zitting geschorst.
2.4.
Naar aanleiding van de schorsing van het onderzoek heeft eiser op 5 december 2025 aanvullende stukken uit zijn arbeidsongeschiktheidsdossier toegestuurd.
2.5.
In reactie hierop heeft het UWV bij brief van 30 december 2025 een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) toegestuurd.
2.6.
Bij brief van 14 januari 2026 heeft eiser hierop gereageerd.
2.7.
Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht nogmaals ter zitting te worden gehoord, binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van dit recht. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft een WAO-uitkering ontvangen van 13 september 1999 tot en met 29 juli 2001, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Eiser werd destijds arbeidsongeschikt bevonden vanwege overspannenheid (chronisch surmenage syndroom).
3.1.
Eiser is per 10 juni 2002 in dienst getreden bij [naam bedrijf] ([naam bedrijf]) voor gemiddeld 40 uur per week. Hij heeft zich op 14 juli 2003 ziekgemeld voor dit werk. Per 29 september 2003 heeft hij zich weer hersteld gemeld. Per 1 oktober 2023 volgde ontslag bij [naam bedrijf]. Aansluitend ontving eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet tot 3 mei 2005. Vanaf 3 mei 2005 ontvangt eiser bijstand op grond van de Participatiewet.
3.2.
Op 12 oktober 2011 heeft eiser een aanvraag tot herziening van zijn WAO-uitkering ingediend, in verband met een toename van zijn medische klachten binnen vijf jaar na de intrekking van zijn WAO-uitkering (Wet Amber). Met het besluit van

25 januari 2012 is besloten dat eiser geen recht heeft op een WAO-uitkering. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat eiser niet binnen vijf jaar na beëindiging van de WAO-uitkering ziek is geworden door dezelfde ziekteoorzaak en verder dat eiser, na zijn ziekmelding van

14 juli 2003, ook niet de wachttijd van 52 weken heeft volgemaakt. Eiser is door de arts per 29 september 2003 arbeidsgeschikt bevonden en hij heeft zich per die datum ook weer hersteld gemeld. Na deze periode van arbeidsongeschiktheid zijn er geen nieuwe ziekmeldingen meer bekend bij het UWV, waardoor er geen aanwijzingen zijn dat eiser zich op grond van medische redenen niet ziek had kunnen melden, of dat hij zich ten onrechte hersteld had gemeld. Met het besluit van 5 juli 2012 op het bezwaar van eiser, is het UWV bij het besluit van 25 januari 2012 gebleven. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank Oost-Nederland heeft met de uitspraak van 20 februari 2013 het beroep van eiser ongegrond verklaard. Het besluit van 25 januari 2012 staat hiermee in rechte vast.
3.3.
Op 19 oktober 2023 heeft eiser een formulier ‘opnieuw WAO aanvragen binnen vijf jaar na stopzetten van de WAO-uitkering’ ingediend. Het UWV heeft deze aanvraag aangemerkt als verzoek om terug te komen van het besluit van 25 januari 2012. Met het besluit van 15 juli 2024 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) die aanleiding geven van het besluit van 25 januari 2012 terug te komen.
3.4.
Op 23 augustus 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Het UWV is gebleven bij het standpunt dat geen sprake is van nova.

De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek

4. Eiser voert aan dat het (medisch) onderzoek door het UWV onzorgvuldig is geweest, omdat slechts dossieronderzoek heeft plaatsgevonden. Ook was de verzekeringsarts b&b volgens eiser niet bevoegd om een psychische beoordeling te maken omdat zij geen psycholoog of psychiater is.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest. In dit geval gaat het om een beoordeling of sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden ten opzichte van eerdere besluitvorming en de daaraan ten grondslag liggende medische beoordelingen. De verzekeringsartsen (b&b) hebben de dossiergegevens bestudeerd en kennisgenomen van de in bezwaar en beroep overgelegde (medische) informatie. Dat is afgezien van een spreekuur waarbij een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank in deze situatie niet onzorgvuldig, mede omdat het om een beoordeling gaat van de situatie in het verleden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsartsen relevante aspecten van de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist. Verder is de rechtbank van oordeel dat, anders dan eiser stelt, verzekeringsartsen van het UWV in beginsel de expertise hebben om aspecten van de psychische gesteldheid van een betrokkene te beoordelen. Daarbij is verder van belang dat de verzekeringsartsen (b&b) geen psychische diagnose hebben gesteld, maar hebben beoordeeld of de overgelegde (medische) informatie een novum bevat. Ook in het verleden is door verzekeringsartsen van het UVW/GAK geen psychische diagnose gesteld, zoals de verzekeringsarts b&b in haar rapport van 24 december 2025 heeft toegelicht. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft het UWV het herzieningsverzoek terecht afgewezen?

