ECLI:NL:RBDHA:2026:21059
Rechtbank Den Haag 18 augustus 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:21059
text/xml
public
2026-08-18T10:56:04
2026-07-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-08
694703
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Den Haag
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21059
text/html
public
2026-08-18T10:55:44
2026-08-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21059 Rechtbank Den Haag , 08-07-2026 / 694703
Externe bestuurdersaansprakelijkheid wegens schending van de vergunningsplicht Wft. Onrechtmatig handelen bij turboliquidatie door niet-naleving van artikel 2:19b BW.
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/694703 / HA ZA 25-1018
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
MCSTEDENBEHEER B.V., te Ermelo,
eiseres,
hierna te noemen: McStedenbeheer,
advocaat: mr. A. Fuijkschot,
tegen
1 [gedaagde] , te [woonplaats] ,2. [bedrijf 1] B.V., te [vestigingsplaats] ,
gedaagden,
hierna samen te noemen: [gedaagden] c.s.,
advocaat: mr. J.G. van der Steenhoven.
1De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 7 november 2025, met producties 1 tot en met 30;
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 20;
de akte overlegging producties van McStedenbeheer, met producties 31 tot en met 41;
de akte overlegging aanvullende producties van [gedaagden] c.s., met producties 21 tot en met 29.
1.2.
Op 15 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij aan de rechtbank hebben overhandigd. De griffier heeft aantekening gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd.
2De feiten
2.1.
Enig aandeelhouder en bestuurder van McStedenbeheer is mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
2.2.
De heer [gedaagde] (hierna: [gedaagde] ) is de bestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna te noemen: [bedrijf 1] ), die op haar beurt bestuurder was van de inmiddels ontbonden [bedrijf 2] B.V. [bedrijf 2] B.V. was sinds 2011 actief als vermogensbegeleider voor (zeer) vermogende families en ondernemers.
2.3.
In de opdrachtbevestiging van [bedrijf 2] B.V. aan McStedenbeheer van 22 oktober 2019 staat, voor zover relevant, het volgende:
”Met referte aan onze aangename en informatieve gesprekken van 24 juli, 9 en 15 augustus, 9 oktober en laatstelijk 22 oktober jl., is het mij een genoegen je hierbij de opdracht te mogen bevestigen voor de structurering en begeleiding van (een deel van) het vermogen in McStedenbeheer BV, respectievelijk in de opbouw daarvan. (…)
1 [bedrijf 2]
(2001) is een multi-client Family Office en Wealth Counsel met een unieke benadering van wealthmanagement. Wij denken "out-of-the-box" en voegen daar een groot (inter-) nationaal kennisnetwerk van beleggingsprofessionals aan toe. Al sinds 2001 voeren wij de regie over vermogens van families, ondernemers, "high net worth individuals", goede doelenorganisaties en vermogensfondsen. Onze rol is die van vertrouwenspersoon en vermogensregisseur, waarbij wij op maat ontzorgen bij vermogensvraagstukken, zoals beleggingen, investeringen, fiscale- en successieplanning en pensioenaangelegenheden.
Onze filosofie is dat de beste manier om onze vermogende en vaak ondernemende cliënten te ondersteunen is vanuit 100% onafhankelijkheid, specialisatie en partnership met de client. Onze kracht ligt in onze prudente aanpak, onafhankelijk beleid, individuele service en stabiele beleggingsresultaten.
Wij focussen ons voor onze cliënten bij uitstek op het in stand houden van het vermogen waarbij de inrichting van een portefeuille o.a. als verdere kenmerken heeft
een lage correlatie met beursgenoteerde effecten
een stabiele vermogensgroei
een geringe volatiliteit (geen grote schommelingen in de waardeontwikkeling)
(…)
4Werkzaamheden
Investeringsbegeleiding
De werkzaamheden zullen onder meer bestaan uit het maken van portefeuilleanalyses, cash flow prognoses, performancemeting en attributieanalyses, kostenanalyses, risicomanagement, het doen van research naar investeringsopportuniteiten welke voldoen aan de gestelde investeringscriteria, het begeleiden bij de selectie van asset- en fundmanagers, alsmede de afwikkeling en administratie daarvan, het opstellen van periodieke (kwartaal) rapportages, het bijwonen van (jaar-)vergaderingen, het voeren van besprekingen en het in algemene zin behartigen van belangen de vermogenspositie aangaande.
5Uitvoeringscriteria
Investeringsomvang
Investeringen zullen worden verricht voor rekening en risico van de holding “McStedenbeheer B.V.”.
Gecommitteerd vermogen
Het gecommitteerde vermogen zal bij aanvang €4.000.000,= bedragen.
