ECLI:NL:RBDHA:2026:21392
Herstelvonnis.
Rechtbank Den Haag 5 augustus 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:21392
text/xml
public
2026-08-05T18:00:16
2026-07-31
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-29
C/09/703674 / KG ZA 26-413
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
NL
Den Haag
Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht
Herstelde uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:15711
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21392
text/html
public
2026-07-31T13:07:49
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21392 Rechtbank Den Haag , 29-07-2026 / C/09/703674 / KG ZA 26-413
Herstelvonnis.
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703674 / KG ZA KG ZA 26-413
Herstelvonnis in kort geding van 29 juli 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
COTY BEAUTY GERMANY GMBH te Darmstadt (Duitsland),
eiseres,
hierna te noemen: Coty,
advocaten: mrs. H.W. van der Kaaij en P.S. Trapman,
tegen:
PERFUMEDIA B.V., mede handelend onder de naam PETITE MORT, te Rotterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: Petite Mort.
1Het verzoek tot verbetering
1.1.
Bij bericht van 21 juli 2026 heeft Coty de voorzieningenrechter verzocht om verbetering van het op 11 juni 2026 in deze zaak door hem gewezen vonnis. Volgens Coty staat in dictumonderdeel 5.4 van het vonnis een kennelijke verschrijving in de volgende zin:
“5.4. veroordeelt Petite Mort tot betaling aan Coty van een dwangsom van € 10.000,- ineens
voor iedere overtreding van de onder I tot en met II opgelegde verboden c.q. bevelen en een
dwangsom van € 2.500,- voor ieder dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat
een overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,-;”
In plaats van “de onder I tot en met II opgelegde verboden c.q. bevelen” dient hier “de onder 5.1 tot en met 5.3 opgelegde verboden c.q. bevelen” te staan.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft Petite Mort in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.
1.3.
Bij bericht van 22 juli 2026 heeft Petite Mort bezwaar gemaakt tegen de verzochte wijziging. Volgens haar is Coty niet-ontvankelijk in haar verzoek, omdat het verzoek niet door haar (advocaat) is ondertekend. Daarnaast stelt Petite Mort zich op het standpunt dat het verzoek niet kan worden gegrond op artikel 31 Rv, omdat het verzoek strekt tot een inhoudelijke wijziging van het vonnis, waardoor de omvang van de veroordeling wordt gewijzigd. De beperkte herstelprocedure van artikel 31 Rv is daarvoor niet bedoeld. Bovendien is voor toepassing van artikel 31 Rv vereist dat voor partijen en derden zonder nadere inhoudelijke beoordeling duidelijk is dat sprake is van een vergissing. Aan die voorwaarde is volgens Petite Mort niet voldaan. Tot slot voert Petite Mort aan dat zij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 11 juni 2026 en dat Coty deze klacht in appel aan het hof kan voorleggen.
2De beoordeling
Coty is ontvankelijk in haar verzoek
2.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat Coty ontvankelijk is in haar verzoek. Van de verschillende te onderscheiden functies van ondertekening, staat bij de ondertekening van een processtuk zoals onderhavig verzoek de functie van identificatie van de indiener voorop. Door het plaatsen van de handtekening onder het verzoekschrift is duidelijk wie de indiener is (individualisering) en is ook duidelijk dat deze indiener de inhoud van het verzoek voor zijn rekening neemt.
2.2.
Op grond van artikel 33 lid 1 Rv kunnen verzoeken en mededelingen elektronisch worden gedaan, en processtukken elektronisch ter griffie worden ingediend, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement. Ingevolge artikel 33 lid 2 Rv worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gegeven aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en de verzending van processtukken als bedoeld in het eerste lid en kunnen in verband met deze wijze van verzending nadere regels worden gesteld. Deze AMvB is het Besluit elektronisch procederen (hierna: Bep).
2.3.
Wanneer een gebruiker via een systeemkoppeling gebruikmaakt van het aangewezen digitale systeem voor gegevensverwerking (van de Rechtspraak), wordt de authenticatie van de individuele gebruiker verricht door het te koppelen systeem. Als de identiteit van de gebruiker bij de toegangverlening tot het systeem op persoonsniveau wordt geauthenticeerd, dan geldt het stuk als ondertekend, zo volgt artikel 5 lid 2 Bep en kan het plaatsen van een elektronische handtekening achterwege blijven. Deze ‘indienen=ondertekenen-regel’ geldt alleen wanneer het stuk wordt ingediend door degene die het stuk volgens de wet moet ondertekenen (zoals de officier van justitie of de advocaat zelf) en niet door bijvoorbeeld een secretaresse.
2.4.
Nu het verzoek is ingediend door mr. van der Kaaij is aan de hiervoor omschreven voorwaarde voldaan. De voorzieningenrechter ziet in onderhavig geval dan ook geen reden om Coty niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek.
Het verzoek wordt toegewezen
2.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het vonnis van 11 juni 2026 sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv, die zich voor eenvoudig herstel leent. Daarbij gaat de voorzieningenrechter voorbij aan het bezwaar van Petite Mort. In r.o. 4.29 wordt uitdrukkelijk overwogen dat de dwangsom “zoals gevorderd” zal worden opgelegd. In het geval dat de voorzieningenrechter de vordering deels had willen afwijzen, zou daarover een overweging zijn opgenomen in het vonnis. Bij gebrek aan een dergelijke overweging, is daarmee duidelijk dat de in 5.4 van het dictum opgelegde dwangsom tevens ziet op het in 5.3 opgelegde opgavebevel.
3De beslissing
De voorzieningenrechter:
3.1.
bepaalt dat dictumonderdeel 5.4 van het op 11 juni 2026 tussen Coty en Petite Mort gewezen vonnis, waar staat
“veroordeelt Petite Mort tot betaling aan Coty van een dwangsom van € 10.000,- ineens voor iedere overtreding van de onder I tot en met II opgelegde verboden c.q. bevelen en een dwangsom van € 2.500,- voor ieder dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat een overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,-;”
wordt gewijzigd in
“veroordeelt Petite Mort tot betaling aan Coty van een dwangsom van € 10.000,- ineens voor iedere overtreding van de onder 5.1 tot en met 5.3 opgelegde verboden c.q. bevelen en een dwangsom van € 2.500,- voor ieder dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat een overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,-;”
3.2.
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 29 juli 2026 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 11 juni 2026;
3.3.
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 11 juni 2026 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. R.W.J. Slits, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Zie hierover F.P.A. Dondorp, Elektronische handtekeningen. Juridische waarde en praktisch gebruik, Den Haag: Sdu Uitgevers, 2011, par. 4.1 (p. 133 e.v.), met verwijzingen naar verschillende andere bronnen.
Stb. 2020, 410. Besluit van 15 oktober 2020, houdende regels voor het langs elektronische weg procederen in het civiele recht en in het bestuursrecht.
De NvT bij het Bep, Stb. 2020, 410, p. 18.