ECLI:NL:RBDHA:2026:20203
AA - Syrië - ongegrond.
Rechtbank Den Haag 20 juli 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:20203
text/xml
public
2026-07-20T17:17:21
2026-07-20
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-20
NL26.6339
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Groningen
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20203
text/html
public
2026-07-20T17:15:33
2026-07-20
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:20203 Rechtbank Den Haag , 20-07-2026 / NL26.6339
AA - Syrië - ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6339
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, het beroep ongegrond is en eiser geen vergoeding van zijn proceskosten krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 10 oktober 2024 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 4 februari 2026 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij uit Syrië is gevlucht vanwege de oorlog en de algemene veiligheidssituatie daar. Eiser mocht tijdens zijn werkzaamheden niet bidden en moest dit stiekem doen. De kinderen van eiser ervaren discriminatie en mishandeling in Syrië. Eiser vreest bij terugkeer gevangen te worden genomen en een boete te krijgen omdat hij zijn werk heeft verlaten. Eiser werkte onder het vorige regime als koerier voor een ministerie. Eiser vreest bij terugkeer als aanhanger van het vorige regime te zullen worden gezien.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Veiligheidssituatie in Syrië;
Problemen op het werk vanwege religie;
Problemen vanwege werkzaamheden.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De veiligheidssituatie en de ondervonden problemen vanwege eisers werkzaamheden worden niet op geloofwaardigheid getoetst, omdat deze motieven hoe dan ook geen aanleiding zouden geven tot het verlenen van een asielvergunning zoals bedoeld in artikel 28 van de Vw. De problemen op het werk vanwege eisers religie worden niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn verklaringen niet met objectieve documenten onderbouwd, en voldoet ook niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw.
Zienswijze
5. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat zijn zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Reëel risico op ernstige schade
6. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, te weten de verwijzing naar het ambtsbericht, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet uit mag gaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
6.1.
Ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en het door eiser genoemde artikel, in overwegende mate het gevolg zijn van handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld.
Escalatie in Iran
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de huidige situatie als gevolg van een regionale escalatie van geweld in buurland Iran maakt dat de veiligheidssituatie verder is verslechterd. Eiser heeft dit betoogt namelijk niet onderbouwd. De enkele verwijzing van eiser naar informatie afkomstig van het Belgisch ministerie van Buitenlands Zaken is onvoldoende voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
ECLI:NL:RBDHA:2026:12595.