Investeringsdoelstelling
Het doel van de investeringen zal er op gericht zijn het vermogen zoveel als mogelijk in stand te houden en te streven naar een Verantwoord rendement bij een gematigd risico. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van laag gecorreleerde investeringen cq -instrumenten meteen geringe volatiliteit (beweeglijkheid/fluctuaties) van de waarde van het vermogen.”
2.4.
Op 9 augustus 2023 heeft de AFM McStedenbeheer desgevraagd laten weten dat [bedrijf 2] B.V. geen vergunning heeft voor het geven van beleggingsadvies.
2.5.
Door tussenkomst van [bedrijf 2] B.V. heeft McStedenbeheer onder meer leningen verstrekt aan MainPlus Schadeherstel B.V. (hierna: MainPlus) voor een initieel bedrag van € 150.000, en aan entiteiten in eigendom van en gelieerd aan de heer [naam 2] (hierna tezamen: [naam 2] ) voor een totaalbedrag van € 500.000. Deze bedragen heeft McStedenbeheer niet terugbetaald gekregen.
2.6.
In december 2019 heeft McStedenbeheer een bedrag van € 150.000 geïnvesteerd in het TCA Global Credit Master Fund (hierna: het TCA fonds). In een e-mail van 18 december 2019 aan [naam 1] schreef [gedaagde] hierover:
“Bij onze research (binnen jouw risicovoorkeur) naar investeringsmogelijkheden voor stabiele en voorspelbare rendementen, lage correlaties, degelijke zekerheden en gemakkelijke opvraagbaarheid werden we via een gelieerde family office uit Zwitserland gewezen op het Marshall Bridge fund. (…)
Voorts spraken we eerder over de fondsen HC Commodity fund, HC Multi Strategies fund en het TCA Global master fund. Research documenten hiervan zijn als het goed is reeds in je bezit.
Zodra de rekening bij Sarasin open is en het geld daarop is overgemaakt stel ik voor de eerste investeringen te doen nog vóór het einde van de maand. Dwz dat uiterlijk a.s. maandag de orders moeten worden opgegeven. Ik zal daar zorg voor dragen.”
2.7.
Enkele weken nadat McStedenbeheer het bedrag van € 150.000 had overgemaakt naar het account van het TCA fonds, werd duidelijk dat het fonds geen toekomst (meer) had en geliquideerd moest worden. Tot op de dag van de mondelinge behandeling in deze zaak heeft McStedenbeheer geen betaling uit het TCA fonds ontvangen. In een e-mail van 18 juni 2020 schreef [gedaagde] hierover aan [naam 1] :
“Er rest ons in deze niets anders dan af te wachten hoe het fonds ontmanteld gaat worden
door de Liquidators. Feitelijk zal het erop neerkomen dat bestaande leningen die het fonds heeft
verstrekt ofwel gewoon de looptijd uitzitten, ofwel dat de leningen doorverkocht worden aan een
professionele partij. Uiteindelijk zal er alleen maar cash in het fonds zitten, dat vervolgens verdeeld zal gaan worden onder de crediteuren/investeerders. Hoeveel dat zal zijn laat zich thans niet inschatten. Ik ga ervan uit, dat het afwikkelingsproces nog geruime tijd (12-18 mnd?) zal duren.”
2.8.
Bij brief van 31 januari 2024 heeft (de advocaat van) McStedenbeheer [bedrijf 2] B.V. gesommeerd rekening en verantwoording af te leggen over voornoemde investeringen en de verjaring gestuit van alle mogelijke rechtsvorderingen en aanspraken op [bedrijf 2] B.V. en op [gedaagde] persoonlijk, uit welke hoofde dan ook. Op 14 maart 2024 heeft de advocaat van McStedenbeheer een vervolgsommatie verzonden. Partijen hebben geprobeerd een minnelijk regeling te treffen, maar dat is niet gelukt.
2.9.
Op 18 oktober 2024 heeft de advocaat van McStedenbeheer [bedrijf 2] B.V. en [gedaagde] nogmaals aansprakelijk gesteld en opnieuw de verjaring gestuit van alle mogelijke rechtsvorderingen op [bedrijf 2] B.V. en [gedaagde] persoonlijk, uit welke hoofde dan ook. De verjaring is opnieuw gestuit per brief van 22 januari 2025 aan de advocaat van [bedrijf 1] en [gedaagde] .
2.10.
[bedrijf 2] B.V. is op 10 december 2024 geturboliquideerd. McStedenbeheer is daar in de loop van 2025 achter gekomen door raadpleging van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
3Het geschil
3.1.
