Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBGEL:2026:3670

Beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontvallen van procesbelang. Aan de orde is de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WIA. Per een latere datum is eiseres alsnog door het UWV volledig arbeidsongeschikt bevonden. De behandeling van het beroep kan niet tot een voor eiseres gunstiger resultaat leiden. Eiseres heeft geen financieel belang, niet wordt gesteld dat ...

Rechtbank Gelderland 13 mei 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2026:3670 text/xml public 2026-05-13T17:00:26 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-08 AWB-23_1084 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3670 text/html public 2026-05-12T10:27:05 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3670 Rechtbank Gelderland , 08-05-2026 / AWB-23_1084
Beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontvallen van procesbelang. Aan de orde is de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WIA. Per een latere datum is eiseres alsnog door het UWV volledig arbeidsongeschikt bevonden. De behandeling van het beroep kan niet tot een voor eiseres gunstiger resultaat leiden. Eiseres heeft geen financieel belang, niet wordt gesteld dat de arbeidsongeschiktheid duurzaam is. De urenomvang van de maatgevende arbeid (medische afzakker) kan door eiseres bij een toekomstige beoordeling aan de orde worden gesteld. Verzoek om veroordeling in de proceskosten van het beroep levert geen zelfstandig procesbelang op.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 23/1084
<?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiseres], uit [plaats 1], eiseres
(gemachtigde: mr. A. Gündoğan),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. T. Rook).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. uit [plaats 2]
(gemachtigde: mr. L.J.Y. Hoeneveld-Mol).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toekenning van een loongerelateerde uitkering (lgu) in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 19 april 2022 (datum in geding).
1.1.
Het UWV heeft deze uitkering met het besluit van 9 juni 2022 toegekend. De werkgever van eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 januari 2023 heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd van 100% in 42,45%. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met mr. S.S.G. Lie (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres), alsmede de gemachtigde van het UWV.
1.4.
Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen om nadere informatie te verstrekken.
1.5.
Bij brief van 9 juli 2024 heeft het UWV gereageerd op de schorsingsbeslissing en een medisch rapport van 8 juli 2024 overgelegd.
1.6.
Eiseres heeft, na verkregen uitstel, bij brief van 10 september 2024 gereageerd op de nadere stukken van het UWV.
1.7.
Bij brief van 6 december 2024, heeft het UWV, eveneens na verkregen uitstel, hierop gereageerd en medische en arbeidsdeskundige rapporten overgelegd.
1.8.
Op 14 maart 2025 en 9 april 2025 hebben het UWV en eiseres laten weten niet op een nadere zitting gehoord te willen worden. De derde-partij heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank dienaangaande.
1.9.
Bij brief van 16 juli 2025 heeft eiseres de rechtbank verzocht om voorlopig nog geen uitspraak te doen, in afwachting van nadere besluitvorming van het UWV. Eiseres heeft stukken van het UWV bijgevoegd.
1.10.
Het UWV heeft in een brief van 5 november 2025 laten weten het verzoek van eiseres om voorlopig geen uitspraak te doen niet te ondersteunen, omdat de nadere besluitvorming betrekking heeft op een andere (latere) datum.
1.11.
Bij brief van 16 februari 2026 heeft de rechtbank eiseres verzocht om haar actueel procesbelang bij de beoordeling van het beroep toe te lichten.
1.12.
Eiseres heeft op 5 maart 2026 gereageerd op het verzoek van de rechtbank.
1.13.
De rechtbank heeft partijen op 30 maart 2026 verzocht of zij op een nadere zitting gehoord willen worden.
1.14.
Bij brief van 25 maart 2026 (door de rechtbank ontvangen op 31 maart 2026) heeft eiseres een aanvulling gegeven op haar brief van 5 maart 2026.
1.15.
Op 1 april 2026 heeft de rechtbank de brief van eiseres van 31 maart 2026 doorgezonden aan het UWV en de derde-partij en partijen meegedeeld dat de brief van de rechtbank van 30 maart 2026 van kracht blijft.
1.16.
Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nadere zitting achterwege gebleven en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres heeft vanaf 8 mei 2000 bij de derde-partij gewerkt als lijnoperator. Op 21 april 2020 is zij voor dit werk uitgevallen en op 25 januari 2022 heeft eiseres een aanvraag voor een WIA-uitkering bij het UWV ingediend. Het UWV heeft vervolgens een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek ingesteld. Bij de beoordeling is het UWV er in eerste instantie vanuit gegaan dat eiseres werkte in een urenomvang van 37,82 (afgerond 38) uur per week. De arbeidsdeskundige kon onvoldoende geschikte functies voor eiseres selecteren, zodat aan eiseres een lgu is toegekend waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op 100% is vastgesteld. De werkgever van eiseres (de derde-partij) heeft tegen het toekenningsbesluit bezwaar gemaakt, omdat het UWV eiseres in aanmerking had moeten brengen voor een IVA-uitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. In bezwaar heeft het UWV vastgesteld dat eiseres haar arbeidsuren met ingang van 1 januari 2020 heeft teruggebracht van 38 naar 31,95 (afgerond 32) uur per week. Dit heeft geleid tot een aanpassing van de maatgevende urenomvang en het maatmanloon. Omdat met deze gewijzigde gegevens wel voldoende voorbeeldfuncties konden worden geduid, heeft het UWV bij de bestreden besluitvorming de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 42,45%.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang

3. In dit beroep is aan de orde de toekenning van een lgu aan eiseres met ingang van 19 april 2022, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 42,45%.