5. Eiser voert aan dat het UWV in het besluit van 25 januari 2012 is uitgegaan van een onjuist ziektebeeld. Eiser heeft als nieuw feit (novum) een brief overgelegd van het Radboud UMC van 16 oktober 2023. In deze brief staat als conclusie de diagnose ‘ernstig FNS/conversiestoornis’. Eiser ondervond echter al klachten hiervan in 2003. Bij de medische beoordeling die aan het besluit van 25 januari 2012 ten grondslag ligt, is het UWV echter uitgegaan van Acute Flacische Myelitis (AFM) en heeft het UWV beoordeeld dat sprake is van een andere ziekteoorzaak. Nu de diagnose FNS/conversiestoornis is gesteld, blijkt het besluit van 25 januari 2012 onjuist te zijn, omdat de klachten die eiser in de Amber-periode kreeg voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber) of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het bestuursorgaan daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het bestuursorgaan en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.

Toetsingskader: nieuwe feiten of veranderde omstandigheden

6. Het UWV heeft op het verzoek van eiser om terug te komen van het besluit van

25 januari 2012 beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven het besluit van 25 januari 2012 te herzien. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. De aanvrager is op grond van artikel 4:6 van de Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen.
6.1.
Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova/novum) is sprake als deze feiten of omstandigheden ná het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden en dus behoorden te worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd.

Is de diagnose FNS/conversiestoornis een novum?

7. Zoals de rechtbank in overweging 3.2. heeft vastgesteld, is met het besluit van

25 januari 2012 de aanvraag voor een WAO-uitkering afgewezen, omdat eiser niet binnen vijf jaar na beëindiging van de WAO-uitkering in 2001 ziek is geworden door dezelfde ziekteoorzaak. Verder is overwogen dat eiser na zijn ziekmelding van 14 juli 2003 ook niet de wachttijd van 52 weken heeft volgemaakt. Eiser is door de arts per 29 september 2003 arbeidsgeschikt bevonden en hij heeft zich per die datum ook weer hersteld gemeld, waardoor hij niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest door een andere ziekteoorzaak. Van nieuwe ziekmeldingen nadien is het UWV niet gebleken.

Om gelijk te krijgen moet eiser dus met nieuwe feiten of veranderde omstandigheden komen waaruit blijkt dat de motivering in het besluit van 25 januari 2012 onjuist was.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het gegeven dat in 2023 de diagnose FNS/conversiestoornis is vastgesteld, als zodanig niet is aan te merken als een novum gelet op het navolgende.
7.2.
Allereerst is van belang dat de verzekeringsarts b&b in haar rapport van

6 februari 2025 afdoende heeft gemotiveerd dat uit de brief van de neuroloog van het Radboud UMC blijkt dat eiser al sinds 2003 klachten heeft en dat het gegeven dat deze klachten uiteindelijk in 2023 tot de diagnose FNS/conversiestoornis hebben geleid, niet maakt dat sprake is van een novum. Verder is van belang dat de diagnose weliswaar nieuw is – uit de rapportage van SMAS van 1 oktober 2025 blijkt (antwoord op vraag 7b) dat de diagnose FNS/conversiestoornis vóór 2023 niet gesteld kon worden – maar dat de diagnose op zichzelf niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Zoals de rechtbank in de schorsingsbeslissing namelijk al heeft overwogen, is een diagnose op zichzelf namelijk geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Bovendien waren deze klachten er al en de rechtbank heeft in de uitspraak van 20 februari 2013 deze klachten ook betrokken.
7.3.
De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat hij stelt dat met de FNS/conversiestoornis duidelijk is geworden dat de lichamelijke klachten die hij vanaf 2003 ontwikkelde, voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak op grond waarvan hij in 1999-2001 de WAO-uitkering ontving. Aan de FNS/conversiestoornis liggen psychische problemen ten grondslag en die problemen had hij ook al toen hij de WAO-uitkering ontving. De motivering van het besluit van 25 januari 2012 dat geen sprake is van dezelfde ziekteoorzaak is dus onjuist, aldus eiser. Er is daarom sprake van een nieuw feit dan wel veranderde omstandigheid. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.
7.4.
Naar aanleiding van de schorsingsbeslissing heeft eiser op 5 december 2025 aanvullende stukken uit zijn arbeidsongeschiktheidsdossier aan de rechtbank toegestuurd. Deze stukken betreffen onder meer een rapportage van de verzekeringsarts van het GAK van 17 juni 1999. Uit deze rapportage volgt dat eiser zich op 14 september 1998 heeft ziekgemeld. Bij de beoordeling aan het einde van de wachttijd, heeft eiser op dat moment geen benutbare mogelijkheden voor arbeid. Als diagnose wordt genoemd een chronisch surmenage syndroom bij een man met een persoonlijkheidsstoornis. Het wankele evenwicht is na enkele incidenten in de directe omgeving verstoord. Er zijn op dat moment grote problemen ten aanzien van het functioneren op privé en sociaal gebied.