McStedenbeheer vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad:
verklaart voor recht dat [bedrijf 1] en [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens McStedenbeheer uit hoofde van onrechtmatige daad door het geven van beleggingsadvies door [bedrijf 2] B.V. aan McStedenbeheer en/of het optreden van [bedrijf 2] B.V. als feitelijk vermogensbeheerder van McStedenbeheer zonder te beschikken over de daarvoor vereiste AFM-vergunning, de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
verklaart voor recht dat [bedrijf 1] en [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens McStedenbeheer uit hoofde van onrechtmatige daad door over te gaan tot turboliquidatie van [bedrijf 2] B.V., zonder enige (voor)aankondiging en zonder daarbij te voldoen aan de verplichtingen in artikel 2:19b BW, de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
een en ander met de veroordeling van [bedrijf 1] en [gedaagde] in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De rechtbank begrijpt het petitum onder I) en II) aldus dat McStedenbeheer twee verklaringen voor recht vordert en een verwijzing naar de schadestaatprocedure.
3.3.
Aan haar vordering legt McStedenbeheer het volgende ten grondslag. [bedrijf 2] B.V. heeft gefungeerd als beheerder van het vermogen van McStedenbeheer, dan wel heeft zij beleggingsadvies aan haar gegeven. Deze diensten heeft [bedrijf 2] B.V. verricht zonder te beschikken over de daarvoor vereiste AFM-vergunning. Hiervan kan een ernstig verwijt worden gemaakt aan [bedrijf 1] en [gedaagde] . McStedenbeheer stelt hen dan ook uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Ten tweede is [bedrijf 2] B.V. geturboliquideerd (i) zonder daarbij aan de wettelijke vereisten te voldoen en (ii) waardoor het McStedenbeheer onmogelijk is gemaakt om haar vorderingen op [bedrijf 2] B.V. te verhalen. Ook dit is jegens McStedenbeheer onrechtmatig, althans kan [bedrijf 1] en [gedaagde] hiervan een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt, aldus McStedenbeheer.
3.4.
[gedaagden] c.s. voeren verweer. [gedaagden] c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen van McStedenbeheer, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van McStedenbeheer in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. De rechtbank merkt daarbij op dat vanwege de aard van de vorderingen van McStedenbeheer (strekkende tot het geven van verklaringen voor recht en een verwijzing naar de schadestaatprocedure) geen volwaardig partijdebat heeft plaatsgevonden over de omvang van de schade die McStedenbeheer stelt te hebben geleden c.q. nog zal lijden als gevolg van het door haar gestelde onrechtmatig handelen door [gedaagden] c.s.
4De beoordeling
Schending vergunningsplicht Wft
4.1.
De eerste vraag die voorligt, is of [bedrijf 2] B.V. vergunningsplichtig was op grond van de Wft. Het is verboden om in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten zonder een daarvoor door de AFM verleende vergunning (artikel 2:96 lid 1Wft). Artikel 2:96 lid 1 Wft strekt ter implementatie van artikel 5 lid 1 en 2 MiFID (Richtlijn 2004/39/EG). Het doel van dit verbod is om beleggers bescherming te bieden. De wetgever beoogt dat uitsluitend deskundige, integere en solvabele partijen actief zijn op de financiële markten.
4.2.
Onder het verlenen van een beleggingsdienst in de zin van artikel 1:1 Wft valt het beheren van andermans vermogen. Van vermogensbeheer is sprake als de financiële dienstverlener op discretionaire basis het beheer voert over aan de cliënt toebehorende middelen ter belegging in financiële instrumenten. Ook het in de uitoefening van beroep of bedrijf aanbevelen van een of meer specifieke financiële instrumenten aan een bepaalde cliënt kwalificeert als het verlenen van een beleggingsdienst in de zin van artikel 1:1 Wft. Het moet dan gaan om het verstrekken van gepersonaliseerde aanbevelingen aan een cliënt, hetzij op diens verzoek hetzij op initiatief van de beleggingsonderneming, met betrekking tot één of meer transacties in financiële instrumenten. Vereist en voldoende om te kunnen spreken van beleggingsadvies in de zin van artikel 1.1 Wft is dat het product aan de afnemer is voorgesteld als geschikt voor hem, of dat de aanbeveling berust op een afweging van zijn persoonlijke omstandigheden. Financiële instrumenten in de zin van artikel 1:1 Wft zijn onder meer effecten (zoals aandelen) en het recht van deelneming in een beleggingsinstelling (zoals een beleggingsfonds).
4.3.
Niet in geschil is dat [bedrijf 2] B.V. handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf en dat McStedenbeheer haar cliënt was (zie ook r.o. 2.2 en 2.3). Ook staat niet ter discussie dat het TCA fonds een beleggingsfonds is. Partijen twisten over de vragen of [bedrijf 2] B.V. (i) het vermogen van McStedenbeheer heeft beheerd en of zij (ii) beleggingsadvies aan McStedenbeheer heeft gegeven.
4.4.