Eiseres heeft in essentie drie beroepsgronden. Eiseres stelt de urenomvang van de maatgevende arbeid ter discussie (“medische afzakker”), eiseres kan zich niet vinden in de vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding en eiseres bestrijdt de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties.
3.1.
De rechtbank moet eerst ambtshalve beoordelen of sprake is van procesbelang.
3.2.
Voor de beoordeling van het actueel procesbelang is met name de brief van eiseres van 25 maart 2026 met de daarbij gevoegde beslissing op bezwaar van het UWV van 6 maart 2026 van belang. Hieruit, en uit de overige stukken, blijkt het volgende.

De lgu (onderwerp van dit beroep) is aan eiseres toegekend tot 19 april 2024. Aansluitend heeft het UWV aan eiseres een vervolguitkering toegekend. Zowel eiseres als de derde-partij hebben hiertegen bezwaar gemaakt bij het UWV. Het UWV heeft de bezwaren op 6 maart 2026 gegrond verklaard, de mate van arbeidsongeschiktheid op 80 tot 100% bepaald en aan eiseres met ingang van 19 april 2024 een loonaanvullingsuitkering (lau) op grond van de Wet WIA toegekend.

Waarom heeft eiseres volgens haar nog voldoende actueel procesbelang?
3.3.
In de brief van 25 maart 2026 stelt eiseres zich op het standpunt dat zij nog steeds belang heeft bij de beoordeling van het beroep en zij licht dit als volgt toe. Het aan de orde zijnde geschil is niet opgelost. De vraag of het UWV haar per 19 april 2022 terecht heeft aangemerkt als 42,45% arbeidsongeschikt, gelet op de medische en arbeidsdeskundige grondslag – waaronder de vastgestelde maatmanomvang – ligt nog steeds ter beoordeling voor. De rechtbank kan in een inhoudelijk besluit nog steeds vaststellen of het bestreden besluit van 16 januari 2023 rechtmatig is genomen. Dat eiseres als gevolg van tijdsverloop en een latere beslissing uiteindelijk geen blijvend financieel nadeel blijkt te hebben geleden, doet aan het procesbelang niet af. Daarnaast is een inhoudelijk oordeel van belang voor de beoordeling van een proceskostenveroordeling in beroep, aldus eiseres.

Wat vindt de rechtbank?
3.4.
Voor het antwoord op de vraag of de indiener van een bezwaar- of beroepschrift voldoende procesbelang heeft is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bepalend of het resultaat dat deze nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben.
3.4.1.
Het uitkeringspercentage van de lgu bedraagt 70% van het maandloon (de eerste twee maanden van de uitkering 75%). Dit percentage is niet afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. Voor wat betreft de hoogte van de lgu heeft een inhoudelijke beoordeling van het beroep voor eiseres dan ook geen feitelijke betekenis.
3.4.2.
Procesbelang kan gelegen zijn in de beoordeling van de resterende verdiencapaciteit. Omdat aan eiseres echter inmiddels een lau is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, komt op grond van vaste rechtspraak aan de beoordeling van de resterende verdiencapaciteit in dit geval geen betekenis toe, zodat eiseres hieraan evenmin procesbelang kan ontlenen.
3.4.3.
Het standpunt van eiseres dat nog sprake is van procesbelang, omdat zij zich niet kan vinden in de berekening van de vastgestelde maatmanomvang wordt niet gevolgd. Ook indien wordt uitgegaan van een hogere maatmanomvang zal de hoogte van de per 19 april 2022 toegekende lgu niet wijzigen. De uitkomst van het beroep kan dus niet tot een voor eiseres gunstiger resultaat leiden, zodat deze beroepsgrond geen betekenis heeft. Bij een eventueel toekomstige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid kan eiseres de maatmanomvang opnieuw aan de orde stellen en zal het UWV dit aspect opnieuw moeten beoordelen.
3.4.4.
De uitkeringsduur van de lgu is al verstreken. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. In dit geval is dat niet aan de orde, omdat het bij een eventueel toekomstige beoordeling om een andere in geding zijnde datum gaat, zodat het UWV zich, mede gelet op het tijdsverloop, daarbij niet zonder meer kan baseren op het medisch onderzoek dat in een – ver – verleden heeft plaatsgevonden. De medische en arbeidsdeskundige beoordeling met betrekking tot een bepaalde datum heeft volgens vaste rechtspraak alleen betekenis voor de beoordeling van het recht op die datum. Het staat eiseres dus vrij om in het kader van beoordelingen van haar arbeidsongeschiktheid die in de toekomst mogelijk nog zullen plaatsvinden, alle door haar relevant geachte medische en/of arbeidskundige bezwaren aan te voeren, ook de bezwaren die in deze procedure zijn aangevoerd.
3.4.5.
Procesbelang kan aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. De rechtbank acht dit laatste het geval, omdat eiseres stelt geen blijvend financieel nadeel te hebben geleden en van een ingediend verzoek om schadevergoeding niet is gebleken.
3.4.6.
Tot slot kan aan de door eiseres verzochte veroordeling in de proceskosten in beroep volgens vaste rechtspraak geen procesbelang worden ontleend.
3.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres onvoldoende actueel procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. De rechtbank heeft hierbij meegewogen dat eiseres niet heeft gesteld dat zij niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Aan de beoordeling van de door eiseres aangevoerde inhoudelijke gronden over de mate van arbeidsongeschiktheid op 19 april 2022 wordt dan ook niet toegekomen. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van

J. de Graaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Uitspraak van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3679.

Vgl. artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA.

Uitspraak van 30 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:669.

Uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2402.

Uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946.

Uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2063.

Artikel delen