Op 18 april 2001 is eiser opnieuw gezien op het spreekuur. In de rapportage van die datum rapporteert de verzekeringsarts dat eiser belastbaar is, omdat sprake is van gewijzigde benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts schrijft dat eiser bekend is met overspanningsklachten door psychische problemen. Deze problematiek speelde voornamelijk doordat eisers partner destijds kampte met psychische problemen en suikerziekte. Eiser is ten tijde van het spreekuur gescheiden van zijn (ex-)partner en heeft een nieuwe relatie. Eiser ervaart geen psychische spanningen meer en hij wil weer aan het werk. De verzekeringsarts neemt objectief geen duidelijke psychopathologie waar. Hij acht eiser volledig arbeidsgeschikt. Eisers WAO-uitkering wordt daarom per 29 juli 2001 ingetrokken.
7.5.
Eiser heeft zich vervolgens op 14 juli 2003 ziekgemeld vanwege lichamelijke klachten (beenklachten). De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of uit de door eiser overlegde stukken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden blijken dat deze ziekmelding werd veroorzaakt door dezelfde ziekteoorzaak, als bedoeld in artikel 43a van de WAO, als waar hij eerder de WAO-uitkering voor heeft toegekend gekregen. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. Weliswaar blijken de beenklachten uit 2003 uiteindelijk in 2023 te zijn gediagnosticeerd als FNS/conversiestoornis en kan deze ziekte aangejaagd zijn door psychische problemen zoals eiser stelt, maar uit de stukken blijkt onvoldoende dat, als psychische problemen al hebben bijgedragen aan FNS/conversiestoornis, dit dezelfde psychische problematiek is geweest als in 1999-2001. De psychische problematiek in 1999-2001 was, zoals volgt uit de onder 7.4 genoemde rapportages, duidelijk gerelateerd aan privéproblemen in de (toenmalige) relatie, welke nadien niet meer speelden. Van andere (lichamelijke) klachten wordt in voornoemde rapportages geen melding gemaakt. De verzekeringsarts b&b schrijft in haar rapportage van 24 december 2025 dat uit de rapportage van 18 april 2001 blijkt dat de surmenage die redengevend was voor de WAO-uitkering op die datum ‘volledig’ over was. De rechtbank begrijpt hieruit dat de verzekeringsarts b&b stelt dat eiser destijds volledig was hersteld. In dat geval kunnen nadien opgetreden (nieuwe) psychische problemen niet in enig oorzakelijk verband worden gebracht met de psychische problemen in de periode 1999-2001 en is daarom geen sprake van eenzelfde ziekteoorzaak. Dat betekent dat, wat er ook zij van psychische problemen na 2001 en of deze bijgedragen hebben aan de FNS/conversiestoornis, er is niet gebleken dat deze psychische problemen dezelfde oorzaak hadden als in 1999-2001. Bovendien waren de problemen in de periode 1999-2001 nauw gerelateerd aan psychische spanningen vanwege relatieproblemen en dat speelde na 2001 geen enkele rol meer. Een zelfde ziekteoorzaak volgt ook niet uit het (ongedateerde) verslag van het RIAGG. Datzelfde geldt voor de brief van de GGD van 28 december 2005. Uit deze brief blijkt dat met eiser is besproken dat hij sinds ongeveer een jaar last heeft van beenklachten en dat de oorzaak van deze klachten een psychische stoornis lijkt te zijn. Daaruit volgt echter niet dat het gaat om dezelfde psychische problematiek waarop zijn eerdere WAO-toekenning was gebaseerd.
7.6.
De rechtbank acht verder van belang dat de verzekeringsarts b&b in haar rapportage van 24 december 2025 voldoende heeft toegelicht dat een persoonlijkheidsstoornis niet de oorzaak van FNS en/of surmenage is. Een persoonlijkheidsstoornis kan worden gezien als een risicofactor voor het optreden ervan, maar is nooit de oorzaak voor FNS of surmenage, als gevolg waarvan er geen sprake kan zijn van eenzelfde ziekteoorzaak in de zin van de Amber-beoordeling, aldus de verzekeringsarts b&b. De rechtbank ziet voor deze redenering steun in de uitspraak van de CRvB van 4 maart 2011. In deze uitspraak oordeelde de CRvB dat als een ziektebeeld intreedt, waarvan voorheen risicofactoren aanwezig waren op grond waarvan een arbeidsongeschiktheidsuitkering werd genoten, er geen sprake is van dezelfde ziekteoorzaak.
7.7.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat, ook al is de diagnose ‘nieuw’, geen sprake is van een novum met betrekking tot de in het besluit van

25 januari 2012 gehanteerde afwijzingsgrond van een ‘andere ziekteoorzaak’. Ook ten aanzien van het tweede deel van het besluit van 25 januari 2012 – als sprake zou zijn van dezelfde ziekteoorzaak dan is de wachttijd van 52 weken niet volgemaakt – is geen novum ingebracht. Dat eiser stelt dat hij ten onrechte per 29 september 2003 hersteld is gemeld, is geen nieuw feit. Daar heeft rechtbank in de uitspraak van 20 februari 2013 namelijk al over geoordeeld.