De vraag of [bedrijf 2] B.V. het vermogen van McStedenbeheer heeft beheerd (in de zin van artikel 1:1 Wft), beantwoordt de rechtbank ontkennend. [bedrijf 2] B.V. investeerde het vermogen van McStedenbeheer immers niet zonder concrete opdrachten daartoe van McStedenbeheer. Dat McStedenbeheer daarin steeds het advies van [bedrijf 2] B.V. zou hebben gevolgd, doet - al aangenomen dat dat het geval is - er niet aan af dat de beleggingsbeslissing steeds bij McStedenbeheer lag.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [bedrijf 2] B.V. wel beleggingsadvies aan McStedenbeheer gegeven, in de zin van artikel 1:1 Wft. [bedrijf 2] B.V. was dus vergunningsplichtig op grond van artikel 2:96 Wft. Dit licht de rechtbank hieronder verder toe.
4.6.
Anders dan [gedaagden] c.s. betogen, heeft [bedrijf 2] B.V. het TCA fonds niet slechts onder de aandacht van McStedenbeheer gebracht. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat [bedrijf 2] B.V. de participatie in het TCA fonds als geschikt voor McStedenbeheer aan haar heeft aanbevolen. Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van 22 oktober 2019 hebben partijen meerdere gesprekken gevoerd over de opdrachtverlening en investeringsmogelijkheden, inclusief het TCA fonds. In de opdrachtbevestiging (zie r.o. 2.3) staat bovendien dat [bedrijf 2] B.V. een vermogensregisseur is die “op maat ontzorgt bij o.a. beleggingen en investeringen”. Ook behelsde de opdracht aan [bedrijf 2] B.V. “het doen van research naar investeringsopportuniteiten welke voldoen aan de gestelde investeringscriteria”. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat McStedenbeheer van [bedrijf 2] B.V. mocht verwachten dat de beleggingsvoorstellen van [bedrijf 2] B.V. gepersonaliseerde voorstellen waren. Dat [bedrijf 2] B.V. ook daadwerkelijk gepersonaliseerde aanbevelingen deed aan McStedenbeheer blijkt uit de in r.o. 2.6 aangehaalde e-mail van [gedaagde] aan McStedenbeheer van 18 december 2019, waarin het investeren in een fonds wordt aanbevolen “binnen jouw risicovoorkeur” en tevens wordt gerefereerd aan de eerdere gesprekken en de eerder verstrekte informatie over het TCA fonds en twee andere fondsen. Daarover wordt verder concreet voorgesteld: “Zodra de rekening bij Sarasin open is en het geld daarop is overgemaakt stel ik voor de eerste investeringen te doen nog vóór het einde van de maand.”
4.7.
De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [gedaagden] c.s. dat [bedrijf 2] B.V. geen gericht advies aan McStedenbeheer gaf, omdat alle klanten van [bedrijf 2] B.V. dezelfde overeengekomen uitvoeringscriteria hadden, waardoor [bedrijf 2] B.V. deze investering aan al haar klanten voorstelde, zonder daarmee een gepersonaliseerd advies te geven. Gelet op de inhoud van de opdrachtbevestiging (“Onze rol is die van vertrouwenspersoon en vermogensregisseur, waarbij wij op maat ontzorgen bij vermogensvraagstukken, zoals beleggingen, investeringen, fiscale- en successieplanning en pensioenaangelegenheden”, zie r.o. 2.3) mocht McStedenbeheer, zoals gezegd, gepersonaliseerde adviezen verwachten. Zelfs al zou [bedrijf 2] B.V. het TCA fonds aan al haar cliënten hebben voorgelegd, betekent dat niet dat zij daarmee geen gepersonaliseerd (“op maat”, “binnen jouw risicovoorkeur” en “investeringsopportuniteiten welke voldoen aan de gestelde investeringscriteria”) advies aan McStedenbeheer heeft gegeven.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [bedrijf 2] B.V. gepersonaliseerd beleggingsadvies aan McStedenbeheer heeft gegeven met betrekking tot een financieel instrument, te weten het TCA fonds. Daarmee is komen vast te staan dat [bedrijf 2] B.V. een beleggingsdienst aan McStedenbeheer heeft verleend in de zin van artikel 1.1 Wft. [bedrijf 2] B.V. heeft dus gehandeld in strijd met het verbod van artikel 2:96 Wft, nu niet in geschil is dat zij geen vergunning van de AFM had voor deze in Nederland verrichte activiteit (zie ook r.o. 2.4). Dit kwalificeert als onrechtmatig handelen van [bedrijf 2] B.V. Aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW is voldaan, nu de verbodsbepalingen in de Wft mede ten doel hebben beleggers zoals McStedenbeheer te beschermen (zie r.o. 4.1).
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens schending vergunningsplicht
4.9.
[gedaagden] c.s. worden in het kader van de schending van de vergunningsplicht aangesproken op grond van onrechtmatig handelen in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurder van [bedrijf 2] B.V. Daarbij is het volgende juridisch kader uitgangspunt.
4.10.
Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of onrechtmatig heeft gehandeld, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap daarvoor aansprakelijk is. De bestuurder kan naast de vennootschap aansprakelijk zijn als hij bijvoorbeeld heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt. Hiervoor is vereist dat de bestuurder een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als vaststaat dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
4.11.
Artikel 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.
4.12.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of [gedaagde] en [bedrijf 1] een ernstig persoonlijk verwijt kunnen worden gemaakt, waardoor zij – secundair aan [bedrijf 2] B.V. - aansprakelijk zijn jegens McStedenbeheer uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is en overweegt daarover het volgende.
4.13.
[gedaagde] was indirect, via [bedrijf 1] , de enige aandeelhouder en enige bestuurder van [bedrijf 2] B.V. en er waren bij [bedrijf 2] B.V. geen andere werkzame personen. [gedaagden] c.s. hadden dus de volledige zeggenschap en waren zowel juridisch als feitelijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de diensten van [bedrijf 2] B.V. Van het (doen) voeren van een onderneming waarbij beleggingsadvies werd gegeven zonder de daarvoor benodigde vergunning, kan [bedrijf 1] als bestuurder en [gedaagde] als indirect bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Als bestuurders van een professionele financiële dienstverlener met ruime ervaring (zie r.o. 2.2) hadden [gedaagden] c.s. immers moeten weten dat [bedrijf 2] B.V. vergunningsplichtig was onder de Wft. Dit betreft de kern van de bedrijfsvoering van [bedrijf 2] B.V. Niet is gebleken dat [gedaagden] c.s. er om wat voor reden dan ook van uit mocht gaan dat [bedrijf 2] B.V. niet aan de vereisten van de Wft zou hoeven voldoen. Dat cliënten van [bedrijf 2] B.V. over het algemeen professionele partijen zouden zijn, maakt – al aangenomen dat dat het geval is - niet dat [gedaagden] c.s. ervan uit mocht gaan dat de uitvoering van de diensten van [bedrijf 2] B.V. niet als beleggingsadvies zouden kwalificeren. In de verhouding tussen [bedrijf 2] B.V. en haar cliënten was zij immers de (meest) professionele partij. Dit geldt ook in de verhouding tussen [bedrijf 2] B.V. en McStedenbeheer. Dat [naam 1] eerder in vastgoed had geïnvesteerd, maakt dat niet anders.
4.14.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken leidt de rechtbank af dat de investering van € 150.000 in het TCA fonds vooralsnog geen rendement voor McStedenbeheer heeft opgeleverd en dat van terugbetaling van de investering (nog) evenmin sprake is. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt verder dat het TCA fonds in liquidatie verkeert, dat de vereffening nog gaande is en dat een rechtbank in Florida, Verenigde Staten, heeft geoordeeld dat TCA fraude heeft gepleegd door – kort gezegd - een te hoge intrinsieke waarde van het fonds te presenteren en onjuiste informatie over haar prestaties te verschaffen. De rechtbank is van oordeel dat de mogelijkheid aannemelijk is dat McStedenbeheer door het onrechtmatig handelen van [gedaagden] c.s. schade heeft geleden of zal lijden. Zonder schending van de vergunningsplicht (door het geven van het beleggingsadvies betreffende het TCA fonds) had McStedenbeheer naar alle waarschijnlijkheid immers niet in dit fonds geïnvesteerd.
Onrechtmatig handelen bij turboliquidatie
4.15.
McStedenbeheer verwijt [gedaagden] c.s. ook - kort gezegd - dat zij onrechtmatig hebben gehandeld door [bedrijf 2] B.V. te turboliquideren, zonder daarbij te voldoen aan de wettelijke vereisten.
4.16.
Het gaat hierbij om de vraag of een schending van artikel 2:19b BW een onrechtmatige daad van [gedaagden] c.s. oplevert. Daarbij gaat het om een ‘eigen’ onrechtmatige daad van de (indirecte) bestuurders, en niet om een bestuurdersaansprakelijkheid die secundair is aan een tekortkoming of onrechtmatige daad van de vennootschap waarvan zij bestuurder zijn. Artikel 2:19b BW behelst immers een plicht van het bestuur van een vennootschap tot financiële verantwoording bij turboliquidatie. Er geldt dus geen verzwaarde aansprakelijkheidsdrempel. De rechtbank zal voormelde vraag dan ook beoordelen aan de hand van de ‘gewone’ maatstaven voor een onrechtmatige daad.
4.17.