Zijn de overige klachten een novum?

8. Eiser heeft verder nog een aantal klachten naar voren gebracht over de handelwijze van het UWV/GAK en de procedures in het verleden. Eiser stelt dat de medische onderzoeken van het UWV/GAK in het verleden tekort schoten en dat hij destijds ten onrechte niet medisch is onderzocht. Dit betreffen echter geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden die zich ná het eerdere besluit uit 2012 hebben voorgedaan noch zijn het feiten of omstandigheden die zich wel vóór het besluit van 2012 hebben voorgedaan, maar die niet vóór dat besluit naar voren konden worden gebracht. Eiser had deze klachten bovendien al bij de eerdere procedure naar voren kunnen brengen en heeft dat (deels) ook gedaan.

Tussenconclusie

9. Gelet op het voorgaande heeft het UWV terecht geen aanleiding gezien om terug te komen van het besluit van 25 januari 2012. De afwijzing van het verzoek om niet terug te komen van dat besluit is naar het oordeel van de rechtbank niet evident onredelijk, omdat niet gebleken is dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is.

Duuraanspraak (herziening voor de toekomst)

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV afdoende gemotiveerd dat geen sprake is van duuraanspraak. De primaire verzekeringsarts heeft zich in zijn rapport van

12 juli 2024 op het standpunt gesteld dat, op grond van de beschikbare informatie en de in 2023 gestelde diagnose FNS/conversiestoornis, er geen medische argumenten zijn om aan te nemen dat, met de kennis van nu, meer dan twintig jaar gelden (in 2001), de belastbaarheid achteraf bezien niet juist is vastgesteld. De verzekeringsarts concludeert dat de beschikbare informatie ook geen reden geeft om tot het oordeel te komen dat de beslissing van

25 januari 2012 achteraf bezien niet juist is geweest. De rechtbank kan deze motivering, mede gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgen en is daarom van oordeel dat het UWV terecht ook herziening voor de toekomst heeft geweigerd.

Verzoek om schadevergoeding

11. Eiser heeft ook verzocht om toekenning van schadevergoeding in de vorm van nabetaling van de jarenlang ten onrechte niet toegekende WAO-uitkering. Dit verzoek wijst de rechtbank af, omdat niet is gebleken van een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid onder a, van de Awb.

Slotopmerking

12. De rechtbank merkt tot slot op dat het de rechtbank duidelijk is – gelet op de stukken die eiser heeft geschreven en de toelichting die hij tijdens de zitting heeft gegeven – dat hij een andere visie heeft op wat aan zijn ziekte ten grondslag ligt en dat hij niet kan begrijpen dat hij na al die jaren – zelfs na de diagnose FNS/conversiestoornis in 2023 – niet (opnieuw) een WAO-uitkering krijgt, ondanks de toenemende klachten die hij ervaart. Deze uitspraak zal voor eiser dan ook een forse teleurstelling zijn. De rechtbank begrijpt die teleurstelling, maar heeft moeten constateren dat de visie van eiser onvoldoende wordt ondersteund door (medisch objectieve) stukken die in het dossier zitten. Daarbij is ook relevant dat de rechtbank de beoordeling moet maken over een situatie van ruim twintig jaar geleden. Het UWV beschikt niet meer over de stukken uit die periode omdat de bewaartermijn ruimschoots is verstreken. Hoewel eiser zelf nog een heel aantal stukken uit zijn arbeidsongeschiktheidsdossier had bewaard, is de omstandigheid dat mogelijk niet alle gegevens meer beschikbaar zijn, en de gevolgen daarvan, iets dat volgens vaste rechtspraak voor risico van eiser komt.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M. van Kouwen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 43a, van de WAO.

ZUT 12/1236 WAO (niet gepubliceerd).

Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 19 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1147.

Het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK). Het GAK is een van de rechtsvoorgangers van het UWV.

CRvB 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.

CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.

CRvB 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.

Zie bijvoorbeeld CRvB 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2476 en CRvB 10 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:5.

ZUT 12/1236 WAO, r.o. 2.4.

Vgl. De uitspraken van de CRvB van 20 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP0012 en 17 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5276.

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6920.

CRvB 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.

Artikel delen