Op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander daardoor lijdt, te vergoeden. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW moet aan een vijftal vereisten voldaan zijn, te weten: onrechtmatig handelen, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen de daad en de schade en relativiteit. Een onrechtmatige daad kan bestaan uit een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW). Voor de vestiging van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is voldoende dat aannemelijk is dat enige schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen.
Niet-naleving van artikel 2:19b BW
4.18.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagden] c.s. niet aan de deponeringsplicht van artikel 2:19b lid 1 BW hebben voldaan, noch aan de daarop volgende mededelingsplicht van artikel 2:19b lid 2 BW. Partijen zijn verdeeld over de vraag of dit een onrechtmatige daad van [gedaagden] c.s. jegens McStedenbeheer oplevert.
4.19.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] c.s. onrechtmatig jegens McStedenbeheer gehandeld door zich niet aan de eisen van artikel 2:19b BW te houden bij de turboliquidatie van [bedrijf 2] B.V. Daarover overweegt zij het volgende.
4.20.
De regeling van artikel 2:19b BW is ingevoerd bij de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie en is van toepassing op bestuurders van rechtspersonen die ontbonden zijn na inwerkingtreding van de wet (15 november 2022) voor de oorspronkelijke duur van twee jaar, die is verlengd met twee jaar op 15 november 2025. De wet beoogt het vertrouwen in de regeling van de turboliquidatie te verbeteren door transparantie te vergroten, de rechtsbescherming van schuldeisers te verbeteren en misbruik ervan effectiever te bestrijden. Niet-naleving van de deponeringsplicht van artikel 2:19b lid 1 BW kwalificeert als een economisch delict.
4.21.
Voor wat betreft de niet-naleving van de deponeringsplicht, hebben [gedaagden] c.s. ter zitting toegelicht dat dit te wijten zou zijn aan de door hen ingeschakelde accountant. Zelfs al zou dat zo zijn, dan komt dat voor rekening en risico van [gedaagden] c.s. en kan dit kan niet tegen McStedenbeheer worden tegengeworpen. [gedaagden] c.s. hebben als (indirect) bestuurder van [bedrijf 2] B.V. dus gehandeld in strijd met een wettelijke plicht - hetgeen ook kwalificeert als een economisch delict - en dit valt hen toe te rekenen. Zoals hiervoor ook is overwogen, was [gedaagde] indirect, via [bedrijf 1] , immers de enige aandeelhouder en enige bestuurder van [bedrijf 2] B.V. en waren er verder geen werkzame personen in deze B.V. [gedaagden] c.s. hadden dus de volledige zeggenschap en waren zowel juridisch als feitelijk verantwoordelijk voor de gehele bedrijfsvoering van [bedrijf 2] B.V.
4.22.
McStedenbeheer verwijt [gedaagden] c.s. ook dat zij niet hebben voldaan aan de mededelingsplicht van artikel 2:19b lid 2 BW. Naar het oordeel van de rechtbank draagt dit nalaten bij aan de onrechtmatigheid van het handelen van [gedaagden] c.s. Daarbij is van belang dat het [gedaagden] c.s. ten tijde van de turboliquidatie op 10 december 2024 bekend was dat McStedenbeheer voornemens had vorderingen tegen [bedrijf 2] B.V. in te stellen. Dat McStedenbeheer daar ten tijde van de turboliquidatie nog niet toe was overgegaan, brengt - mede gelet op de stuitingsbrieven die namens McStedenbeheer zijn gestuurd, laatstelijk op 18 oktober 2024 (zie r.o. 2.8-2.9) - niet mee dat [gedaagden] c.s. geen rekening hoefden te houden met McStedenbeheer als potentiële/latente schuldeiser bij de (voorgenomen) turboliquidatie van [bedrijf 2] B.V. [gedaagden] c.s. hadden McStedenbeheer conform artikel 2:19b lid 2 BW tijdig op de hoogte moeten stellen van de turboliquidatie, zodat McStedenbeheer niet pas maanden later bij raadpleging van het register van de Kamer van Koophandel geconfronteerd werd met een debiteur die niet langer bestond en informatie ontbeerde die noodzakelijk is (was) om (tijdig) eventuele (rechts)maatregelen te nemen.
4.23.
Nu [bedrijf 2] B.V. middels turboliquidatie is opgehouden te bestaan, kan McStedenbeheer mogelijke vorderingen op [bedrijf 2] B.V. (waaronder die op grond van het niet-naleven van de vergunningplicht van artikel 2:96 Wft, zie r.o. 4.8) niet meer op [bedrijf 2] B.V. proberen te verhalen. Dit terwijl de verplichting van artikel 2:19b BW juist in het leven is geroepen ter bescherming van schuldeisers van een te liquideren vennootschap. Daarmee is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.
4.24.
Of het onrechtmatig handelen van [gedaagden] c.s. daadwerkelijk schade bij McStedenbeheer heeft veroorzaakt en zo ja, in welke omvang, kan de rechtbank in deze procedure niet vaststellen. De rechtbank is echter van oordeel dat McStedenbeheer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het onrechtmatig handelen van [gedaagden] c.s. (in de vorm van het niet-voldoen aan de wettelijke vereisten voor turboliquidatie) tot enige schade bij McStedenbeheer heeft geleid. Doordat [gedaagden] c.s. zich niet aan de eisen van artikel 2:19b BW hebben gehouden, heeft McStedenbeheer immers niet binnen veertien dagen na de ontbinding op 10 december 2024 inzage gekregen in de financiële positie van [bedrijf 2] B.V. en heeft zij daardoor ook niet de gelegenheid gekregen om voorzorgsmaatregelen te treffen, zoals (bewarende) maatregelen om verhaal te halen bij [bedrijf 2] B.V. of haar bestuurder of indirecte bestuurder.
4.25.
Met het voorgaande is voldaan aan de vereisten voor het vestigen van aansprakelijkheid [gedaagden] c.s. jegens McStedenbeheer op grond van onrechtmatige daad.
Geen (secundaire) bestuurdersaansprakelijkheid
4.26.
McStedenbeheer heeft ook aangevoerd dat [gedaagden] c.s. bij de turboliquidatie van [bedrijf 2] B.V. McStedenbeheer als schuldeiser hebben benadeeld en daardoor (ook) aansprakelijk zijn uit hoofde van (externe) bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 6:162 jo 2:11 BW). Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
4.27.
Bestuurders van een vennootschap mogen, bij afwezigheid van baten, kiezen voor de route van turboliquidatie van die vennootschap. In beginsel kan een vennootschap dus worden ontbonden zonder dat vereffening plaatsvindt, onder de voorwaarde dat er geen baten zijn of te verwachten zijn. Dat geldt ook als de vennootschap schulden heeft. Ingevolgde artikel 2:19 leden 4 en 5 BW volgt immers geen vereffening en houdt de rechtspersoon terstond op te bestaan als er na de ontbinding geen baten (te verwachten) zijn. De vraag of er op het moment van de ontbinding nog openstaande schulden zijn, is daarbij niet van belang. Het achterwege laten van een vereffening na een ontbinding is alleen onrechtmatig jegens een schuldeiser als er op het moment van de ontbinding sprake is van (te verwachten) baten, die (al dan niet deels) kunnen leiden tot betaling aan die schuldeiser. In dat geval moet (wel) vereffening plaatsvinden. In beginsel leidt turboliquidatie van een vennootschap dus niet tot persoonlijke aansprakelijkheid van haar bestuurder. Alleen als de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden van het onbetaald blijven van een schuldeiser, is er grond voor persoonlijke aansprakelijkheid jegens die schuldeiser.
4.28.
De enkele wetenschap van de bestuurder dat door een handelen of nalaten een of meer schuldeisers van de vennootschap benadeeld zullen worden, is niet voldoende voor aansprakelijkheid van die bestuurder volgens voormelde norm. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad is af te leiden dat bijkomende omstandigheden daarvoor veelal beslissend zijn. Daarnaast moet vast komen te staan dat de aangesproken bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen jegens de schuldeiser niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Als bijkomende omstandigheid in het kader van een turboliquidatie zullen vooral aan de orde zijn: betalingsonwil, ongeoorloofde selectieve betaling of het ‘wegsluizen’ van activa.
4.29.
De vraag of [gedaagden] c.s., met inachtneming van de overwegingen in r.o. 4.27 en 4.28 (ook) aansprakelijk zijn jegens McStedenbeheer uit hoofde van (externe) bestuurdersaansprakelijkheid vanwege – kort gezegd – bewuste benadeling van McStedenbeheer als schuldeiser bij de turboliquidatie van [bedrijf 2] B.V., beantwoordt de rechtbank ontkennend. McStedenbeheer heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagden] c.s., onvoldoende toegelicht dat [bedrijf 2] B.V. ten tijde van de turboliquidatie baten had of kon verwachten waaruit McStedenbeheer (deels) zou kunnen worden voldaan en/of dat anderszins sprake is van bijkomende omstandigheden die maken dat de bestuurders van [bedrijf 2] B.V. een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kunnen worden van de omstandigheid dat McStedenbeheer als (potentiële/latente) schuldeiser van [bedrijf 2] B.V. waarschijnlijk onbetaald blijft. [gedaagden] c.s. hebben immers aangevoerd, en met stukken onderbouwd, dat [bedrijf 1] in 2024 een bedrijfsresultaat van (slechts) € 14.431 heeft behaald en dat na voldoening van de bekende en erkende schuldeisers een eigen vermogen van € 20.590 resteerde. Dat bedrag is als vermogensonttrekking verwerkt in de jaarrekening van 2024 en uitgekeerd aan de aandeelhouder [bedrijf 1] . De rechtbank begrijpt dat hiermee (een deel van) de schuld van [bedrijf 2] B.V. aan haar aandeelhouder [bedrijf 1] is voldaan. [gedaagden] c.s. hebben verder aangevoerd en onderbouwd dat, als [bedrijf 2] B.V. was blijven voortbestaan om de uitkomst van een procedure tegen McStedenbeheer af te wachten, dat resterende vermogen nodig zou zijn geweest voor advocaat- en andere proceskosten en dan (ook) geen baten in [bedrijf 2] B.V. zouden zijn overgebleven ter voldoening van enige vordering van McStedenbeheer. Bij het voorgaande is van belang dat het [gedaagden] c.s. als (indirect) bestuurders in beginsel vrijstond op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van [bedrijf 2] B.V. in de gegeven omstandigheden zouden worden voldaan.
4.30.
Anders dan McStedenbeheer heeft betoogd, leidt het feit dat [gedaagde] na de ontbinding van [bedrijf 2] B.V. een eenmanszaak heeft opgericht, niet tot een ander oordeel. Er zijn geen concrete aanwijzingen vast komen te staan die de conclusie rechtvaardigen dat de eenmanszaak van [gedaagde] op ongeoorloofde wijze (dat wil zeggen: met als doel benadeling van McStedenbeheer als schuldeiser van [bedrijf 2] B.V.) activiteiten van [bedrijf 2] B.V. heeft overgenomen.
4.31.
De slotsom van het voorgaande is dat de drempel voor persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagden] c.s. als bestuurders van [bedrijf 2] B.V. - wegens benadeling van McStedenbeheer als schuldeiser bij de turboliquidatie van [bedrijf 2] B.V. - niet is gehaald. Bij deze stand van zaken hoeft niet (verder) ingegaan te worden op de vraag of McStedenbeheer daadwerkelijk schuldeiser was of is van [bedrijf 2] B.V. (vgl. dagvaarding randnummer 94) en zal de rechtbank niet beoordelen of de verwijten die McStedenbeheer [bedrijf 2] B.V. maakt met betrekking tot de leningen aan MainPlus en [naam 2] (zie ook r.o. 2.5) terecht zijn.
Verwijzing schadestaatprocedure
4.32.
Hiervoor is geoordeeld dat [gedaagden] c.s. twee onrechtmatige handelingen jegens McStedenbeheer verweten kunnen worden en dat de mogelijkheid dat McStedenbeheer door die onrechtmatige gedragingen schade heeft geleden aannemelijk is. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat voldoende. De onder I) en II) van het petitum gevorderde verklaringen voor recht zullen dan ook - met aangepaste formulering - worden toegewezen, evenals een verwijzing naar de schadestaatprocedure.
Proceskosten
4.33.
[gedaagden] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van McStedenbeheer worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.331,35
4.34.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.35.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat dat [bedrijf 1] en [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens McStedenbeheer uit hoofde van onrechtmatige daad (bestuurdersaansprakelijkheid) vanwege het geven van beleggingsadvies door [bedrijf 2] B.V. aan McStedenbeheer zonder te beschikken over de daarvoor vereiste AFM-vergunning;
5.2.
verklaart voor recht dat dat [bedrijf 1] en [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens McStedenbeheer uit hoofde van onrechtmatige daad door over te gaan tot turboliquidatie van [bedrijf 2] B.V., zonder daarbij te voldoen aan de verplichtingen van artikel 2:19b BW;
5.3.
verwijst de zaak voor wat betreft het opmaken van de mogelijk door McStedenbeheer geleden en nog te lijden schade als gevolg van de in 5.1. en 5.2 bedoelde onrechtmatige gedragingen van [bedrijf 1] en [gedaagde] naar de schadestaatprocedure;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.331,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagden] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
5.5.
veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2062.
3418
Autoriteit Financiële Markten
Burgerlijk Wetboek
Wet op het financieel toezicht
Kamerstukken II, 2005/06, 29708, nr. 19 (Vierde Nota van Wijziging) p. 393-394.
HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen), rov. 3.5.
Kamerstukken II 2021/22, 36172, 3, p. 2.
Vgl. HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1916 (Sanitech) en Hof Den Haag 24 februari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:194 (Your Finance).
Vgl. Kamerstukken II 2021/22, 36172, 3, p. 23.
Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen).
Vgl. HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9654 (Zandvliet/ING), r.o. 4.1.2 en vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73 (Kromme/Leek), r.o. 3.2.
Zie Hoge Raad 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428; Hoge Raad 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328.